Over kip en cola en andere verhalen

geschreven door: Simon Dehantschutter

Op de website van Broederlijk Delen vind je nog meer verhalen uit het Zuiden.

Versterken van de partnerorganisaties
Vorige maand stond in het teken van rustig beginnen mee te draaien om de boel beetje bij beetje te leren kennen. Ik heb stapels papier doornomen om me een beeld te kunnen vormen van het werk in de veel te grote parochie. Deze maand ben ik naar de mensen gegaan om hen beter te leren kennen. Ik heb veel jongeren ontmoet, ik heb een trip gemaakt in El Pital, één van de vijf zones van de parochie, ik heb weer enkele malen paters geleverd en ik heb een driedaagse opleiding van Broederlijk Delen bijgewoond voor de mensen van de partnerorganisaties. De komende maand zal ik mij vooral toeleggen op het werk met de jongeren. Het zal sowieso nog een beetje uitzoeken worden.

Maar laat ik het over deze maand hebben. Ik neem jullie meer naar Las Varas waar er een korte opleiding van drie dagen plaatsvond over recht en transparantie op niveau van de gemeente. Deze opleiding ging van Broederlijk Delen uit en was bedoeld om de partnerorganisaties te versterken door duidelijk te maken wat ze al dan niet van de gemeentepolitiek mogen verwachten. Het zit zo dat corruptie de grootste boosdoener is van Honduras. Doordat er maar een kleine taart te verdelen valt zijn er een paar gulzigaards die een heel groot stuk nemen en de kruimels overlaten voor al de rest. De rijken in Honduras leven superrijk, de armen superarm. Door de corruptie verdwijnt er heel veel geld daar waar het niet moet verdwijnen waardoor de kloof tussen arm en rijk steeds groter wordt.

De driedaagse inleiding in recht en transparantie had als doel om van iedere partnerorganisatie van Broederlijk Delen in Honduras een paar mensen te vormen. Hierdoor worden gewone mensen die voor een grote groep mensen opkomen kritischer en kunnen de politiekers verplicht worden iets meer doen voor het belang van mensen die het nodig hebben.

Voor mij was het driedaagse op sommige momenten redelijk saai. Van Hondureese politiek heb ik weinig kaas gegeten en nog minder van het Hondureese recht. Komt daarbij dat net als in het Nederlands wetten in het Spaans te veel technische, voor mij onverstaanbare termen bevatten. Veel heb ik persoonlijk niet bijgeleerd tijdens deze vorming. Maar ik denk dat de rest van de deelnemers er heel veel mee is geweest. Voor hen was het allemaal concreter en ze hadden ook de taalbarrière niet. Linubio (mijn huisgenoot) vatte het toen we terug naar huis gingen mooi samen : “Vroeger kende ik geen enkele wet, nu ken ik tenminste enkele dingen waar we recht op hebben.”

Het leven zoals het is... EL PITAL
Matilde, ook coöperante in Honduras, heeft naast een sterke dosis gezelligheid en lekkere recepten voor brood ook altijd een paar goede tips bij. Op de vorming van de partnerorganisaties gaf ze me de tip om eens een tour te doen door de verschillende zones van de parochie om zo de mensen beter te leren kennen en om me zo een beter beeld te kunnen vormen van de situatie waarin de mensen leven. Ik moest haar gelijk geven dat het leven bij de padres wellicht niet hetzelfde was als bij de gewone mensen van de parochie. Het lekkere eten dat wordt klaargemaakt door Hilda, de limonades die in vijf kleuren en smaken lekker fris in de koelkast staan te wachten op een dorstige padre, de jeeps,... Moest iedereen hier zo leven dan was ik hier gewoonweg niet terecht gekomen. Een heel goede tip van Matilde en om de koe bij de horens te vatten stelde ik meteen na het driedaagse padre Marco voor om een tour te doen in één van de zones. Hij was meteen gewonnen voor het idee. Hij weet als geen ander hoe de mensen in de kleine dorpjes leven, voor hij in het seminarie startte leefde hij immers zelf in die armoede.

Op een zekere woensdag vertrok ik samen met de padre naar El Pital, één van de vijf zones van de parochie. Deze zone ligt ver weg en telt een twintigtal dorpjes. Allemaal kleine dorpjes. Deze zone is samen met een andere de armste van de vijf, maar dat komt misschien gewoon omdat ze zo afgelegen is en er geen rijke mensen wonen.

Toen ik de padre vroeg of het niet interessanter zou zijn de mensen waar ik zou verblijven vooraf al te verwittigen zei hij dat hij in het plaatselijk kerkje mijn bezoek aan de zone wel zou aankondigen. Hij was er van overtuigd dat het nieuws zich vanzelf onder de mensen van El Pital zou verspreiden en dat het nergens een probleem zou zijn bed, eten & gezelschap te vinden.

Zo bleek na de zoveelste mis die ik hier al op mijn teller staan heb. Qua grootte stelde het kerkje van El Porvenir niet veel meer voor dan een zwaarlijvig kapelletje. Het was daarom ook niet moeilijk dat het tot buiten vol geduwd met trouwe parochianen zat. Moest beton elastisch zijn geweest was het kerkje zeker dubbel zo groot geweest. Het dorpje El Porvenir stelt net als het kerkje ook niet veel voor maar wanneer een padre hier de viering doet komt het volk van de omliggende dorpjes in grote getale afgezakt voor de mis. Zoals ik in de vorige nieuwsbrief heb gezegd is het hier in de meeste dorpjes slechts één keer in de maand een viering met de padre.

Toen de misviering ten einde liep mocht ik me weer eens voorstellen. Voor de zoveelste keer de grap van het paardenvlees en even wederkerend als de hostie en een Weesgegroet, een loeihard applaus voor mijn komst. Na de mis nam ik afscheid van de padre en ging ik mee met Don José. Samen met Trinidad, een jonge kerel die verantwoordelijk is voor de jongeren van El Pital maakten we een plan op voor om de komende dagen dorpjes te bezoeken. Ik ga niet elke dag beschrijven die ik hier heb meegemaakt, moest ik dat doen zou deze nieuwsbrief veel te lang worden vrees ik. Toch ga proberen te beschrijven wat ik die week tijdens mijn trip door de dorpjes gezien heb. Het heeft een grote indruk op mijn nagelaten. De armoede waarin de mensen leven was vaak schrijnend, maar de enorme gastvrijheid die ze allemaal hebben heeft me op vele momenten kunnen ontroeren. Wat ze konden delen, deelden ze met plezier met mij. Een les in broederlijk delen.

Bokrijk anno 2007
Ik kan me het nog zo voorstellen, die gezellige uitstapjes met het hele gezin naar Bokrijk. ’s Middags lekkere boterhammetjes met eitjes op een vuile picknicktafel, van de teut mogen drinken en de oude boerenhuisjes binnenstappen waarin de mensen vroeger leefden. Het is een eeuwigheid geleden dat ik er nog eens ben geweest maar het kost me geen moeite om die ene dag terug voor de geest te halen wanneer verschillende toneelverenigingen het leven van toen terug tot leven brachten. Daardoor leek het net echt.

Iets soortgelijk heb tijdens mijn reis door El Pital mogen meemaken. Alleen waren de mensen geen figuranten die na vijf uur vrolijk fluitend naar huis reden om in een luie zetel te ontspannen met Flikken of een ander programma die hersenen geen geweld aandoen. De mensen die ik tijdens mijn tour ben tegengekomen leven echt in kleien huisjes, leven echt van de schamele opbrengst die ze met maïs, bonen of koffie binnenhalen, slapen echt met het hele gezin in één kamer, koken nog steeds op een houtvuur. Uiteraard hebben moderne dingen zoals de tv, elektriciteit, koelkasten en gsm’s ook in deze wereld hun intrede gedaan maar zeker niet voor alle mensen. Een ander groot verschil met de Bokrijkwereld –laten we het voor de gemakkelijkheid even zo noemen- is dat de mensen hier goed genoeg weten dat er in een andere wereld bestaat waar mensen wel een auto hebben, wel naar school kunnen, wel vrije tijd hebben, wel op reis kunnen,... Die wereld krijgen ze via de Venezolaanse of Mexicaanse soaps te zien en ligt in het Westen, maar even goed vlakbij in de grotere steden.

Het spreekt voor zich dat iemand van die die andere, rijke wereld serieus zijn ogen opentrekt wanneer hij even mag meeleven in die Bokrijkwereld. Ik besef heel goed dat het voor iemand zoals mij een unieke kans was om mensen die op alle gebieden heel ver van ons wonen beter te leren kennen.
Na mijn jaar in Bolivia en na enkele grote reizen dacht ik dat ik een goed beeld had van armoede maar hier past de metafoor van de ijsberg. Wat je ziet als toerist is maar het topje van de berg. Door echt met de mensen te leven besef je dat armoede veel meer is dan dat wat je op het eerste zicht ziet. Om echt te weten wat armoede is moet je er midden in zitten denk ik, maar dat wens ik niemand toe.

Meestal heb ik hen geholpen in dat wat ze deden maar toch bleef ik een speciale gast. Ik heb gegeten wat de mensen eten, net als hen heb ik alles te voet gedaan, ik heb met heelder gezinnen in één kamer geslapen (wat rond drie uur ’s nachts minder leuk was gezien de zonen de genen hadden van hun snurkende vader...), ik heb mee hout gekapt, ik heb met veel mensen gesproken en ik heb de kleintjes zinnetjes geleerd type “me alle Chinezem mor ni met den deze” en “God zal u lonen met erten en bonen”.

Bijna alle gezinnen die ik bezocht heb wonen in een klein adobehuisje (adobe is een gedroogde kleien steen). Het dak is gemaakt van ijzeren golfplaten en maakt een oorverdovend lawaai wanneer een vette regenwolk beslist even te ontspannen boven het dorpje. De daken sluiten niet helemaal op de muren wat maakt dat wanneer er mist komt opsteken de mist gewoon door de huisjes zweeft.
De betere en grotere huizen die je hier en daar ziet zijn van mensen die hun geluk enkele jaren in de VS hebben gezocht.

Iedere familie heeft een klein veld waar ze bonen, maïs en koffie verbouwen. De gezinstaken zijn heel tradiationeel ingevuld. De man werkt samen met de zonen op het veld, de vrouw houdt zich samen met de dochters bezig in het huishouden. In huis vind je een hele hoop dieren. Kippen, eenden en kalkoenen worden van tijd tot tijd wel eens buitengejaagd met een bezem, maar over het algemeen kan je toch wel stellen dat ze op hun dooie gemak maïskorreltjes in de keuken kunnen pikken. Zolang het twee of vier poten heeft is er niets aan de hand, van zodra je acht pootjes aan éénzelfde diertje telt moet je oppassen. De dag dat ik ’s ochtends mijn ogen opentrok in Buena Vista was het eerste wat ik te zie kreeg een spinnenkop. Niet zomaar een spinnetje, het was er zo een waarmee je in België de gemiddelde vrouw in minder dan een seconde een Louis Treize van drie meter opkrijgt. In de zoo had ik zulke vogelspinnen al gezien, maar hier stond er geen glas tussen ons. Omdat ze zo groot was als een kinderhand, lekker behaard en er vrij gevaarlijk uitzag besloot ik de spin geen ochtelijke knuffel te geven. Nadat ik me rustig had aangekleed ben ik iemand gaan halen met meer kennis terzake en die heeft vakkundig een stokje door de spin geprikt. Dat wisten ze me dan achteraf te zeggen, dat je voor je in die dorpjes gaat slapen je steeds je bed moet nakijken of er niets te veel in ligt, en ’s ochtends je schoenen moet uitkappen. Hoewel ik denk dat er geen enkele spin op deze planeet het in zijn hoofd zal halen om vrijwillig een nacht in een schoen van mij door te brengen zal ik die goede raad toch niet in de wind slaan.

Kip en cola
Hoewel ik er steeds duidelijk op aandrong dat ik niets anders wou eten dan datgene wat zij normaalgezien zouden eten wanneer ik er niet was. Maar ik was nu éénmaal visite en ik kon het hen ook niet kwalijk nemen dat ze iets extra wilden geven om te eten. Bij ons in België zullen wij ook altijd “iets meer” op tafel zetten als er bezoek is. Bijna bij iedere familie werd er de nek van de dikste kip omgewrongen om enkele ogenblikken later voor een uurtje de kookpot in te verdwijnen. Water is blijkbaar uit den boze om te geven aan de gast. Even wederkerend als de kip met omgewrongen kop was de fles cola. Ik had liever niet dat de mensen er hun geld aan gaven maar ja... Voor de klein mannen was het altijd feest want mijn bezoek betekende cola en kip. De kippen en de flessen cola zagen me wellicht minder graag komen.

In deze families eet men altijd frijoles con tortillas. SIEMPRE!! Frijoles zijn rode bonen en de tortillas zijn een soort pannenkoeken van maïsdeeg, niet zoet. Dat eet men ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds. Na een week hier te hebben rondgetrokken kwamen de bonen en tortillas bijna letterlijk mijn oren uit, maar voor de mensen van hier is het dagelijkse kost. Ze zijn er tot mijn grote verbazing echt gek op. Soms kan er eens een stukje vlees bij, soms een eitje of een beetje kaas. De allerarmsten eten enkel tortillas met een beetje zout.

Aan sommige kinderen zie je dat ze ondervoed zijn of dat de eenzijdige voeding hun normale groei hindert. Zo was ik in Mata De Platano ergens op bezoek en vroeg de plaatselijke buurvrouw hoeveel jaar ik haar dochtertjes zou geven. Ik gaf ze allebei niet meer dan vijf jaar. Voor Yasmín zat ik er twee jaar naast. Ze was al zeven maar ze was niet groter dan haar zusje van vijf. Haar moeder zei me dat ze altijd diarree heeft en dat ze ’s nachts vaak moet overgeven. Je zag wel dat er “iets” mis was met haar. Toen ik vroeg wat de dokter ervan vond antwoordde de moeder me dat er geen geld was voor een dokter en dat hij daarbij toch te ver weg woont. Yasmín gaat niet naar school, enkel naar de kleuterschool. Een magere toekomst voor haar, letterlijk en figuurlijk. Soms lijkt het leven hier wel als dat van de wet van de sterkste. Mensen met een beperking zie je hier zelden rondlopen. Ofwel worden ze weggestoken ofwel halen ze het de eerste jaren van hun leven niet. Als je hier aan iemand vraagt hoeveel kinderen ze hebben dan krijg je naast een groot cijfer ook altijd te horen hoeveel kinderen ze verloren hebben.

Te voet
Ik had me voorgenomen me tijdens mijn trip te verplaatsen zoals de gewone mensen dat doen. Dat betekent alles te voet en de grootste afstanden per bus. Uiteindelijk viel dat heel goed mee. Mijn rugzak was wel redelijk zwaar maar zoals jullie weten ben ik geen woesie. Van dorp tot dorp mijn tocht voortzetten was het principe, tussen ieder dorp lag een half uurtje genieten van de prachtige natuur. Palmbomen, bananenbomen, riviertjes, groene heuvels, prachtige uitzichten,... De moeilijkste tocht was van Buena Vista tot Las Brisas. Daarvoor moesten we een heel stuk klimmen op een berg. Door de ongelooflijke hitte, een rugzak die iedere stap zwaarder begon te wegen en een berg waar maar geen einde aankwam heb ik stevig liggen puffen.

Trinidad stapte omhoog alsof het niets was. Hij had wel geen rugzak maar toch deed hij het op een duizendste gemak. Iedere dag dat hij me was komen halen kwam hij te voet, vaak een uur of langer onderweg. Het enige wat hier van openbaar vervoer is zijn bussen. Eén om zeven uur ’s ochtends en één ’s avonds. Als je hier je bus mist moet je te voet, onderweg heb je tijd genoeg om te vloeken. De padres hebben dit niet altijd even goed door denk ik. Soms kunnen ze op eender welk tijdstip de mensen oproepen om samen te komen, als je van zo’n ver dorpje komt is dat niet echt vanzelfsprekend. Tot mijn grote verwondering staan ze er toch altijd maar...

Door hier bij de mensen te verblijven en alles te voet te doen ben ik beginnen inzien waarom de mensen zo raar opkijken wanneer ik met de jeep passeer om ergens een pater te leveren. Er rijden hier op een hele dag misschien vijf auto’s voorbij (die twee bussen bijgerekend). Geen wonder dat ze grote ogen trekken om te zien wie er achter het stuur zit.

El primer producto de honduras
De mensen tonen hier altijd een heel grote interesse in mij. Overal waar ik passeer kijken mensen naar mij al was ik net met mijn vliegende schotel geland. Daar waar ik verblijf ben ik ’s avonds altijd DE attractie. De buren en de familie komen altijd eens een kijkje nemen en de kinderen van het hele dorp komen ook altijd naar die vreemde grote meneer kijken. In het begin was dat wel een beetje onwennig als er zoveel ogen op je gericht staan maar je met er toch aan gewoon worden. Je kan daar gemakkelijk iets leuk van maken, als ik bijvoorbeeld aan het eten ben en er staat rond mij een hele groep kinderen schrik ik er niet van terug van eens heel luid BOE!! te roepen. De grote mensen liggen dan onder tafel van het lachen en de kleintjes van het verschieten. Na een tijdje komt iedereen wat losser en is het heel gezellig. Ik laat ook altijd mijn fotoalbum zien aan de mensen, daar zijn ze altijd heel hard in geïnteresseerd. Vooral de kinderen vinden het geweldig. Dat album ken ik ondertussen volledig uit het hoofd. Het is een beetje routine geworden.

Waar de mensen ook steevast naar vragen is wat het belangrijkste product is van België. Eerlijkheid dient me te zeggen dat ik dat niet echt weet, maar ik geef altijd een Belgisch antwoord: bier en chocolade. Al lachend zeggen ze dan soms dat het eerste product van Honduras kinderen zijn. Je kan hen jammer genoeg geen ongelijk geven, als je hier de gezinnen ziet dan trek je je ogen ver open. Ik kom van een gezin van vier kinderen. Voor ons is dat veel, maar in Honduras lachen ze daarmee. Het kleinste gezin dat ik tot nu toe hier ben tegengekomen telt vier kinderen. Het grootste vijftien kinderen!! Dat is gewoonweg een fabriek! Het gemiddelde aantal kinderen moet ergens rond de acht liggen.

Wat ook hard opvalt is dat men veel vroeger met kinderen begint. Achttien is hier de gemiddelde leeftijd om eraan te beginnen. Heel vaak zie je meisjes die een pak jonger zijn en toch al met een kleintje op de arm lopen. Men trekt hier geen grote ogen wanneer men meisjes van veertien, vijftien jaar ziet met een baby op de arm.

In La Ceibita verbleef ik bij Don Fito en Doña Elvin. Heel vriendelijke mensen met heel leuke kinderen. De oudste van de zes was zestien. Omdat Fito en Elvin er nog vrij jong uitzien kon ik mijn nieuwsgierigheid niet te baas en vroeg ik op welke leeftijd dat zij eraan waren begonnen. Vijftien was het antwoord. Ze zeiden dat dat wel heel vroeg was en dat ze nu wel beseffen dat dat het gevolg was van het ontbreken van seksuele voorlichting. Voor de jeugd nu is er nog niet veel veranderd aan die situatie.

Nog iets wat opvalt zijn de namen van de jongeren. Telkens als ik met jongeren werk laat ik een schrift rondgaan waarin ze hun namen zetten. Engelse namen als Geydy, Lesly, Beti, Rosmery, Kensy, Leydi, Rossybel, Maryleydy,... komen hier vaak voor. De fouten in deze namen heb ik niet gemaakt, die zijn gemaakt in het gemeentehuis bij het inschrijven in het bevolkingsregister. Zo kan Lesley ook geschreven worden als Lesli, Leysli of Leslie. Hoe meer ypsilonnen hoe beter lijkt het. Waarom al die lelijke Engelse namen is me nog niet helemaal duidelijk. Misschien is het mode en hebben de Sergio’s, Maria’s en Ricardo’s afgedaan.

Monsterklassen
Noem het gerust beroepsmisvorming, overal waar ik kom kan ik het niet nalaten eens in de schoolschriftjes van de schoolgaande jeugd te snuffelen. In Vlaanderen hebben we voor ieder vak bijna tien verschillende boeken en werkschriften, hier in de kleine dorpjes vullen de kinderen hun boekentas (als ze die al hebben) met één schrift. In Vlaanderen gebruiken we zulke schriften als kladschriftjes, in de kleine afgelegen schooltjes in hier in Honduras heeft men geen geld voor schoolboeken. Alles in dezelfde schrift. Vaak moet de leerkracht met het schamele maandloon nog zelf die schriften kopen voor enkele leerlingen. Eén werkschriftje heb ik meegekregen, dat van de zesjarige Riccy van “Buena Vista”. Het schriftje was vol en het lag gewoon op de grond het droevige lot te wachten om tot leerstof en as te vergaan. Ik vroeg of ik het niet mocht meenemen naar België, ze trokken een gekke bek maar het was gelukkig geen probleem, ook niet voor Riccy.

Een ander gevolg aan het geld gebrek bij het Hondureese onderwijs is dat de scholen volledig onderbemand zijn wat leerkrachten betreft. Hoewel de basisschool hier niet verplicht is, zitten de meeste kinderen tot hun twaalf, dertien achter de schoolbanken. De klassen zitten eivol. Soms moet één leerkracht een klas zien les te geven van dertig tot vijftig leerlingen. In de kleine dorpjes is er vaak maar één leerkracht voor het hele dorp. Dat betekent dat die leerkracht ervoor moet zorgen dat alle kinderen van zes tot dertien jaar onderwijs moeten krijgen. Ik zou niet weten hoe eraan te beginnen...

In El Pital heb ik het kunnen regelen (nu niet dat het zo moeilijk was) om tijdens de voormiddag enkele klassen te mogen bezoeken. El Pital is het grootste dorp van de zone en heeft per leeftijd ongeveer een leerkracht. In iedere klas zitten er gemiddeld veertig leerlingen. Soms iets meer, soms iets minder. Sommige dingen waren compleet anders dan een Vlaamse school, maar andere dingen waren heel herkenbaar. Zo heb ik de lijst van de ineters mogen afgaan. Ik ga niet verder in detail treden om niet-leerkrachten onder jullie niet in slaap te doen laten vallen op het toetsenbord, maar neem aan dat het een heel boeiende voormiddag voor me was.

Wanneer het diploma van de lagere school naast dat van de tien andere broers en zussen in de living kan gehangen worden gaan slechts vier op de tien leerlingen verder naar het middelbaar. In de kleine dorpjes is er geen middelbare school en studeert er bijna niemand die ouder is dan dertien jaar. Zij die wel naar het middelbaar gaan moeten veel tijd en kilometers te voet en met de bus doen om op school te geraken.
In heel Honduras volgt slechts zeven procent een verdere opleiding. Het spreekt voor zich dat dit niet voor de mensen in de dorpjes weggelegd is. Universiteit is hier vooral voor rijke mensen die in de stad wonen.

De rijke bevolking voelt zich in dit onrechtvaardig systeem goed want zij kunnen hun kinderen naar de dure maar goede privéscholen sturen. De machthebbende elite zal dit systeem ook niet snel veranderen, op deze manier zijn ze zeker van een groot stuk taart. Het begrip uitsluiting is hier niet ver te zoeken. Als ik zeg dat in België schoolgaan gratis is én verplicht is tot de dag dat je achttien wordt verschiet iedereen hier. Slechts enkelen die tot de grote groep Hondurezen behoren lukt het om uit die onrechtvaardige viseuse cirkel te geraken. Maar dat zijn enkelingen.

De jongeren
Het principe was in ieder dorp hetzelfde, ik kwam ergens aan, maakte kennis met de mensen waar ik ging verblijven en vervolgens werden de jongeren door de coordinador opgetrommeld. De coordinador is de jongere die de boel leidt. Bij hun bijeenkomsten wordt er altijd gezongen, uit de Bijbel gelezen en worden er enkele spelletjes gespeeld. Twee dingen vallen hier altijd op: er nemen altijd veel meer meisjes dan jongens deel en voor de jongeren is het samenkomen onder (enkel) jongeren datgene wat hen vooral motiveert om naar het jongerenpastoraal te komen. Jeugdbewegingen als de scouts bestaan enkel in de steden, hier op het platteland bestaan er geen jeugdbewegingen die de jongeren mogelijkheden bieden om samen te ontspannen.

Voor mijn komst zongen ze meestal een liedje en lieten ze de Bijbel voor wat hij was. De bedoeling was om mij beter te leren kennen en ik uiteraard de jongeren. Omdat het in het begin altijd nogal stroef verliep deden we eerst enkele dinámicas, spelletjes zeg maar. Door de scouts kon ik er altijd vlot enkele uit mijn mouw schudden. De jongeren zijn er dol op. Allemaal stomme spelletjes maar ze zorgden allemaal voor een leuke ambiance. Na een tijdje kwamen de meeste los en kwam er een echt gidsen en verkennersfeertje. De meisjes luid gillend, de jongens lekker stoer. Niet verwonderlijk dat na een tijdje het halve dorp rond de kerk stond te dringen om door de raampjes te kijken. Toen de verlegenheid aan de kant gezet kon worden stelden de jongeren allerhande vragen. “Hoe is België?”, “Wat eten jullie?”, “Hoeveel broers heb jij?”, maar ook vragen als “Ben je al getrouwd?”, “Heb je al een lief?” kwamen overal verdacht vaak terug...

Voor herhaling vatbaar
Na acht dagen was ik blij dat ik terug mocht aankomen in Macuelizo. Ik kan die acht dagen zonder problemen de boeiendste tot nu toe noemen, maar ze waren wel slopend. Ik heb die acht dagen slecht geslapen, mede door het gesnurk maar ook omdat ik de eerste nacht ergens anders nooit goed slaap. Het stappen met de zware rugzak, de hele tijd vragen antwoorden, jongeren animeren,... Heel leuk maar alles bij elkaar opgeteld ook vermoeiend.

Door dit soort activiteiten voel ik dat je dichter bij de mensen komt te staan. Ik ga de komende maanden als het gaat zeker nog eens zulke uitsappen maken maar dan in de andere zones. Je doet op korte tijd heel veel ervaringen op, je leert veel mensen kennen en je komt tot inzichten die van belang zijn in het verdere werk. Voor het eerst heb ik echt met arme mensen kunnen leven. Sinds deze dagen kijk ik anders naar armoede.

Vroeger koppelde ik armoede gelijk aan weinig geld hebben. Nu zie ik armoede meer als een gebrek aan mogelijkheden om een persoonlijke ontwikkeling mogelijk te maken. Financiele armoede is zowel een oorzaak als een gevolg. Het is het gebrek aan middelen en mogelijkheden om kansen te krijgen om zo vooruit te komen en vormt zo de voorwaarde om de ongelijkheid tussen de kansarme en de rijke bevolking staande te houden.

Volgende keer
Ziezo, ik denk dat het meer dan genoeg is geweest voor deze keer. Het heeft enkele dagen geduurd voor dit mailtje af is geraakt. De elektriciteit is veel te veel uitgevallen, soms 24 uur aan een stuk, en dat is allesbehalve handig. Ondertussen is Helene, de sympathieke regioverantwoordelijke van Centraal-Amerika op bezoek geweest en hebben we samen met het parochiaal team een plan gemaakt van wat mijn functie hier de komende maanden zal zijn. Ik zal iedere maand de jongerencoördinadoren dinámicas aanleren (typische spelletjes als telefoontje, dikke bertha,... die ze hier nog niet kennen), ik zal de workshops die ze in het jongerenproject gaan geven ondersteunen en ik zal iedere zone bezoeken en daar de jongeren animeren. Ik weet nog niet of het heel veel of net te weinig werk zal zijn. Ik begin er gewoon aan en ik zal het werk indien nodig een beetje aanpassen. Dat is het leuke aan dit soort werk...

Broederlijk Delen DOOR:

Deel dit artikel