Media in gevaar?

'Vrede. Tijdschrift voor internationale politiek' blaast vijftig kaarsjes uit. Al die tijd is er geprobeerd om het nieuws via een vredesbril te bekijken, achtergrond te bieden bij de actualiteit die je in de gewone media niet altijd vindt. We maken van de gelegenheid gebruik met de publicatie van een nieuw vredescahier over de groeiende economische en commerciële logica binnen de media. Op 24 november is er een seminarie over media en internationale berichtgeving. Hierna alvast de introductietekst van 'Media in gevaar'.


Het is geen allerdaagse gebeurtenis: op 5 november verlieten tienduizenden journalisten uit 26 Europese landen hun redactielokalen voor een gecoördineerde protestactie. Ze wezen op de dramatische crisis in de media. Volgens de actievoerende journalisten komt dat door de toenemende politieke en economische druk, dalende normen en erbarmelijke arbeidsomstandigheden die de kwaliteit van de journalistiek aantasten. Er is geen geld meer voor onderzoeksjournalistiek en ook op andere posten van het redactioneel werk zijn er besparingen. Ervaren journalisten worden afgedankt en vervangen door goedkopere freelancers, die zich door hun onzekere situatie niet langer kritisch kunnen opstellen en uit jobbehoud zelfs hun toevlucht moeten nemen tot zelfcesuur. Kortom, redacties moeten zich schikken naar de commerciële logica waarin de media zijn terechtgekomen.

De Internationale Federatie voor Journalisten wijst al een aantal jaren op het gevaar van de commercialisering en de groeiende greep op informatiestromen door grote economische groepen. Volgens de Federatie domineren minder dan tien mediaconglomeraten het mondiale mediasysteem, met nog eens een 50-tal bedrijven die regionale en nichemarkten bezetten. En daar valt weinig goeds van te verwachten. Principes als publieke dienstverlening en diversiteit en pluralisme moeten geleidelijk aan het onderspit delven voor marktimperatieven. We krijgen meer en meer indicaties dat de economische wetten zoals die in het actuele wereldmediasysteem heersen, nog moeilijk te rijmen vallen met sociale en democratische waarden die de journalistiek zouden moeten kenmerken.

Media vormen geen gewone economische sector, maar spelen een belangrijke maatschappelijke en culturele rol. De mediacommercialisering roept dan ook een belangrijke vraag op: kunnen we in die context nog spreken van media als vierde macht, als waakhonden van ons democratisch bestel? Het antwoord is niet eenduidig. Veel redacties nemen de journalistieke deontologie met principes als vrije, objectieve, evenwichtige en waarheidsgetrouwe verslaggeving heel ernstig. Het feit dat journalistenvakbonden vandaag aan de alarmbel trekken, bewijst dat. Maar de machtsverhoudingen zijn niet in evenwicht. Redacties zijn dan misschien wel de geestelijke eigenaar van de informatie in diverse mediaorganen, maar dat stelt hen niet vrij van de druk die media-eigenaars en adverteerders uitoefenen op hun journalistiek werk.

Hoewel de Amerikaanse nieuwszender Fow News uitpakt met het pretentieuze label ‘Fair and Balanced’, schrikt eigenaar en conservatieve mediamagnaat Rupert Murdoch, er niet voor terug om zijn zowat 175 TV- en krantenredacties geregeld met directieven over de actualiteit te bestoken. Murdoch, Clear Channel, Berlusconi, allemaal waren ze uitgesproken voorstanders van de oorlog tegen Irak en dat waren ‘toevallig’ ook de posities die hun redacties innamen. Het gaat wellicht om eerder extreme voorbeelden, maar dat neemt niet weg dat ze goed de problematiek waarin ‘onze’ media zijn terechtgekomen illustreren.

Het medialandschap in Vlaanderen behoort tot een van de meeste geconcentreerde in Europa. Onze vierde macht is in handen van een vijftal persgroepen en aan de andere kant van de taalgrens is de situatie niet anders. De Persgroep (uitgever van o.a. De Morgen en Het Laatste Nieuws) en Corelio (uitgever van o.a. De Standaard, het Nieuwsblad en Het Volk) hebben samen driekwart van de Vlaamse dagbladmarkt in handen. Als media een belangrijke democratische rol hebben te vervullen is dat een weinig gezonde situatie. Het is iets waar we ons in dit land eigenlijk meer zorgen over zouden mogen maken. Terwijl er al eens discussie wordt gevoerd over wat er op of in deze ‘vensters op de wereld’ verschijnt is er amper debat over wie deze vensters gebouwd heeft, wat hun waarden en normen zijn en vooral hun belangen. Zoals de wereld gedomineerd wordt door grote multinationals, zo is ook het mediasysteem dat geacht wordt onafhankelijk over deze wereld te berichten in handen van diezelfde multinationals. En in die wereld neemt de economische concentratie angstwekkende vormen aan. De digitalisering en dure technologische ontwikkelingen bevorderen de samenwerking of concentratie tussen grote mediabedrijven. En de kapitalistische logica bepaalt dat de openbare omroep ‘eerlijk’ moet concurreren met commerciële omroepen. De politieke wereld ziet er blijkbaar niet echt graten in dat onze media geregeerd worden door marktwetten en grote kapitaalkrachtige groepen die vooral geïnteresseerd zijn in het economisch, maar ook wel politiek redenement. Dat brengt ons tot absurde situaties. Wapenconstructeurs zoals Dassault (Le Figaro), Lagardère (o.a. 260 titels in de printmedia zoals Paris Match, Elle,…) of General Electric (NBC, CNBC, Universal Studios,…) zijn verantwoordelijk voor de berichtgeving over oorlog en vrede in de wereld.

Uit verschillende hoek, binnen en buiten de mediawereld, groeit het aantal initiatieven dat paal en perk wil stellen aan de kapitalistische medialogica. Met hun acties vragen de Europese journalisten een politiek antwoord op het winstbejag, de mediaconcentratie en het misbruik van regionale monopolies, die de kwaliteit en onafhankelijkheid van de journalistiek aantasten. Op het internet regent het dan weer initiatieven die een alternatief willen bieden voor het gecommercialiseerde media-aanbod. Milieuorganisaties, syndicalisten, derdewereldbewegingen, andersglobalisten of hoe je ze ook mag noemen, maken allemaal gebruik van het internet om hun ideeën te verspreiden. Weblogs transformeren gewone burgers evenzeer tot informatieverspreiders en ze worden meer en meer gelezen. Het tijdperk van de passieve mediaconsument lijkt voorbij. De burgerjournalistiek beleeft hoogdagen en dat is maar goed ook. Informatie is macht en in een democratisch systeem mogen we die macht niet overlaten aan economische groepen. De filosoof en socioloog Jürgen Habermas stelde dat we pas echt democratie kennen als deze ‘publieke sfeer’ bevrijd wordt van markt- en overheidscontrole.

Vrede vzw heeft gedurende heel haar bestaan – sinds 1949 – voortdurend veel aandacht gehad voor het belang van informatie en informatieverspreiding. Ons tweemaandelijks tijdschrift – dat we naast de vredescahiers uitgeven - houdt al 50 jaar stand. Al die tijd is er geprobeerd om het nieuws via een vredesbril te bekijken, achtergrond te bieden bij de actualiteit die je in de gewone media niet altijd vindt. Opeenvolgende redacties van ‘Vrede’ hebben daarbij niet geaarzeld om stelling in te nemen tegen de wapenwedloop, tegen kolonialisme, uitbuiting en onderdrukking, kortom tegen oorlogspolitiek. ‘Ontwapenen om te ontwikkelen’ is tot vandaag als het ware ons journalistiek uitgangspunt, eerder dan steriele neutraliteit.

Die vijftigste verjaardag vormt dan ook de aanleiding om een blik te werpen op de situatie waarin de media zich vandaag bevinden. Eerder publiceerden we al in de reeks Vredescahiers een lijvig nummer met de titel ‘De media en de golfoorlog. Journalistiek in tijd van oorlog en manipulatie’ (182 blz). Verschillende bijdragen daarin wezen op de systematische overheidsgreep op informatie in oorlogssituaties, maar ook hoe journalisten zich met gemak lieten meevoeren in een patriottische koers. Keer op keer blijkt toch wel dat niet weinig journalisten zich in crisissituaties gewillig blootstellen aan controle, censuur of manipulatie. In dit vredescahier willen we het vooral hebben over de economische dimensie van het mediaverhaal en de politieke gevolgen.

We starten met een korte algemene beschouwing over de relatie media en democratie. Media spelen een rol in de organisatie van de publieke sfeer. D.w.z. dat in een ideale situatie communicatiestromen ongedwongen moeten kunnen circuleren los van overheids- en marktcontrole om de goede democratische werking van het maatschappelijk bestel te garanderen. Hoewel de democratische rol van media algemeen erkend wordt, loopt het in de praktijk vaak mis omdat de kapitalistische ordening waarin de media moeten opereren als een soort van natuurlijke omgeving wordt gezien. Het gaat daarbij niet alleen over democratie door de media, maar ook over de democratisering van de media zelf.

De kapitalistische dominantie op communicatiestromen is een internationaal gegeven. Het debat over de complexe interacties tussen de groeiende globalisering enerzijds en processen van democratisering anderzijds startte in een periode waarin tal van landen zich ontworstelden aan het koloniale juk. In die nieuwe staten leefde de hoop dat de internationalisering van informatiestromen de strakke overheidscontrole van autoritaire of dictatoriale regimes zou ondergraven en dat er bruggen tussen mensen konden worden gebouwd door het openstellen van informatiekanalen voor zaken als interculturele dialoog. Hoewel die hoop blijft is toch vooral de keerzijde van de internationalisering komen bovendrijven. De gekende mondiale politieke en economische onevenwichten manifesteren zich ook op cultureel en mediavlak. In de schoot van UNESCO ontstond er een fel debat met als inzet een nieuwe internationale informatie- en communicatieorde (NIICO). In het tweede hoofdstuk kunnen we zien dat de NIICO uiteindelijk een doodgeboren mus is gebleven.

In de jaren tachtig won het neoliberalisme aan invloed en ontwikkelde het zich als heersende model voor de organisatie van de (wereld)economie. In het derde hoofdstuk bespreken we hoe ook media in dat neoliberaal stramien terecht zijn gekomen. Belangrijke principes zoals dienstverlening, de democratische rol van onafhankelijke media of de ideeën zoals die in het kader van de NIICO zijn ontwikkeld, moesten daarvoor geleidelijk aan wijken. Tot dan kenden we een situatie waarin nationale mediasystemen vooral teerden op binnenlandse spelers. Op korte tijd is daar verandering in gekomen. Mediabedrijven moesten zich voortaan schikken naar de wetten van een mondiale commerciële mediamarkt waarin een slinkend aantal grote conglomeraten hun activiteiten ontplooiden.

Hoe is het zover kunnen komen? De klassieke uitleg is dat dit te wijten is aan de razendsnelle technologische ontwikkelingen. Dit is echter een gedeeltelijke verklaring. Minstens zo belangrijk zijn politieke beslissingen die onder meer zorgden voor de geleidelijke afschaffing van handelsbarrières, de versoepeling van regels op media-eigendom en het commercialiseren van het omroepenlandschap. Op korte tijd zijn media van productie tot distributie in handen gekomen van enkele grote internationale mediabedrijven. Verschillende factoren hebben dit in de hand gewerkt: deregulering, handelsliberalisering, winstmaximalisatie, hoge investeringskosten en convergentie. In hoofdstuk vier zullen we zien dat dit de mediakaart grondig heeft hertekend. Het gaat om een dubbel spel waarbij mediabedrijven de ene keer wederzijdse concurrenten zijn, maar elders elkaar ontmoeten als bondgenoten met gemeenschappelijke belangen.

De verticale en horizontale concentratie van mediabedrijven heeft gevolgen voor het publiek als consument, die vergelijkbaar zijn met andere economische sectoren. Maar bij de media is er ook een andere dimensie aan verbonden. Door zijn aard zijn er ook maatschappelijke consequenties aan verbonden die te maken hebben met de vermindering van de diversiteit en het pluralisme. Hier gaat het om het publiek als burger. Zoals we zullen zien (hoofdstuk 5) controleren adverteerders mee de inhoud van mediaboodschappen. Een ander aspect is dat de eigenaars zelf, die doorgaans een conservatief politiek profiel hebben, rechtstreeks durven ingrijpen in het redactionele werk. In veel gevallen onderhouden mediabaronnen bovendien goede relaties met de politieke macht.

Het mediabedrijf is dus geen economische sector zoals een ander. Dat maakt dan ook dat er tal van discussies lopen over de nood aan alternatieve mediamodellen die wel rekening houden met democratische, sociale en culturele waarden (hoofdstuk zes). Een deel van het antwoord situeert zich op vlak van regulering van de sector in zijn geheel met niet alleen voldoende speelruimte voor een openbare omroep, maar ook duidelijkere spelregels die er voor moeten zorgen dat media niet nog meer naar de ‘Far West’ verhuizen. Een andere hefboom bestaat uit de uitbouw van niet op winst georiënteerde (burger)media.

We eindigen dit cahier met een aantal kritische reflecties over media, alternatieve media en hun maatschappelijke rol door mensen die op uiteenlopende manier betrokken zijn bij initiatieven die elk een bijdrage willen zijn in het doorbreken van het marktmodel dat de media zo in zijn ban heeft.

Ludo De Brabander

Ludo De Brabander. Media in gevaar. De neoliberale globalisering van onze informatiestromen. Vredescahier 3/2007. 118 blz. (met bijdragen van Ludo De Brabander, Nico Carpentier, Ico Maly, Christophe Callewaert en Jan-Pieter Everaerts). Te bestellen door overschrijven van 11,50 Euro (= inclusief portkosten) op prk 000 0956015 90 met vermelding 'vredescahier 3/2007'.

Vrede DOOR:

Deel dit artikel