Rwandese vrouwen, kracht voor de vrede

De secretaris van Vrede vzw, Georges Spriet had een gesprek met de coördinatrice van het Vrouwencollectief van Rwanda.


 

Ik zal aan tafel met Suzanne, coördinatrice van het vrouwencollectief uit Rwanda, in het vrouwencentrum Amazone in Brussel. Ze was hier op uitnodiging van de Nederlandstalige Vrouwenraad, die in het kader van de Vlaamse Vredesweek, een internationale conferentie rond vrouwen en vrede organiseerde. Het werd geen interview maar een boeiend gesprek met een gedreven vrouw. Het lijkt me niet altijd aan de spektakelnormen te voldoen die (zouden) nodig zijn om onze Westerse oren te doen spitsen. Het werd wel een verhaal van onverwachte successen qua vooruitgang voor de vrouw; een verhaal van optimisme over positieve ontwikkelingen in de postgenocide samenleving. Een verhaal van hoop en perspectieven. Een verhaal, inderdaad, van vrouwen als kracht voor vrede.

Het vrouwencollectief is een samenwerking van een ganse reeks Rwandese vrouwenorganisaties, met elk hun eigen geschiedenis, hun eigen prioriteiten. Dit samenwerkingsverband groepeert vrouwen van over het ganse land, zowel in de heuvels, als in de steden, zowel analfabeten als intellectuelen, zowel Tutsi’s als Hutu’s. Het hoofddoel is een actieve bijdrage te leveren tot de op- en uitbouw van de samenleving na de genocide. Deze organisaties hebben aandacht voor de klassieke vrouwenthema’s : recht op vorming, recht op erfenis, significante vertegenwoordiging in beleidsorganen en in het parlement, bijvoorbeeld. Maar ze worden ook volop geconfronteerd met de gevolgen van de genocide en van de oorlog.

De vrouwenbeweging in Rwanda voelt zich heel gelukkig bij de vaststelling dat 48% van de leden van het nationale parlement, vrouwen zijn. "Een wereldrecord". Bovendien heeft ze behoorlijk wat invloed kunnen doen gelden bij de opstelling van de nieuwe grondwet, zodat de gelijkheid van de vrouw nu ook constitutioneel is verankerd.

Suzanne woont eigenlijk in het grensgebied met de République Démocratique du Congo, in Gisengi, aan de overkant van de grens met Goma. "Het is niet omdat onze politieke leiders en onze legers oorlog voeren, dat wij dat ook moeten doen. Wij willen leven, en dat moeten we doen met iedereen die in deze regio woont."

De vrouwenorganisaties verwerpen categoriek de opdeling van de maatschappij langs etnische breuklijnen. Suzanne getuigt met aandrang en herhaling dat Hutu’s en Tutsi’s gewoon samenleefden, dat er veel gemengde huwelijken zijn. Het probleem van de Rwandezen is niet dat er twee volken zouden wonen, het probleem van de regio is niet haar multi-etnische samenstelling, maar de armoede, zegt ze, het gebrek aan vorming en opleiding; daar situeert zich de werkelijke knoop.

Het vrouwencollectief heeft van de overheid toegang verkregen tot de zogenoemde solidariteitskampen. Dat zijn plaatsen voor tijdelijk opvang van ex-gedetineerden of mensen die uit Congo zijn teruggekeerd, legt ze me uit. Daar trachten de vrouwen van het collectief in te praten op de mannen en vrouwen van het kamp, om hen het belang uit te leggen een streep te trekken onder het verleden, en een wil tot samenleven met iedereen te ontwikkelen. Ze gaan in kleine groepjes van drie of vier naar deze kampen, en trachten er steeds voor te zorgen dat er een overlevende van de genocide bij is, maar ook iemand uit kringen die met de moordenaars waren gelinkt.

Hun gesprekken beginnen zeer concreet, zeer confronterend. Mannen die bijna 10 jaar in de gevangenis zitten moeten aanvaarden dat hun vrouw misschien een nieuw kind heeft; want zij moest verder leven, zij moest misschien haar lichaam aanbieden om te overleven, of om makkelijker naar de gevangenis te kunnen komen. Ze leggen die mannen uit dat de vrouwen moeten aanvaarden dat hun mannen gemoord hebben, dat ze vreselijk fout zaten, maar de mannen moeten dan op hun beurt bepaalde gebeurtenissen in het privé leven van de vrouw kunnen aanvaarden

De aanwezigheid van verwanten van de moordenaars is bijzonder belangrijk. Want ook zij moeten het verleden leren verteren, en opzij schuiven om een nieuwe strat te kunnen maken. Suzanne citeert een vrouw van een genocideur:" Ik kan toch aan mijn zoontje niet zeggen dat zijn vader een (massa)moordenaar is want dat kweekt hij een levenslange haat tegen zijn vader. Ik kan toch aan mijn zoontje niet zeggen dat zijn vader onschuldig in de gevangenis zit want dan kweekt hij een levenslange haat tegen het huidige bestel."

Als ik haar over het boek van Jean Hatzfeld vertel - dat ons de genocide laat zien door moordenaars aan het woord te laten (zie korte bespreking hieronder) – en over de druk van de ‘gemeenschap’ om de Tutsi’s op te jagen en te vermoorden, beaamt ze fel het verschil tussen organisatoren en uitvoerders van de genocide.

"Inderdaad", stelt ze scherp, " bij de mensen die wij aanspreken gaat het om de uitvoerders van de moordpartijen, niet om de bedenkers en echte organisatoren. De grote verantwoordelijken zitten in het buitenland aan rijk gevulde tafels lekker vlees te eten. In de gevangenissen bij ons zijn er zovelen die nu al ettelijke jaren vast zitten, en dus op zich al een straf hebben gehad. Ze hebben om "vergeven" gevraagd. Laat ons als samenleving die ingesteldheid als startbasis gebruiken voor een vernieuwde zoektocht om die gruwel samen te boven te komen."

Vrede DOOR:

Deel dit artikel