Multinationals winnen, Irakezen betalen het gelag

Vijf jaar geleden startten de Verenigde Staten met een schare van bondgenoten een nieuwe oorlog tegen Irak. Het officiële voorwendsel was dat het regime een programma had lopen voor de aanmaak van massavernietigingswapens. We weten inmiddels beter.


De voormalige voorzitter van de Amerikaanse Federal reserve, Alan Greenspan, bevestigde evenwel de stelling van de vredesbeweging, dat de ware reden voor de oorlog tegen Irak petroleum was. Saddam Hoessein vormde een bedreiging voor onze noodzakelijke bevoorrading van petroleum, aldus Greenspan. We zien nu een nieuwe editie van dit verhaal rond een andere belangrijke petroleumproducent, namelijk Iran. De militaire plannen liggen klaar. De VS staan daarvoor in rechtstreekse verbinding met – hoe cynisch - de echte enige atoomwapenmacht van de regio, Israël.

Het is de logica zelf dat de enorme belangstelling van de VS en Europa voor het Midden-Oosten rechtstreeks verband houdt met het feit dat de regio goed is voor bijna een kwart van de mondiale oliebevoorrading. De westerse strategie bestaat er al jaren uit om zoveel mogelijk controle te verwerven over ontginning en distributie ervan met liefst alle voordelen verbonden aan de prijszetting (lage consumptieprijzen en voldoende hoge winsten voor oliemultinationals). Daarvoor zijn niet alleen regimes nodig die zich voldoende pro-westers opstellen, maar is er ook nood aan stevig militair apparaat dat indien nodig de beoogde controle via militaire weg kan afdwingen. Het is een brute, maar simpele logica, die we kunnen aflezen uit de (neo)koloniale geschiedenis van de afgelopen 20e eeuw, die zich voortdurend lijkt te herhalen.

Op dit ogenblik horen we vaak dat de Amerikanen weliswaar een dictatoriaal regime uit het zadel hebben gelicht, maar dat er geen plan bestond over wat er nadien moet gebeuren. Meer zelfs: de hele operatie is mislukt. Het klopt dat de VS wellicht niet gerekend hadden op een dermate hevig militair verzet en misschien ook het sectaire geweld wat hebben onderschat. Maar voor het overige is het antwoord minder eenduidig, afhankelijk vanuit welk perspectief je naar de gebeurtenissen kijkt. Onder leiding van Paul Bremer III, die Irak bestuurde tot de zomer van 2004, werd meteen werk gemaakt van de privatisering van de Iraakse economie. Daarnaast profiteren tot vandaag grote Amerikaanse en Britse infrastructuur- en veiligheidsbedrijven van lucratieve contracten en kan ook de defensie-industrie meer dan behoorlijke winstcijfers voorleggen. De belangrijkste verwezenlijking is het ontwerp van nieuwe oliewet, dat nu klaarligt om goedgekeurd te worden en waaraan zowel Britse en Amerikaanse regeringsfunctionarissen als vertegenwoordigers van oliemultinationals hebben meegeschreven. Het wetsontwerp, dat op het internet is terug te vinden, leidt tot een defacto grootschalige privatisering van de olie-ontginning. Volgens de Iraakse vakbonden zou de goedkeuring van de wet er toe leiden dat nieuwe olievelden gedurende 25 jaar onder het gezag vallen van buitenlandse bedrijven. Petroleum vormt veruit het belangrijkste exportproduct. Bijgevolg vrezen de vakbonden dat Irak zijn economische soevereiniteit zal verliezen met nefaste gevolgen voor de arbeiders. Geostrategisch komt daar nog bij dat Irak nu in het pro-westerse kamp vertoeft en dus ook geen bedreiging meer vormt voor VS-bondgenoot Israël. En last but not least, beschikken de VS over een netwerk van quasi permanente militaire basissen die als uitvalsbasis kunnen dienen voor andere geostrategische belangen in de regio.

Dat belangen een belangrijke drijfveer vormen van het Witte Huis en vooral de omgeving ervan in het handhaven van de militaire bezetting van Irak, wordt algemeen ook erkend. Desondanks vinden velen, zelfs in het vredeskamp, dat de zogenaamde coalitietroepen best nog een tijdlang in Irak blijven en dit om erger – een burgeroorlog – te vermijden. Het is een veelgehoord, maar daarom niet minder absurd argument. Niet alleen omdat we aan de daders en verwekkers van de catastrofe in Irak vragen om terug orde te scheppen in de bloed doordrenkte chaos, maar ook omdat we, democraat als we zijn, geen enkele rekening houden met wat de Irakezen zelf daarover denken. Uit opeenvolgende westerse en Arabische opiniepeilingen blijkt steevast dat de overgrote meerderheid van de Irakezen de bezettingstroepen wegwil en, meer nog, ze bovendien zien als het grootste probleem voor hun veiligheid. Veel veiligheidsstructuren die mee door de bezettingsmacht zijn opgericht of gesteund, zoals de diverse huurlingenlegers (‘veiligheidsdiensten’), de milities verbonden aan de regeringspartijen, en de Speciale Politie Commando’s van het ministerie van Binnenlandse Zaken, genoemd als de plaats van waaruit de beruchte doodseskaders opereren, zijn verantwoordelijk voor een belangrijk deel van het geweld. Het Baker-Hamilton rapport van eind 2006 stelde dat 75 procent van de aanslagen gericht was tegen de ‘coalitie’troepen, wat niet wegneemt dat het grootst aantal slachtoffers valt onder de burgerbevolking met cijfers die variëren tussen 100.000 en 1 miljoen doden. Exact weten we het niet, want de VS weigeren ze immers te tellen.

In elk geval is de oorlog voor de Iraakse bevolking op een complete ramp uitgelopen. Water en elektriciteitsbevoorrading zijn veruit ondermaats, hele steden zijn vernietigd, bijna de helft van de bevolking leeft onder de armoedegrens, 70 procent van de kinderen lijdt aan stressgerelateerde trauma, vier miljoen externe en interne vluchtelingen, etc… Het ergerlijkst is het prijskaartje dat aan de oorlog kleeft. Nobelprijswinnaar economie, Joseph Stiglitz, becijferde onlangs dat de oorlogen in Irak en Afghanistan 3,5 miljard dollar per week kosten. Dat is meer dan het dubbel van het jaarbudget Belgische ontwikkelingssamenwerking. En dat terwijl we weten dat er een einde komen aan het geweld als aan de - bij ons verzwegen - eisen van de meeste verzetsorganisaties wordt tegemoet gekomen als voorwaarde voor onderhandelingen, namelijk een Amerikaanse verklaring voor onvoorwaardelijke terugtrekking, compensaties voor geleden schade en afschaffen van besluiten en wetten genomen onder bezetting. Maar dat is wellicht te hoog gegrepen. De Irakezen betalen het gelag.

Ludo De Brabander

Het anti-oorlogsplatform roept op om op 16 maart deel te nemen aan de internationale anti-oorlogsdag met een vredesmars van Leuven naar Brussel en vredesmeeting in het Brusselse Jubelpark (www.geenoorlog.be)

Vrede DOOR:

Deel dit artikel