Nieuwe uitdagingen voor ngo’s

Het debat rond de Belgische ontwikkelingssamenwerking is de afgelopen weken volop gevoed. Een goede zaak, op voorwaarde dat de juiste vragen op tafel liggen. Centrale vraag in het debat is of de ontwikkelingshulp – via belastingsgeld en door de ngo’s ingezameld bij het publiek – wel efficiënt besteed wordt in het Zuiden. In een mager onderbouwd pamflet dat onlangs verscheen, wordt beweerd dat van de 100 euro die je aan een ngo geeft, slechts een fractie rechtstreeks bij de doelgroep terecht komt. De auteur verwijt ons te veel uitgaven in het Noorden, Nadia Molenaers van de Universiteit Antwerpen te weinig. Zij argumenteert in DS van 19/12 dat we er via de klassieke projectbenadering – de waterputten en schooltjes – niet zullen geraken, en dat ngo’s zich beter meer bezighouden met lobbying en bewustmakingscampagnes in het Noorden.


Beleidswerk

Dit is ook waar we – naast onze concrete werking in het Zuiden -  willen voor gaan, al is het geen gemakkelijke opdracht. Al menig politicus heeft toegegeven dat, al wilt hij of zij zich graag met ontwikkelingssamenwerking bezighouden, er geen stemmen mee te rapen vallen. Terwijl ze er net fier op zouden moeten kunnen zijn dat ze dit doen. Op Europees niveau gehoord worden, is zoniet nog moeilijker, wetende dat 95 procent van de in Brussel actieve lobbyisten betaald worden om bedrijfsbelangen te dienen, tegenover 5 procent lobbyisten die de maatschappelijke of ecologische belangen verdedigen. Toch gaan we ervoor, omdat we geloven dat dit belangrijk is.

Om enkele lopende voorbeelden van lobbywerk te noemen: In Congo lobbyen medewerkers en partnerorganisaties bij het Wereldvoedselprogramma (de VN-organisatie die voedselhulp biedt bij crisis), opdat ze hun voedsel bij de lokale boeren zouden aankopen in plaats van landbouwoverschotten uit het westen als voedselhulp te gebruiken, zodat de lokale economie gestimuleerd wordt. In Uganda belobbyen de partnerorganisaties die we steunen hun parlementsleden en regering voor een beter landbouwbeleid waarbij de kleine boeren niet uit de boot vallen. In eigen land spreken we met parlementsleden, ambtenaren en kabinetsmedewerkers over de gevolgen die de Economische Partnerschapsakkoorden zullen meebrengen voor arme boeren op het Afrikaanse platteland. We werken samen met een Belgische supermarkt om een duurzame rijstketen in Benin op te starten en lessen te trekken rond Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. We organiseren ronde tafels in het federale parlement waarin we met de verschillende stakeholders van de Belgische ontwikkelingssamenwerking (de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking, de Belgisch Technische Coöperatie, parlementsleden,…) samen zitten om landbouw- en plattelandsontwikkeling hoger op de agenda te zetten, de neuzen in dezelfde richting te krijgen en coherenter samen te werken. We zitten samen met de Europese Directie-Generaal Ontwikkeling rond hun strategie voor steun aan de Afrikaanse landbouw. Dit doen we natuurlijk samen met andere ngo’s in het kader van onze gezamenlijke millenniumdoelstellingencampagne ‘2015 – De Tijd Loopt’ die dit jaar over voedselzekerheid en duurzame landbouw gaat.

Samenwerking

Als Vlaamse ngo’s zijn we kleine spelers en kunnen we onmogelijk de wereldproblemen op onze schouders nemen en machtige spelers beïnvloeden. De uitdaging bestaat er in om uit de klassieke ngo-modellen te breken en samenwerkingsverbanden aan te gaan. Met andere ngo’s, in België en in het buitenland. Want vanuit een klein land als België kan je slechts een heel beperkte invloed uitoefenen op de internationale beleidsprocessen (binnen de EU, WTO, Wereldbank,…), maar als ngo’s in andere landen aan hetzelfde zeel trekken, bereik je al meer. Maar ook samenwerking met overheden, het bedrijfsleven, de Boerenbond, consumentenorganisaties is nodig, om antwoorden te kunnen bieden op de complexiteit en problemen van de geglobaliseerde wereld. Het is ook hier dat we ons als ngo’s duidelijk kunnen onderscheiden van de zogenaamde ‘vierde pijler’ initiatieven, privé-ontwikkelingsinitiatieven van particulieren, bedrijven en organisaties die vaak wel heel tastbaar en ‘directer’ zijn in hun resultaten – de bouw van een ziekenhuis, hulp aan een weeshuis,… -, maar niet gericht zijn op structurele of economische ontwikkeling op lange termijn.

Communicatie

Ngo’s worden vandaag uitgedaagd om duidelijker te communiceren waar ze voor staan. Terecht, al staan we hiermee ook voor een moeilijk dilemma. In fondsenwervingscampagnes spelen ngo’s in op de geefreflexen van potentiële donateurs door concrete ‘projecten’ op het terrein naar voor te schuiven. De complexiteit van het ontwikkelingsvraagstuk leent zich niet tot een marketingverhaal dat per definitie helder en duidelijk moet zijn.

Ook de media in het algemeen vinden weinig actuele nieuwswaarde in ontwikkelingsprocessen die zich op lange termijn afspelen. Oorlogen en natuurrampen, gevolgd door grootschalige noodhulpacties, halen daarentegen wel de krantenkoppen. Gevolg is dat in de algemene perceptie ontwikkelingssamenwerking nog steeds vooral voor caritas en noodhulp staat. Dit betekent dat zelfs indien we 100 procent transparant en efficiënt zijn, publiek en media ons blijven afrekenen op de verkeerde doelstellingen, namelijk hoeveel cash geld er van onze giften terecht komt bij de arme mensen in het Zuiden. Dit is een reden te meer om het debat over de ‘moderne’ ontwikkelingssamenwerking nog prominenter te voeren en op de agenda’s te plaatsen van politieke en economische actoren, de publieke opinie niet te vergeten.

Saartje Boutsen, beleidsmedewerker Vredeseilanden
Jan Aertsen, directeur Vredeseilanden

Deel dit artikel