Pas arm onder 1,9 dollar, zegt Wereldbank. Maar is het werkelijk zo eenvoudig?

Favela aan de rand van Salvador de Bahia, Brazilië

In de marge van de jaarvergaderingen van het IMF en de Wereldbank in Lima deze week publiceerde de Wereldbank nieuwe cijfers over de omvang van armoede wereldwijd.

Volgens de internationale spelverdeler in de strijd tegen armoede leven vandaag 702 miljoen mensen in extreme armoede. Dat is 9,6% van de wereldbevolking. In 2012 waren dat er nog 902 miljoen of 12,8%.

Statistische ingreep: van 1,25 naar 1,9 dollar

De nieuwe armoedecijfers van de Wereldbank zijn niet meteen het gevolg van het beleid van de laatste jaren, dan wel van een herziening van de rekenmethodes.

Al sinds de jaren 1970 doet de Wereldbank onderzoek naar armoede wereldwijd. Daarbij maakt de bank gebruik van een armoedegrens die internationale vergelijkingen mogelijk maakt. In 1990 introduceerde de bank de fameuze armoedegrens van 1 dollar per dag. Die grens was gebaseerd op de nationale armoedegrenzen van de 15 armste landen. Die bedroeg gemiddeld om en bij de 370 dollar per jaar. 370 gedeeld door 365 dagen is dus min of meer 1 dollar per dag.

Om te kunnen vergelijken wordt de internationale armoedegrens uitgedrukt in koopkrachtpariteit. Dat wil zeggen dat die 1 dollar staat voor één mandje goederen dat in de VS één dollar zou kosten. Die 1 dollar kan dus niet zomaar omgewisseld worden naar pakweg Indiase rupi's of Keniaanse shillings. Eén dollar koopkrachtpariteit koopt evenveel in de VS, India of Kenya.

Telkens wanneer betere data beschikbaar zijn over die koopkrachtpariteit - over het prijsniveau van basisproducten in verschillende landen dus - moet de armoedegrens worden aangepast. Dat gebeurde in 1993 tot 1.08 dollar, in 2005 tot 1,25 dollar en vandaag dus tot 1,9 dollar.

Opvallend is wel de relatief grote sprong (52%) van 1,25 tot 1.9 dollar. Dat is volgens de Wereldbank te wijten aan het feit dat prijsniveaus in de armste landen lager zijn dan gedacht. Of anders gezegd: eigenlijk was de dollar overgewaardeerd ten opzichte van de munteenheden in arme landen.

Wanneer de Wereldbank haar berekeningen herziet, heeft dat ook een impact op de doelstellingen die internationale instellingen, regeringen en ngo's wereldwijd stellen op vlak van armoedebestrijding.

Die statistische bijstellingen zijn niet zonder belang, want ondertussen is die armoedegrens van de Wereldbank ook de basis van geworden van de beleidsdoelstellingen van de VN, andere ontwikkelingsbanken en de ontwikkelingslanden zelf. Wanneer de Wereldbank haar berekeningen herziet, heeft dat dus ook een impact op de doelstellingen die internationale instellingen, regeringen en ngo's wereldwijd stellen in de strijd tegen armoede.

Volgens de Wereldbank zelf leverde de huidige herziening geen drastische verschuivingen op. Zo was 14,5% van de wereldbevolking arm in 2011 volgens de oude berekeningen terwijl dat cijfer volgens de nieuwe methode 14.2% bedraagt. Wel zien we een lichte verschuiving van armoede van de armste landen naar midden inkomenslanden in Latijns-Amerika en de Caraïben.

Is de armoede dan werkelijk aan het verdwijnen?

Ongetwijfeld neemt extreme armoede af, maar de vraag blijft hoe snel, in welke mate en waar.

De cijfers van de Wereldbank zijn niet gebaseerd op een absolute waarheid, maar op statistische verwerking van vaak zeer onvolledige data. Zeker in de armste landen schiet datacollectie tekort. Hoewel verschuivingen op mondiaal niveau relatief beperkt blijven, zien we op niveau van individuele landen soms vreemde zaken. Zo zakte de armoede in een land als Nigeria bij de vorige herziening in 2005 plots met 20%. Het armoederisico was er dus met een vijfde afgenomen terwijl er op het terrein weinig was veranderd. In die zin riskeert de Wereldbankmethode dus de geloofwaardigheid van beleidsinspanningen te ondermijnen.

Armoede is veel ruimer en heeft te maken met ongelijke verdeling van kansen en mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk leven in al zijn facetten.

Door één eenvoudige monetaire drempel te gebruiken maak je gemakkelijk vergelijkingen mogelijk tussen landen maar verberg je ook het multidimensionele karakter van armoede.

Armoede is veel ruimer en heeft te maken met ongelijke verdeling van kansen en mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk leven in al zijn facetten. Bovendien kijkt de Wereldbank enkel naar de koopkracht in de armste landen, dus blijven armen in rijkere landen buiten beeld. Ook in middeninkomenslanden zoals China of Brazilië of zelfs in OESO-landen bevinden zich heel wat armen gemeten naar de nationale armoedemaatstaven. Op die manier levert de internationale armoedelijn een grove onderschatting op van de werkelijke omvang van armoede.

Op zoek naar alternatieven

In economische kringen worden de beperkingen van de Wereldbankberekeningen ook aanvaard en alternatieven naar voor geschoven. Daarin wordt ook gedacht aan meetinstrumenten die het multidimensionele aspect van armoede trachten te vatten (zoals de Multidimensional Poverty Index van de universiteit van Oxford). Anderen pleiten dan weer voor nationale armoedegrenzen die op internationaal niveau gecoördineerd worden en gebaseerd zijn op een grondige bevraging van de armen zelf.

In het nieuwe ontwikkelingskader van de VN, de Sustainable Development Goals, engageren de verschillende regeringen zich om het aandeel mannen, vrouwen en kinderen in armoede te halveren volgens ‘nationale armoededefinities'. Dat is een interessant uitgangspunt omdat het de bal ook in het kamp van de rijkere landen legt. In België wordt armoede gedefinieerd als een inkomen kleiner dan 60% van het mediaan inkomen of ca. € 1000 netto per maand. Volgens die definitie leven meer dan 15% van de Belgen in armoede. Ons land heeft dus heel wat werk aan de winkel om zijn internationaal engagement waar te maken.

Een laatste voordeel van een aanpak gebaseerd op nationale criteria is dat het het maatschappelijk debat aanzwengelt over wat armoede eigenlijk concreet betekent. Het antwoord op die vraag zal in elk land anders zijn. Bovendien komt het ook de democratie ten goede. Voor een regering wordt het veel moeilijker de uitkomst van dergelijke nationale discussie naast zich neer te leggen dan een relatief vaag en weinig ambitieuze doelstelling bepaald in Washington.

Voor de technische details van de berekeningen door de Wereldbank:

Jan Van de Poel

11.11.11 DOOR:

Deel dit artikel