OESO neemt 5 jaar Belgische ontwikkelingssamenwerking onder de loep

Vandaag stelt de OESO een interessant document voor: de peer review, een evaluatie van vijf jaar Belgische ontwikkelingssamenwerking. De evaluatie – die wordt gedaan door de leden van het Development Assistance Committee (DAC) van de OESO – is een 5 jaarlijkse analyse die elk lid ondergaat.
Bedoeling is donoren meer inzicht te geven in elkaars aanpak en daaruit te leren. We pikken er enkele cruciale elementen uit.

Ondanks de wat ongelukkige timing (zie kader) van de evaluatie legt de peer review (PR) een aantal krachtlijnen en pijnpunten van het Belgische ontwikkelingsbeleid bloot.

België krijgt onder andere goede punten voor haar focus op minst ontwikkelde landen en fragiele staten en het opzetten van een institutioneel kader voor beleidscoherentie voor ontwikkeling.

De analyse  is ook positief over de vele strategienota’s, zoals deze voor de aanpak van fragiele staten en over enkele organisatorische hervormingen.

Maar er zijn ook pijnpunten: gebrek aan middelen, de implicaties voor het personeelsbeheer en het feit dat de armoede focus dreigt ondergesneeuwd te worden onder een veelheid van prioriteiten.

België krijgt in de PR ook slechte punten voor het gebrek aan een beleid om het partnerschap met de ngo’s aan te sturen.


Strategische keuze: focus op de minst ontwikkelde landen

De PR hecht veel belang aan de investering in ontwikkelingssamenwerking in fragiele staten en minst ontwikkelde landen (MOL) en looft België hiervoor.

Die focus heeft echter ook gevolgen, zegt de OESO. Wie in een fragiele staat wil werken moet rekening houden met verschillende aspecten.

Zo pleit de PR voor een beter gedecentraliseerde Belgische ontwikkelingssamenwerking. Daardoor kan efficiënter ingezet worden op politieke dialoog en betere lokale analyses, kunnen risico’s beter worden ingeschat  en kan er flexibeler gewerkt worden.

Ook concludeert de PR dat  België nog stappen vooruit moet zetten op vlak van een whole-of-government aanpak. Dat is een aanpak waarbij verschillende departementen betrokken worden zoals veiligheid, buitenlandse zaken maar ook die instaan voor economische zaken, samen met het departement ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp in fragiele omstandigheden. Er zijn wel inspanningen, maar een strategische regionale aanpak, zoals bv in de regio van de grote meren, ontbreekt.

Huidig minister van Ontwikkelingssamenwerking Alexander De Croo is een groot voorstander van de focus op fragiele staten en Minst Ontwikkelde Landen. De minister verminderde hiervoor het aantal partnerlanden van 18 naar 14, waarvan 12 landen behoren tot de categorie van de minst ontwikkelde landen. Bedoeling is versnippering tegen te gaan en zo de efficiëntie en effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking te verhogen. Ook klassieke donoren, met het ontwikkelingscomité van de OESO op kop, gaan uit van de vooronderstelling dat hoe meer de versnippering van middelen wordt tegengegaan, hoe groter de impact. Voor 11.11.11 is het wel belangrijk steeds te kijken hoe aan ontwikkelingssamenwerking moet worden gedaan in een bepaalde context. Er is weinig wetenschappelijk beleid dat concentreren leidt tot meer impact.

De OESO wijst België er op dat ze de relatie met haar ex-partnerlanden niet mag laten uitdoven, zoals België zelf ook aanhaalt in haar ‘Strategie met middeninkomenslanden’ .

 

Ongelukkige timing

De afgelopen 5 jaar moest ontwikkelingssamenwerking het hoofd boven water houden in een erg woelige Belgische context.

Eerst en vooral zat België 541 dagen zonder regering. Van zodra er een regering was, was de administratie voor ontwikkelingssamenwerking één grote werf.  Op de koop toe werd na amper één jaar een wissel aangekondigd van de minister voor ontwikkelingssamenwerking. Tot slot was er eind vorig jaar een regeringswissel.

Ook al bleven de prioriteiten hetzelfde, toch zorgden de teamwissels voor vertragingen. En dreigt net als bij de vorige peer review dat geen onderscheid gemaakt wordt tussen intenties, beleid en praktijk.

 

Het beleid: echte coherentie en samenwerking nodig

Ontwikkelingssamenwerking is niets als de inspanningen door een ander Belgisch beleid doorkruist worden. Zo kan je wel investeren in een Filipijns coördinatiesysteem in geval van tornado’s maar ondergraaf je dat werk als je tegelijk een slecht Belgisch klimaatbeleid voert. Daarom hecht de OESO deze keer erg veel belang aan coherentie tussen de verschillende beleidsdomeinen.

De PR looft België terecht voor de wettelijke verankering en het opzetten van een institutioneel instrumentarium, maar geeft de aanbeveling om het nieuwe kader pragmatisch te gaan gebruiken en het concreet te maken via een actieplan op een beperkt aantal strategische beleidsdomeinen.

Volgens de PR ligt dé uitdaging bij het winnen van politieke steun –én dit van alle regeringsniveaus -  voor deze mechanismen. Alleen op die manier kunnen  ze effectief worden ingezet en resultaat opleveren.  

De OESO klaagt ook het ontbreken van een duidelijk partnerschapsbeleid ten aanzien van de civiele maatschappij aan.

Het initiatief van minister De Croo om de subsidiemodaliteiten van de civiele maatschappij te hervormen met het oog op het versterken van complementariteit en synergie is volgens de PR een opportuniteit om de zichtbaarheid van de Belgische ontwikkelingssamenwerking te verhogen. Daartoe hebben Minister De Croo en de actoren niet-gouvernementele samenwerking einde augustus een raamakkoord afgesloten.

De grootste lacune in deze hervorming, zo stelt de PR, is dat ze niet gedreven wordt door een partnerschapsbeleid over de doelstellingen, de kracht en de meerwaarde van de civiele maatschappij.  

 

Het beleid: centen, administratie en efficiëntie

De OESO is duidelijk: België moet eindelijk werk maken van het internationale engagement om 0,7% van de welvaart te voorzien voor internationale solidariteit en moet een helder en gradueel tijdspad opzetten. België geeft momenteel slechts 0,46% van haar BNP aan ontwikkelingshulp en de toekomst brengt weinig verandering.

Ook de komende vijf jaar zal er op het budget bespaard worden, voor in totaal 1 miljard euro. Daardoor zal België op het einde van deze legislatuur (2019) nog slechts 0.38% van haar welvaart aan ontwikkelingssamenwerking geven .

De OESO ziet bovendien een onwelkome spreidstand tussen ambitie (de keuze om meer in te zetten op minst ontwikkelde landen en fragiele staten) en investering.  België mag dan wel in 2013 0,16% van de hulp voor minst-ontwikkelde landen voorzien - en zo de VN doelstelling van 0,15% halen - het is ver verwijderd van de zelf opgelegde doelstelling van 0,25%.

OESO DAC haalt terecht aan dat het een moeilijk opdracht wordt voor België om dit politieke engagement voor de minst ontwikkelde landen financieel te vertalen.

Naast de financiële besteding dringt de OESO er op aan ondanks de budgettaire beperkingen  om voldoende expertise te behouden binnen de administratie maar ook op het terrein. Enkel al om een verdere integratie van ontwikkelingsdoelstelling te voorzien in het extern beleid van België, zullen extra trainingen, vormingen en middelen nodig zijn.

Tenslotte is er nog de efficiëntie. De PR wijst op de nood aan flexibeler en sneller programmeren, zodat landenenveloppes en uitvoeringsinstrumenten kunnen worden aangepast aan de context, in het bijzonder in complexe situaties zoals bij fragiele staten.

De OESO erkent de vele hervormingen die recent doorgevoerd zijn om flexibeler programmering mogelijk te maken en de controles minder stringent, maar zegt dat het nog te vroeg is om al uitspraken te doen over de snelheid en pertinentie hiervan.

 

Kan beter: Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden en Genderbeleid

De keuze om met ontwikkelingssamenwerking ook in te zetten op de versterking van de lokale private sector maakte België al enige jaren geleden.

Onder de huidige minister kiest België er ook voor de middelen van Belgische ondernemingen en investeerders te mobiliseren voor ontwikkelingsdoelen. Met het oog op de eerste doelstelling – ondersteuning van de lokale private sector – is BIO het voornaamste instrument.

Belangrijk om weten: de investeringsmaatschappij BIO lag enkele jaren geleden stevig onder vuur na diepgaand onderzoek van 11.11.11. Er werd geld gestoken in vervuilende en weinig ontwikkelingsgerelateerde projecten zoals aspergeteelt in Peru, fitnesscentra of Chinese koolcentrales. Projecten in andere woorden die meer op winst dan op ontwikkeling gericht waren.

De OESO waarschuwt er voor om de theoretische ontwikkelingsfocus van het instrument in de praktijk waar te maken. BIO moet werk maken van nieuwe opvolgingsprocedures om die ontwikkelingsfocus te garanderen en de coördinatie tussen de verschillende instrumenten en initiatieven versterken. Op vlak van coördinatie is het een goede zaak dat de administratie werk maakt van een inclusief platform om deze strategie op te volgen.

De PR ziet ook een belangrijke uitdaging op het gebied van het effectief integreren en mainstreamen van genderbeleid.

De PR vraagt dat België hiervoor meer leiderschap, capaciteit en tools zou inzetten. Ondanks het bestaan van een goed juridisch kader en een uitgeschreven beleid, blijft gender in het ontwikkelingsbeleid nog te veel dode letter.

 

Aanbevelingen

De peer review geeft een genuanceerd beeld van de Belgische ontwikkelingssamenwerking en ziet duidelijk vooruitgang sinds 2010.

Tegelijk bevat het een duidelijke vingerwijzing aan België (na een hobbelige periode op ontwikkelingssamenwerking) om een aantal zaken aan te pakken die al veel te aanslepen. We denken hier in de eerste plaats aan de stroeve procedures, de nood aan holistische en flexibele aanpak in fragiele staten, de tanende middelen, de impact hiervan op de expertise in ontwikkelingssamenwerking en tenslotte in het partnerschap met ngo’s.

Ook is de strijd nog niet gestreden om ontwikkelingsdoelstellingen tot een evidentie te maken doorheen andere beleidsdomeinen. En er zal nog heel wat politieke wil nodig zijn om een grotere impact op duurzame ontwikkeling te realiseren. Ook een vernieuwd partnerschap met ontwikkelingslanden waar Belgische gouvernementele ontwikkelingssamenwerking niet meer aanwezig is, is nodig.

 

11.11.11 doet 5 aanbevelingen

 

1.    Het concentreren van hulp in broze staten, eisen dat ze democratisch zijn, de mensenrechten en de rechtsstaat respecteren en bovendien meer impact willen realiseren is een uiterst moeilijke opdracht: Cruciaal hiervoor is de erkenning dat risico’s en een politieke analyse een essentieel onderdeel uitmaken van ontwikkelingssamenwerking. Promoot haalbare doelstellingen. Investeer in gevoelige sectoren, door meer specifieke initiatieven te financieren in de prioritaire thema’s mensenrechten en maatschappijopbouw. Promoot risicoanalyse en –beheer, door te focussen op de lange termijn, structurele impact en leerprocessen.

2.    Zorg dat de armoedeaanpak niet verwatert doorheen de verschillende beleidsstrategieën en vertrek hierbij vanuit het besef dat dit niet los staat van globale uitdagingen op vlak van ongelijkheid, fiscaliteit, klimaat en handel. Zet praktische richtlijnen op zodat de strategische keuzes ook bijdragen aan armoedebestrijding en het verminderen van ongelijkheid. Investeer in het monitoren en evalueren van deze armoede-impact.

3.    Tegenover ambitie moeten middelen staan. Minister De Croo is de eerste minister ontwikkelingssamenwerking die de 0,7% expliciet op de lange baan schuift. Ontwikkelingssamenwerking op een nieuwe leest schoeien, verreist voldoende financiële middelen. Niemand kan toveren. Met een steeds kleiner budget en steeds meer uitdagingen springt men niet ver. Wil de minister een verschil maken, dan zal het ook op dit vlak moeten zijn. 

4.    De hele regering is verantwoordelijk voor een coherent beleid voor duurzame ontwikkeling. Mechanismen en wettelijke verplichting voor beleidscoherentie voor ontwikkeling zijn er. De uitdaging ligt nu in het winnen van politieke steun voor deze mechanismen zodat ze ook effectief worden ingezet en resultaat opleveren.

5.    Het raamakkoord tussen de Minister en de niet-gouvernementele samenwerking in overleg uitwerken, inclusief een beleid waarin de doelstellingen en de meerwaarde van het partnerschap met de niet-gouvernementele organisaties geformuleerd zijn.

 

Deel dit artikel