Poetin mikt hoog in Tsjetsjenië, maar verliest oorlog ter plaatse

De Russische president Vladimir Poetin eigent zich het recht voor preventieve militaire operaties uit te voeren in de strijd tegen het ‘internationale moslimterrorisme’. Poetin heeft het daarmee vooral tegen opstandige bewegingen in de noordelijke Kaukasus waar de Russische troepen in een koloniale oorlog zijn verwikkeld.


Die waarschuwing over preventieve acties is echter onrechtstreeks ook gericht aan die Amerikaanse kringen die aan de zuidelijke rand van de Russische Federatie hun invloed versterken, vaak ook in naam van die strijd tegen het ‘internationaal terrorisme’. Uit naam van die strijd beknot Poetin intussen verder de democratische vrijheden.

Poetin laat de jongste tijd geen gelegenheid voorbijgaan om te verwijzen naar de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken’ (USSR), waarvan de Russische Federatie in zeer veel opzichten de erfgename is, onder meer in de vorm van een vaste zetel in de VN-Veiligheidsraad en van de kernwapens. Hij heeft diverse motieven om dat te doen. Hij verzorgt daarmee zijn populariteit in eigen land waar nostalgie leeft naar de lange periode waarin de Sovjet-Unie wereldwijd een groot prestige genoot. Het Rode Leger had de nazitroepen verslagen en werd een van de twee grootmachten. Tenslotte werd het wereldbeeld bijna een halve eeuw lang gedomineerd door de rivaliteit tussen Moskou en Washington.

Dat prestige was onder president Boris Jeltsin zwaar aangetast. De economische activiteit stortte in, enkele benden plunderden het gros van de economische rijkdommen, bovendien leed Jeltsin in eigen land in 1996 een militaire nederlaag, namelijk in Tsjetsjenië. Rusland was een vernederde natie, Poetin stelde zich tot taak het tij te keren. Als pas benoemde premier ontketende hij vijf jaar geleden, in oktober 1999, een nieuwe oorlog in Tsjetsjenië. Rusland zou onder Poetin aan zijn territoriale eenheid of aan zijn grenzen niet laten raken, zoals met de USSR wel was gebeurd.

Weke rand

Daar rijst een ander probleem. Een groot deel van de grenzen van Rusland is bijzonder poreus. Alleen al de grens tussen Rusland en Kazachstan is 6.000 kilometer lang; het zou een moeilijke en zeer dure onderneming zijn om van die grens een echte gecontroleerde staatsgrens te maken. Hetzelfde geldt voor de andere grenzen in Centraal-Azië, zelfs voor de buitengrenzen van wat vroeger de Sovjet-Unie was.

Moskou hoopte aanvankelijk dat Russische troepen die buitengrenzen zouden kunnen bewaken tegen wat toen al het oprukkend moslimfundamentalisme werd genoemd (uit Afghanistan). Er zitten wel Russische troepen aan de zuidergrens van Tadzjikistan, maar intussen is het duidelijk geworden dat het moslimfundamentalisme niet op die manier wordt tegengehouden. Die fundamentalisten zitten stevig ingeplant in delen van Oezbekistan, Kirgizstan, Tadzjikistan waar ze (wel met financiële hulp uit Saudi-Arabië) teren op armoede, corruptie en dictatuur. De meeste leiders van de republieken van Centraal-Azië blinken immers uit in repressie, corruptie en persoonlijke verrijking, terwijl het grootste deel van de bevolking het er veel moeilijker heeft dan vroeger.

Met zijn imitatie van de Amerikaanse strategie over preventieve acties tegen het terrorisme, eigent Moskou zich het recht toe militair tussenbeide te komen in die uitgestrekte zone die vroeger deel uitmaakte van de Sovjet-Unie. Dat heeft niet alleen te maken met moslimfundamentalisme, maar ook met de sterke aanwezigheid van de VS. Voor de Amerikanen was de oorlog van 2001 in Afghanistan de aanleiding om in Centraal-Azië militaire basissen op te richten – wat ook deel uitmaakte van Washingtons beleid van ‘containment’ (indijking, in feite omsingeling) van China.

Poetin wierp zich toen, na 11 september 2001, op als een van de stevigste bondgenoten van Washington, maar de Amerikaanse militaire aanwezigheid in Centraal-Azië stuitte bij militaire leiders in Moskou op weerstand. Die weerstand is verre van gesmolten, wat onder meer kan blijken uit het feit dat Moskou de zogenaamde "Groep van Shanghai" – Rusland, China, Kazachstan, Oezbekistan, Tadzjikistan en Kirgizstan – weer leven inblaast.

Diezelfde en andere Russische kringen storen zich al evenzeer of nog meer aan de erg actieve Amerikaanse zakenlui en diplomaten die in deze regio neerstreken, sommige al vóór 1991, de meeste na de implosie van de USSR. Het gaat om een regio met veel belangrijke delfstoffen, waaronder olie en aardgas.

Kaukasus

De rivaliteit tussen Moskou en Washington is vooral groot in Transkaukasië – de staten Azerbeidzjan, Armenië en Georgië. Daar heeft het eveneens bijzonder veel te maken met olie, vooral de olie uit de Kaspische Zee. Westerse oliemaatschappijen en Russen zijn daar elkaars grote rivalen, zowel voor ontginning als transport van die olie. Die rivaliteit is bijzonder scherp in Georgië waar Amerikaanse zakenlui, diplomaten en politici een belangrijke rol hebben gespeeld in de omwenteling van eind vorig jaar, met de afzetting van de vroegere VS-vriend Sjevardnadze die plaats moest maken voor hun huidige vriend, Saakasjvili. Onder Sjevardnadze streken al Amerikaanse militairen neer in Georgië. De jongste maanden neemt de spanning toe – met gewapende en dodelijke botsingen – tussen Georgische troepen en milities van Zuid-Ossetië dat al twaalf jaar, met de steun van Moskou, virtueel los is van Georgië, net als Abchazië.

De oorlog in Tsjetsjenië is niet los te zien van deze puzzel, vooral ook omdat Moskou in 1994 die oorlog onder meer om olie begon. Jeltsin had Tsjetsjenië, dat eind 1991 zijn onafhankelijkheid had geproclameerd, met rust gelaten tot president Aliëv van Azerbeidzjan, een top-apparatsjik uit de Sovjettijd, in september 1994 een overeenkomst sloot met een westers olieconsortium voor de ontginning van olievelden in de Kaspische Zee. Meteen kreeg de oliepijpleiding die van Bakoe door Tsjetsjenië loopt, een nog grotere strategische betekenis. Bovendien grenst Tsjetsjenië aan Georgië waar Tsjetsjeense vluchtelingen een toevlucht zochten, wat voor Washington en Tbilisi meteen een voorwendsel was om Amerikaanse militaire instructeurs naar Georgië te laten komen voor de strijd tegen Al Qaeda…

Beslan

De oorlog in Tsjetsjenië laat zich echter vooral voelen in de noordelijke Kaukasus, in de regio’s die deel uitmaken van de Russische Federatie. Deze regio’s zijn veruit de armste van de Federatie; niet dat iedereen er arm is, want veel lokale leiders hebben op de rug van de bevolking fortuin vergaard. Dimitri Kozak, onlangs door Poetin benoemd tot speciale ‘commissaris’ voor de Noordelijke Kaukasus, heeft het zelf over de enorme werkloosheid, corruptie en criminaliteit die deze regio’s teisteren. Maar een lokale leider als Roeslan Aoesjev, die in de regio wordt beschouwd als een van de zeldzame correcte politici, werd door Poetin afgezet en vervangen door een lakei, gewezen FSB-agent Moerat Zjazikov. Dergelijke aanpak voedt natuurlijk ook het verzet van de Ingoesjen tegen Moskou.

Moskou wou bij de terreuractie van begin september in een school in Beslan laten geloven dat die het werk was van Tsjetsjenen en "Arabieren". Poetin stelt de tragedie in Noord-Ossetië voor als een actie van het internationaal terrorisme tegen Rusland. Maar Roeslan Aoesjev, de vroegere president van Ingoesjië die op eigen initiatief en risico met het commando ging praten, vertelde dat er in het commando ook Ingoesjen, Osseten en Slaven (Russen, Oekraïners…) waren. Arabieren had hij niet gezien.

Het ziet er niet naar uit dat de Russische overheid inspanningen zal leveren om klaarheid te scheppen over de samenstelling van het commando, over de motieven, over de omstandigheden van de tragedie.

De heterogene samenstelling van het commando illustreert hoe de Tsjetsjeense opstandelingen na meer dan tien jaar pogingen om bondgenoten in de regio te werven, daar blijkbaar beginnen in te slagen. In die regio wemelt het van de sluimerende conflicten, onder meer tussen Ingoesjen en Tsjetsjenen. Naar aanleiding van Beslan is er hier en daar toch aan herinnerd dat er in 1992 in Noord-Ossetië een pogrom tegen Ingoesjen was die naar toenmalige schattingen honderden doden maakte en 60.000 mensen op de vlucht dreef, mensen die nog altijd vluchtelingen zijn. De Ingoesjen waren in 1944 op bevel van Stalin, net als de Tsjetsjenen en andere volkeren uit de regio, volkomen onrechtmatig van collectieve collaboratie met de nazi’s beschuldigd en gedeporteerd. In 1957 rehabiliteerde Chroesjtsjov die volkeren en liet ze naar hun regio terugkeren. De Ingoesjen stelden bij terugkeer vast dat een deel van hun gebied, Prigorodny, bij Noord-Ossetië was gevoegd en dat ze er niet erg welkom waren. Na de tragedie van Beslan eisten Ossetische betogers dat alle overblijvende Ingoesjen uit Noord-Ossetië moeten verdreven worden.

De oligarch en de bendeleider

Voor Poetin was de nieuwe oorlog in Tsjetsjenië in de herfst van 1999 de gelegenheid om zich te affirmeren als de man die na de chaos van Jeltsin orde op zaken zou stellen. Hij vermeed het voor te stellen alsof hij zo maar de oorlog hervatte, er was een aanloop – in verdachte omstandigheden. In de zomer viel een commando onder leiding van Sjamyl Bassajev, die de verantwoordelijkheid voor Beslan opeist, vanuit Tsjetsjenië Dagestan binnen. De zware beschietingen over en weer bleken nadien, volgens ooggetuigen, schertsvertoningen te zijn. Later kwam aan het licht dat Bassajev vooraf contacten had gehad met oligarch Boris Berezovsky. De twee kenden elkaar zeer goed. In 1996 had Berezovsky Bassajev flink wat geld toegestopt, onder meer een miljoen dollar … voor de bouw van een cementfabriek die er natuurlijk nooit is gekomen.

In september 1999, kort na Dagestan, volgden enkele aanslagen op appartementsgebouwen in Russische steden met rond 300 doden. Poetin beschuldigde snel de Tsjetsjeense opstandelingen, ook al is het vermoeden groot dat de geheime dienst FSB er de hand in had.

Zo maakte Poetin zelf van Tsjetsjenië een symbool van zijn slagen. Vijf jaar later is het de vraag of hij inderdaad is geslaagd of veel eerder zijn mislukking tracht te verdoezelen. Want van een succes kan men zeker niet spreken, ondanks de dagelijkse terreur. Van iets meer dan een miljoen inwoners zijn er tussen 80.000 en 150.000 mensen omgekomen, van wie het overgrote deel door operaties van leger, "speciale" eenheden en pro-Russische milities. Honderdduizenden anderen zijn moeten vluchten.

Die terreur bestaat nu vooral uit razzia’s van Russische "speciale eenheden" en van allerlei milities, ook Tsjetsjeense, waarbij massaal jonge Tsjetsjenen worden opgepakt. Het gebeurt regelmatig dat enkele uren of dagen later hun lijken aan de rand van dorp of wijk worden gevonden, vaak erg verminkt. Omdat er bij recente aanslagen nogal wat meisjes en jonge vrouwen zelfmoordacties deden, kwam er ook een "operatie Fatima" om meisjes op te pakken die er mogelijk van dromen kamikaze te orden. Vooral meisjes en vrouwen van wie broer, echtgenoot of andere familieleden bij anti-Tsjetsjeense operaties zijn gedood, komen in aanmerking. "In Grozny hebben de mensen schrik. Er zitten sluipschutters op de daken. Tot 2002 sprak iedereen, nu doet niemand meer zijn mond open. We horen voortdurend ‘Tot wat dient het? Alles wat ik u kan zeggen, weet ge al, de hele wereld weet het. Maar wat verandert dat?", aldus het relaas van Mylène Sauloy, een journaliste die de jongste jaren herhaaldelijk – clandestien – in Tsjetsjenië videofilms ging opnemen.

Russen in defensief

Desondanks zitten de Russen op het terrein in Tsjetsjenië zelf, in het defensief. Al zitten ze daar met bijna 100.000 manschappen en met hun terreuracties, toch zijn ze Poetins oorlog aan het verliezen. Maar Poetin lijdt aan hetzelfde euvel als zoveel autoritaire bewindvoerders, ze willen alleen horen en zien wat ze graag horen en zien. Hun hofhoudingen weten dat ze er alle belang bij hebben negatief nieuws te weren en hun bazen een rooskleurig beeld op te hangen. Iemand die zijn carrière hoofdzakelijk in de geheime diensten maakte, zou nochtans moeten weten dat deze struisvogelhouding averechts werkt.

Poetin verspreidt nu de illusie dat zijn politiek van "Tsjetsjenisering" geslaagd is. Vorig jaar liet hij zijn kandidaat, Kadyrov, in schertsverkiezingen tot president verkiezen. Kadyrov behoorde tot een clan waarvan chefs bereid waren tot collaboratie als Moskou hen rustig liet betijen met criminele activiteiten als wapen-, drug- en oliesmokkel. Kadyrov steunde op de clanmilitie geleid door zijn zoon Ramzan, een militie die zeer berucht is voor haar moordlustige razzia’s. Opstandelingen bliezen Kadyrov op, waarop Poetin deze zomer nieuwe verkiezingen hield. Natuurlijk werd zijn kandidaat, Aloe Alchanov, glansrijk verkozen. Waarnemers hadden nauwelijks kiezers gezien, maar officieel was er een grote opkomst.

Niet alleen de aanslag op Kadyrov, ook talrijke andere operaties – zoals de tijdelijke inname van een groot deel van Ingoesjië, tonen aan dat de Russische militairen nauwelijks enige controle over het grondgebied hebben.

Ondanks Poetins greep op de media, geloven de meeste Russen niet dat de "Tsjetsjenisering" lukt. Volgens het enige onafhankelijke peilinginstituut vindt slechts 24% van de Russen dat de normalisering slaagt, terwijl 63% voor een onderhandelde oplossing is, iets wat Poetin halsstarrig afwijst.

Maar de twijfel knaagt. Ondanks Poetins greep op de media, zijn er enkele kranten die durven schrijven wat ook sommigen in Poetins omgeving denken: om uit het Tsjetsjeense moeras te geraken, moet er worden onderhandeld met Tsjetsjeense leiders die nog het vertrouwen van een belangrijk deel van hun bevolking genieten; hoe langer er mee wordt gewacht, hoe sterker groepen zullen worden die terreur prediken. In de krant ‘Nezavissimaja Gazeta’ pleit Vladislav Inozemtsev, directeur van het Studiecentrum over de postindustriële samenleving, ervoor de moed te hebben om het voorbeeld van de Gaulle tegenover Algerije te volgen en de Tsjetsjenen de onafhankelijkheid te geven. In ‘Novaja Gazeta’ verscheen een pleidooi om Maschadov de controle te geven over Grozny en andere regio’s "waar de Russische controle toch maar fictief is".

Westen kijkt toe

Ook westerse leiders pleiten af en toe voor een ‘politieke oplossing’, maar dat zijn loze woorden. Deze zomer zijn de Franse president Chirac en de Duitse regeringsleider Schröder Poetin uitdrukkelijk gaan steunen en loven voor zijn strijd tegen het "terrorisme". Washington uit bijwijlen zijn bezorgdheid over de autoritaire maatregelen in Moskou. Maar Tsjetsjenië is voor de westerse leiders een binnenlandse aangelegenheid van Rusland - Clinton vergeleek het Tsjetsjeens separatisme in 1996 met de opstand van de zuidelijke staten in de VS en vond daarin het argument om Jeltsins oorlog te steunen. De Europese Unie is bijzonder schijnheilig. De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Bertrand Bot had, als voorzitter van de EU, na de tragedie van Beslan gezegd te hopen dat de Russische overheid uitleg zou geven hoe die tragedie mogelijk was geweest. Hij werd door zijn collega’s van de EU teruggefloten en bood zijn verontschuldigingen aan voor dit "misverstand".

Washington is aan de ene kant wel in zijn nopjes met de Tsjetsjeense opstand, het verzwakt Rusland in een zeer strategisch gebied. Strategisch omwille van de nabije olievelden en van de pijpleidingen die door deze gebieden lopen. Anderzijds willen Washington en de andere westerse leiders op de best mogelijke voet staan met Poetin, want Rusland is niet alleen een kernwapenmogendheid maar ook een grootmacht inzake energiebronnen – olie en vooral gas.

Vandaar hun feitelijke steun aan Poetins koloniale oorlog. Want in wezen gaat het om een koloniale oorlog tegen een volk dat in meerderheid zijn zelfbeschikkingsrecht wil uitoefenen. Ook al komen daar allerlei andere elementen bij kijken – de rivaliteit tussen Moskou en Washington in de regio, de oliebelangen, het moslimfundamentalisme, de georganiseerde misdaad. Maar precies de voortzetting van die bezettingsoorlog, is koren op de molen van criminelen en fundamentalisten. "In Tsjetsjenië woedt een koloniale oorlog die elke dag monsters voortbrengt", merkte Daniel Cohn-Bendit in het Europees Parlement terecht op.

Freddy De Pauw

(Uitpers, nr. 57, 6de jg., oktober 2004 http://www.uitpers.be)

Vrede DOOR:

Deel dit artikel