Mijnbouw in Peru: Middenveld doelwit van regering en bedrijfswereld

Protest in Cajamarca tegen de Congamijn

De enorme expansie van de mijnbouwsector in Peru maakt dat  oude en nieuwe sociale conflicten de kop opsteken. Voor buitenlandse investeringen moeten alle obstakels wijken. Protest tegen de nefaste gevolgen van grootschalige projecten wordt afgeschilderd als een politiek steekspel van enkele ‘eco-radicalen’ die de vooruitgang van het land willen afremmen.

Het Peruaanse economische model is gestoeld op buitenlandse investeringen, met name in de 'extractieve industrie'. Alles wat deze investeringen kan bedreigen, zoals kritische stemmen vanuit de lokale bevolking, is een doelwit van de regering en de bedrijven.

Waar sociale organisaties hun rol opnemen in het verdedigen van lokale en vaak kwetsbare groepen, krijgen ze vaak de schuld van de conflicten in de schoenen geschoven.

In plaats van de dialoog aan te gaan, wijzen de centrale overheid en de bedrijfswereld al te makkelijk naar regionale en nationale organisaties die met financiële hulp uit de Europese ontwikkelingssamenwerking lokale gemeenschappen en hun leiders zouden aanzetten tot (gewelddadig) verzet.

"Het middenveld heeft het gedaan"

Voor het verkondigen van de valse boodschap -‘het middenveld heeft het gedaan’- wordt handig gebruik gemaakt van de gedrukte media, radiostations en televisiekanalen die gewillig elke kritische analyse achterwege laten.

In 2012 ontspon zich een mediaoorlog tegen sociale organisaties, en internationale Ngo’s en solidariteitsbewegingen omdat ze de bevolking in het noordelijke departement Cajamarca die zich massaal tegen het mega-mijnbouwproject ‘Conga’ uitsprak ondersteunden.

Het Conga-project is een uitbreiding van de goudmijn Yanacocha, de grootste van Latijns-Amerika en met een lange geschiedenis van milieuvervuiling en mensenrechtenschendingen.

Repressie en criminalisering

Het antwoord van de regering was eenvoudig: repressie en criminalisering. Het resultaat: gewonden, trauma’s en vijf burgerdoden. In de media werd de harde aanpak verdedigd door door het protest te omschrijven als eco-terrorisme, gefinancierd door radicale Europese organisaties.

Dit scenario herhaalt zich momenteel in het Zuiden van het land. In Valle del Tambo, in het departement Arequipa, wil Southern Copper met Mexicaans kapitaal het grootschalig mijnproject Tía Maria opstarten.

De grotendeels agrarische bevolking ziet echter haar toegang tot water bedreigd. Net zoals in Cajamarca vragen ze overheden om in landbouw in plaats van in extractivisme te investeren.

Ondertussen wordt er al 29 dagen gestaakt, zonder enige constructieve respons vanwege de overheid of het bedrijf. Een tweede Conga lijkt in de maak.

Het politiegeweld tegen de betogers, de onvoorwaardelijke steun van de regering voor de bedrijfswereld en de criminalisering en zelfs opsluiting van sociale leiders,  hebben alle vertrouwen in de overheid bij de lokale bevolking onderuit gehaald.

De NGO’s van hun kant zonden vorige week een commissie (CNDDHH, Cooperacción en Red Muqui) naar de regio om te luisteren naar de noden en bekommernissen van de lokale bevolking.

Tegelijkertijd klonk vanuit de bedrijfswereld dat “de mensen die actie ondernemen in Tía María dezelfde zijn als in Cajamarca. Dit is een beweging tegen het land.”

Ieder verzet tegen dergelijke grootschalige projecten wordt afgeschilderd als een politiek steekspel van enkele ‘eco-radicalen’ die de vooruitgang van het land willen afremmen.

Dit discours werd vlot opgepikt door de nieuwe eerste minister Cateriano, die het heeft over “politieke manipulatie door Ngo’s”, die ondanks hun caritatieve doelstelling, “hun financiering gebruiken om investeringen te blokkeren.”

Bepaalde journalisten hebben het zelfs over een  ‘axis of evil’ en verwijzen daarbij zelfs naar gerespecteerde internationale organisaties zoals Misereor. Het verwijzen naar politieke motieven, zeker in dit pre-electorale klimaat (in 2016 zijn er presidentiële verkiezingen in Peru), is nooit veraf.

Ook in Cajamarca blijven dezelfde complottheorieën goed verkopen in bepaalde kranten. Recent werd geïnsinueerd dat Peruviaans bezoek in België in het kader van de academische week, georganiseerd door CATAPA in samenwerking met verschillende onderwijs- en sociale instellingen, in werkelijkheid een politieke campagne zou zijn in functie van “militant ecologisch radicalisme”.

Het Peruaanse middenveld, dat zich moeizaam maar met veel ijver opnieuw wist te organiseren na de destructieve impact van het Fujimori regime, krijgt het nog steeds heel hard te verduren. In een nationale context waarin conflictpreventie en –bemiddeling meer dan nodig is, speelt internationale solidariteit met het lokale middenveld een belangrijke rol.

Deel dit artikel