Q&A: Het Palmerrapport over de Gazaflotilla


Na maanden uitstel publiceerde de Palmercommissie haar rapport over het flotilla-incident van 30 mei 2010. De Israëlische marine doodde toen 9 opvarenden. Ban Ki Moon, secretaris-generaal van de VN, gaf de commissie de opdracht het fel besproken incident te onderzoeken. Het rapport doet veel stof opwaaien.

De commissieleden menen immers dat Israëls maritieme blokkade van Gaza legaal is. Ze stellen dat Israël het recht had de schepen te stoppen, ook al laken ze het disproportioneel gebruik van geweld. Israël beweerde altijd dat het handelde volgens het internationaal recht en ziet dit rapport als een overwinning.

Mensenrechtenorganisaties zoals onze partner Gisha zijn ontgoocheld. Gisha meent dat de commissie vooral een politiek compromis wou bereiken en zo de kans liet schieten om de algemene afsluiting van Gaza onder de loep te nemen. 'Schepen naar Gaza tegenhouden omwille van veiligheid is wettelijk. De civiele afsluiting van Gaza is dat niet.' De kerngedachte blijft ongewijzigd: Israël schendt het internationaal recht met deze afsluiting. In onderstaande Q&A legt Gisha uit waarom.


1. Kan Israël volgens het internationaal recht de toegang tot de zee afsluiten en schepen naar Gaza tegenhouden?
Ja, maar tegelijkertijd moet het de vrije doorgang van goederen via alternatieve kanalen garanderen. Sinds 1967 heeft Israël, als bezettende macht, het maritiem verkeer naar de Gazastrook verhinderd. Het heeft hiertoe de autoriteit conform de wetten die gelden onder een bezetting, vastgelegd onder het internationaal recht.

Deze wetten zijn nog steeds van toepassing op de Gazastrook, zelfs na Israëls terugtrekking uit Gaza in 2005. Israël controleert immers nog altijd de belangrijkste aspecten van het leven in dit gebied. De wetten van de bezetting laten Israël toe te beslissen via welke kanalen goederen en mensen de Gazastrook binnengaan en verlaten. Hoewel Israël heeft aangeboden dat boten hun vracht uitladen in de haven van Ashdod, laat het niet alle civiele goederen aan boord, na een veiligheidscontrole, in Gaza toe.



2. Betekent dit dat Israëls maritieme blokkade van Gaza wettelijk is?
Neen. In onze visie maakt de maritieme blokkade deel uit van de algemene blokkade van Gaza. Dit is een blokkade die ook via het land en het luchtruim is opgelegd. Binnen deze context kwam Israël zijn wettelijke verplichtingen niet na. Volgens het internationaal recht geldt een fundamenteel principe: controle gaat gepaard met verantwoordelijkheid. Dit om te vermijden dat geen enkele partij de verantwoordelijkheid voor de bescherming van burgers tijdens oorlog of een bezetting opneemt.

Door zijn verregaande controle over de grensovergangen naar de Gazastrook, heeft Israël de verantwoordelijkheid om de bewegingsvrijheid van personen en goederen te garanderen. Het moet de continuïteit van de economie, de gezondheidszorg en andere aspecten van het civiele leven garanderen. Enkel als er een concrete veiligheidsreden is, heeft Israël het recht om de doorgang van goederen of personen te verhinderen. Zelfs in dat geval, moet het een evenwicht vinden tussen zijn veiligheidsnoden en de verplichting om het normale leven in bezet gebied niet te verstoren. Door de doorgang van burgers en civiele goederen van en naar Gaza te verhinderen, verlamde Israël de economie en verstoorde het tevens het leven van de burgerbevolking. Hierdoor schond het zijn verplichtingen volgens het internationaal recht en maakte het zijn afsluitingsbeleid, inclusief de maritieme blokkade, onwettelijk.



3. Is het volgens dit principe tijdens een conflict toegelaten om sancties en andere economische maatregelen te treffen die de oorlogsinspanningen van de vijand verhinderen, zelfs al berokkenen ze de burgerbevolking schade?
Dat klopt als het gaat om sancties die één staat oplegt aan een andere staat. In de kwestie van de Gazastrook is dat niet het geval. De afsluiting van Gaza verhindert niet alleen commerciële betrekkingen met Israël, maar met de hele wereld. De afsluiting is dus geen manier waarop Israël zijn soevereine recht uitoefent om commerciële relaties met het gebied te stoppen.

Het opleggen van handelssancties tussen Gaza en derde landen kan enkel na toestemming van die landen of in navolging van een bindende VN-resolutie. Dit ligt niet in Israëls bevoegdheid. Bovendien voldoet de afsluiting niet aan de juridische definitie van een 'beleg'. Volgens het internationaal recht mag een beleg worden ingesteld voor een afgelijnde periode om een welbepaald militair doel te bekomen. In onze visie heeft de voortdurende afsluiting geen militair doel. Ze voorziet ook niet in de vrije doorgang van burgers, zoals het recht bepaalt.



4. Na de flotilla werden de beperkingen versoepeld. Betekent dit niet dat de afsluiting nu wettelijk is?
Neen. Na de flotilla in 2010 heeft de Israëlische regering het afsluitingsbeleid versoepeld. Ze hief het verbod op de doorvoer van consumentengoederen en grondstoffen op. Israël liet maandelijks een duizendtal zakenlui naar Israël en de Westoever reizen. Daarnaast kondigde het een paar maatregelen aan: toestemming voor de invoer van bouwmateriaal voor internationale organisaties en de export van een beperkte hoeveelheid goederen vervaardigd in Gaza. Maar het verbod op het verkeer van mensen tussen Gaza en de Westoever bleef van kracht, afgezien van "humanitaire uitzonderingen". Ook het verbod op de invoer van bouwmateriaal voor de privésector en de export of verkoop van goederen uit Gaza, werd niet opgeheven. De versoepelingen zijn belangrijk maar onvoldoende om het economisch en sociaal herstel van Gaza toe te laten. Om zijn beleid ten aanzien van Gaza wettelijk te maken, moet Israël deze verregaande beperkingen opheffen en de doorvoer van bouwmateriaal, export van goederen en het vrij verkeer van personen tussen Gaza en de Westoever, na individuele veiligheidsinspecties, garanderen. 

Bron: Gaza Gateway, http://gazagateway.org/?p=2416

Broederlijk Delen DOOR:

Deel dit artikel