Sluimerend conflict in Libanon

Van 1975 tot 1990 woedde een wrede burgeroorlog in Libanon. De oorzaak ervan was niet eenduidig, maar de verschillende factoren die mee aan de basis lagen, zijn nog altijd aanwezig in de hedendaagse Libanese maatschappij. De actuele situatie wordt duidelijker als we ze in een historisch en contextueel kader plaatsen.
ETNISCH-RELIGIEUZE PUZZEL Libanon maakte tijdens het Ottomaanse rijk deel uit van de provincie Syrië. Na de val van het Ottomaanse rijk werd het een Frans mandaatgebied. In 1943 verwierf het kleine bergachtige landje zijn onafhankelijkheid. Tientallen sterk op zichzelf georganiseerde religieuze minderheden werden op een kunstmatige manier samengebracht in één staatsverband. De Libanese samenleving was, en is nog altijd, zeer verzuild. De verschillende religieuze gemeenschappen zijn extreem gesloten en hebben aan de basis quasi geen onderlinge contacten. Elke gemeenschap beschikt over eigen scholen, verenigingen, ziekenhuizen, partijen, gewapende milities, enzovoort. Het vormen van een centrale macht waarin alle gemeenschappen vertegenwoordigd waren, was geen sinecure. Op basis van een volkstelling uit 1932 werd een gecompliceerde sektarische verdeelsleutel ingevoerd die geldig was voor de regering, het parlement, het leger en de administratie. De telling toonde aan dat de belangrijkste religieuze groepen van groot naar klein de volgende waren: maronitische christenen, soennitische moslims, sjiietische moslims, Grieks-orthodoxen, druzen,.... Al deze sektes kregen naar gelang het aantal mensen ze vertegenwoordigden bijvoorbeeld een bepaald aantal zetels in het parlement toegewezen. Vermits de maronieten de grootste bevolkingsgroep vormden in 1932, werd vastgelegd dat het presidentsambt altijd door een maroniet ingevuld moest worden. Het premierschap werd voorbehouden aan een soenniet en de voorzitter van het parlement moest een sjiiet zijn. Deze sektarisch-confessionele evenwichtsoefening werd volledig uitgewerkt in het 'Nationaal Pact' (1943), dat de basis vormde voor het moderne politieke systeem van Libanon. Het Nationaal Pact was echter een statische verdeelsleutel die niet mee evolueerde met de demografische veranderingen binnen de Libanese maatschappij. Terwijl in 1932 nog ongeveer 51,2 % van de bevolking christelijk was, daalde dit cijfer tot 37,4% in 1975. Concreet waren de christenen via de machtsverdeling volgens het Nationaal Pact dus oververtegenwoordigd in het hele politieke bestel. De christenen weigerden echter een nieuwe volkstelling te houden en de politieke machtsverhoudingen bleven tot aan de burgeroorlog van 1975 gebaseerd op de telling van 1932. In de praktijk was er tegen het begin van de jaren zeventig wel een geleidelijke reële machtsverschuiving merkbaar in de richting van de moslims. Zo verwierf de soennitische premier meer gezag ten koste van de maronitische president. Ook binnen de overheidsdiensten evolueerde men van een christelijke dominantie naar een meer gelijke verdeling van de macht. Maar het dient te worden opgemerkt dat dit geen structurele machtsverschuiving was. Bovendien hield de christelijke overmacht binnen het leger wel stand. Een andere belangrijke vaststelling is dat de moslims wel relatief meer macht verkregen ten opzichte van de christenen, maar dat die macht hoofdzakelijk naar de beter opgeleide soennitische moslims ging, terwijl de sjiieten ondertussen eigenlijk het talrijkst waren geworden. Het staat vast dat deze scheefgegroeide politieke situatie één van de belangrijke oorzaken was van de verwoestende Libanese burgeroorlog. De maronitische christenen waren bang dat ze aan macht zouden moeten inboeten. Ze organiseerden zich in allerlei milities(de Falangistische Strijdkrachten, de Tijgers, de Marada-brigade) en raakten slaags met verschillende rivaliserende moslimgroeperingen. Toch kan de Libanese burgeroorlog niet simpelweg samengevat worden als een conflict tussen moslims en christenen. Er was ook onderlinge onenigheid. Zo waren er bijvoorbeeld conflicten tussen de maronieten en de Grieks-orthodoxen, en werden er eeuwenoude clanvetes uitgevochten binnen de geloofsgroepen zelf. Onder impuls van de Arabische Liga werden in 1989 de akkoorden van Taif ondertekend. Dit betekende het officiële einde van de burgeroorlog. In het vredesplan werd vastgelegd dat de centrale macht voortaan gelijk verdeeld zou worden onder moslims en christenen. Vermits momenteel al 70% van de bevolking moslim is, valt het nog af te wachten hoe lang deze statische fifty-fifty afspraak voor iedereen aanvaardbaar zal blijven. De onderlinge vijandigheid blijft immers aanwezig in de Libanese samenleving en het bereikte politieke machtsevenwicht is broos. BUITENLANDSE INMENGING Buitenlandse factoren hebben altijd al een zeer bepalende en polariserende invloed gehad op de Libanese maatschappij. De maronitische christenen waren al van voor de oprichting van de staat Libanon sterk gericht op het Westen en in het bijzonder op Frankrijk. De moslimgemeenschappen lonkten dan weer naar het grotere Syrië. Een deel van het Nationaal Pact uit 1943 werd gewijd aan de internationale positionering van de nieuwe staat Libanon. Neutraliteit was de afspraak. De christenen accepteerden Libanon als een onafhankelijke en soevereine staat binnen de Arabische wereld, en beloofden geen buitenlandse troepen in het land te dulden. De moslims mochten het land niet in de richting van andere Arabische landen stuwen en zouden geen unie met Syrië nastreven. Toch is er in de praktijk nooit iets in huis gekomen van de zogenaamde onpartijdigheid ten opzichte van buitenlandse machten die beschreven staat in het Nationaal Pact. In 1958 riep de toenmalige Libanese maronitische president Charoun zelfs de hulp in van Amerikaanse troepen om het protest tegen zijn pro-Westerse houding te onderdrukken. De christelijke gemeenschappen bleven pro-Westerse gevoelens koesteren en onder invloed van Nasser laaiden de pan-arabische sentimenten hoog op bij de moslims. De buitenlandse machten van hun kant hebben zich ook altijd actief gemengd in de Libanese aangelegenheden. Buurlanden Syrië en Israël bemoeiden zich actief met het verloop van de Libanese burgeroorlog. Israël viel Libanon binnen in 1982. Beiroet, toen één van de belangrijkste culturele hoofdsteden van de Arabische wereld, werd quasi volledig vernietigd. In 1985 trokken de Israëlische troepen zich terug naar een zelfverklaarde veiligheidszone die ze pas in 2000 verlieten. Syrië mengde zich in 1976 in de burgeroorlog, weliswaar op vraag van de Libanese president. Machtsverschuivingen tijdens de burgeroorlog stelden de Syrische leiders in staat om hun greep op de Libanese samenleving te vergroten. Er werd een pro-Syrische regering geïnstalleerd. In 1991 ondertekenden de presidenten van Libanon en Syrië een 'broederschaps- en samenwerkingsverdrag'. De volgende jaren ondertekenden beide buurlanden nog meer akkoorden waardoor de Syrische dominantie over de Libanese maatschappij werd geformaliseerd. Tot vandaag heeft Syrië een bepalende invloed op bijna alle aspecten van de Libanese samenleving, zo ook op de binnenlandse- en buitenlandse politiek van het land. Tegenstanders van de pro-Syrische koers worden trouwens systematisch monddood gemaakt. Momenteel heeft Syrië, met een troepenmacht van ongeveer 16.000 man, nog altijd een aanzienlijke militaire aanwezigheid in Libanon.Het feit dat Libanon openlijk afgestapt is van het neutraliteitsprincipe zorgt natuurlijk voor een permanente bron van ongenoegen bij een heel segment van de bevolking, specifiek bij de christelijke gemeenschap. De stabiliteit in Libanon en het bereikte machtsevenwicht lijken in belangrijke mate in stand te worden gehouden door Syrië. INVLOED VAN DE PALESTIJNSE KWESTIE Een andere niet-Libanese factor die een bepalende invloed heeft gehad op het uitbreken en het verloop van de oorlog is de Palestijnse aanwezigheid in Zuid-Libanon. In de loop van de geschiedenis van het Palestijns-Israëlisch conflict zijn er vele Palestijnse vluchtelingen, waaronder heel wat verzetsstrijders, in Libanon terechtgekomen. Vooral toen de PLO in het begin van de jaren zeventig gewapenderhand uit Jordanië werd verdreven stroomden duizenden verzetsstrijders toe. Vanuit Zuid-Libanon vielen de Palestijnen Israëlische doelwitten aan. Het Israëlische leger reageerde hierop door vergeldingsacties uit te voeren op de Palestijnse bases en vluchtelingenkampen in Libanon. Regelmatig werd ook de Zuid-Libanese bevolking het slachtoffer van de Israëlische militaire acties. De moslimgemeenschappen in Libanon steunden de Palestijnen in hun strijd, maar de maronieten voelden zich bedreigd door de militaire slagkracht van de islamitische PLO-strijders. Ze reageerden door hun privé-milities uit te breiden en extra te bewapenen. Tijdens de burgeroorlog konden de Libanese moslims rekenen op de steun van de Palestijnen die in het land verbleven. De Israëli's steunden op hun beurt de christelijke milities omdat ze af wilden geraken van de Palestijnen die voor hen een permanente bedreiging vormden. Momenteel leven er nog altijd ongeveer 456.824 Palestijnen in Libanon onder het statuut van 'niet-permanente bewoner'. De meeste van hen verblijven er in vluchtelingenkampen en hebben amper rechten. Het feit op zich dat ze daar zijn, zorgt bij de christelijke gemeenschap voor een permanente gespannen sfeer omdat de Palestijnen het overwicht van de moslims in het land nog vergroten. In het Zuiden van Libanon is de rust vandaag nog altijd niet helemaal teruggekeerd. De Libanese regering is zelf te zwak om er de centrale macht volledig te herstellen. De Hezbollah, een Palestijnse verzetsorganisatie die gesteund wordt door Iran, is er bijvoorbeeld nog steeds gewapend en actief. Syrië zou de Hezbollah met gemak kunnen uitschakelen, maar doet dit niet omdat het op deze manier een stok achter de deur kan houden bij eventuele vredesonderhandelingen met Israël. Een latente conflictsituatie wordt op die manier bewust in stand gehouden. SOCIAAL-ECONOMISCHE INVALSHOEK Zoals bij de meeste gewelddadige conflicten, moet één van de belangrijkste oorzaken van de Libanese burgeroorlog gevonden worden in achterstelling en armoede. De religieuze breuklijnen binnen de Libanese bevolking vallen namelijk min of meer samen met een ongelijke verdeling van de welvaart. De christenen zijn veel rijker (handelsklasse) dan de moslims (arbeiders, boeren) en bij de moslims onderling ligt het welvaartspijl van de sjiieten dan weer een stuk lager dan bij de soennieten. Vele arme sjiieten migreerden voor de oorlog vanuit het Zuidelijke platteland naar de steden (vaak ook uit angst voor de Israëlische militaire acties). Daar kwamen ze terecht in sloppenwijken en werden ze geconfronteerd met de stedelijke rijkdom. Sociaal-economische tegenstellingen bleken tijdens de burgeroorlog zeer mobiliserend. De aanslepende oorlog vernietigde de volledige economische basis van Libanon, dat voordien bekend stond als een belangrijk financieel en commercieel centrum in het Midden-Oosten. De naoorlogse pogingen om de economie terug op de rails te krijgen zijn echter allerminst gericht op het streven naar een grotere sociaal-economische rechtvaardigheid. De wederopbouw van Libanon, gefinancierd met enorme binnenlandse en buitenlandse leningen beperkt zich hoofdzakelijk tot de materiële herstelling van gebouwen en het opzetten prestigeprojecten in de hoofdstad. Van het geld dat tussen 1992 en 1998 geïnvesteerd werd in de reconstructie van het land is slechts 13% naar de sociale sector gegaan, terwijl infrastructuurwerken ruim 68% van het gebruikte budget in beslag namen. Industrie, landbouw en irrigatiewerken kregen zelfs maar 0,8% van het beschikbare geld toegewezen. Het resultaat hiervan is een werkloosheidscijfer van 18%. De volledige liberalisering van de economie heeft er verder voor gezorgd dat 4% van de Libanezen in het bezit is van alle rijkdommen van het land, terwijl 28% van de bevolking onder de armoedegrens leeft. Sociaal-economische tegenstellingen, al of niet parallel lopend met sektarische lijnen, zijn er alleen maar groter op geworden. Deze situatie heeft in combinatie met berichten over de corrupte praktijken van de Libanese leiders, al herhaaldelijk tot gewelddadige straatprotesten geleid. Sociale onrust zou wel eens de oorzaak kunnen zijn van een nieuwe golf van geweld, zeker als het sociaal protest de rigide grenzen van de verschillende sektes zou overstijgen. De belangrijkste elementen die een bepalende invloed hebben gehad op het uitbreken van de burgeroorlog zijn vandaag nog allemaal aanwezig in de Libanese maatschappij. Geen enkele constructieve oplossing heeft zich tot nu toe aangediend, integendeel. Het feit dat fundamentele conflictlijnen niet verdwenen zijn hoeft niet noodzakelijk opnieuw te leiden tot een langdurig gewelddadig conflict, maar het verhoogde risico op een explosie blijft wel reëel. www.vrede.be Soetkin Van Muylem LIBANON Hoofdstad: Beiroet Oppervlakte: 10.400 km² Aantal inwoners: 3,7 miljoen inwoners Officiële taal: Arabisch Etnische groepen: 95% Arabieren, 4% Armeniërs, 1% andere Religieuze groepen: +/- 30% christenen (maronieten, Grieks-orthodoxen) en +/- 70% moslims (soennieten, sjiieten, druzen, alawieten) Levensverwachting: 74 jaar (72 jaar bij mannen en 75 jaar bij vrouwen) Geletterdheid: 86% President: Generaal Emile Lahoud Eerste minister: Rafiq al-Hariri Bronnen: SALAMÉ-HARDY, 'Quel avenir pour les 'oubliés' de la reconstruction?', Arabies, oktober 1998, pp. 32-38. VANDER WEYDEN (Patrick), Libanon een nieuwe ordening?, 2000. The World Guide 2003/2004, New International Publications, 2003.
Vrede DOOR:

Deel dit artikel