Tweede Internationale Bananenconferentie wil neerwaartse spiraal stoppen

De internationale bananensector kenmerkt zich de laatste jaren door een ware “race to the bottom.” Om deze tendens een halt toe te roepen en voor de verschillende problemen waarmee de sector kampt een oplossing te zoeken, wordt van 28 tot 30 april in het Vlaams Parlement in Brussel de Tweede Internationale Bananenconferentie georganiseerd.

De organisatoren zijn COLSIBA, WINFA, EUROBAN, UITA  en US/LEAP. COLSIBA is de coordinerende organisatie van Latijnsamerikaanse bananenvakbonden, WINFA de Carribische Landbouwersvereniging, EUROBAN het Europees Bananen-Actienetwerk, UITA de Internationale Unie van Arbeid(st)ers uit de Voeding, Landbouw, Horeca, Tabaksindustrie en Verwante Sectoren, en US/LEAP het Project van de Verenigde Staten voor Arbeidseducatie op het Amerikaanse continent.
Zo zullen ze proberen in overleg met de betrokken regeringen en bananenbedrijven garanties te bekomen voor het respecteren van de arbeidsrechten en de loonnormen in de sector. Tevens staan de overproductie en de prijsstabilisering op de agenda. De verbetering van de milieunormen en de rol van de vrouwen in de productieketen komen eveneens aan bod, alsook een evaluatie van de verschillende initiatieven rond eerlijke handel en sociale garanties. De conferentie zou ook voor de oprichting van een permanent overlegorgaan tussen de verschillende actoren moeten zorgen. Twistpunt wordt ongetwijfeld het nieuw Europees importsysteem voor bananen, met het oog op duurzame productie en handel.

Structuur van de internationale bananenmarkt

Vijf bedrijven domineren de internationale bananenmarkt: Dole en Chiquita, beide uit de VS en elk goed voor ruim een kwart van de wereldhandel, de Chileens-Noordamerikaanse groep Del Monte (15 %), het Ecuadoriaanse bedrijf Noboa (11 %, en meer dan een derde van de export uit Equador), en het Ierse Fyffes (7 à 8 %). Deze laatste controleert om en bij de 20 % van de Europese markt en neemt daarmee in de regio een tweede plaats in (na Chiquita), maar heeft zelf geen productie.

Deze bedrijven hebben door een verticale structuur: zowel de productie (direct of via onderaanneming), het zeetransport, de rijpingsinstallaties en de distributienetwerken in de consumptielanden zijn in hun handen. De macht van de grote bananenbedrijven is dan ook sinds lange tijd groot. Zo konden ze de concurrentie tussen de bananenexporterende landen in de hand werken en regeringen verplichten om bepaalde tax- en tariefsystemen, voorkeurstoegang tot leningen en verregaande deregulering van sociale en ecologische wetgeving te aanvaarden.

In 1992 bijvoorbeeld, toen Panama een verhoging van het minimumloon wou doorvoeren, dreigde Chiquita contracten met lokale producenten op te heffen, waardoor de loonsverhoging er niet kwam. Ook lag Chiquita aan de basis van de klacht van de VS bij de WTO, toen de EU haar bananenimportregime wou wijzigen in de jaren negentig. En ondanks de persnota van 17 januari 2005, waarin Chiquita stelt dat al haar plantages in Latijns-Amerika nu aan de “Social Accountability 8000 labor and human rights standard” maatstaf voldoen (die expliciet de vrijheid tot onderhandeling van collectieve arbeidsovereenkomsten garandeert), duurt de onderhandeling voor een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst in de Tela Railroad Company in Honduras, één van haar dochterbedrijven, bijna twee jaar.

De laatste jaren domineren winkelketens echter steeds meer de markt, door hun grote onderhandelingsmacht met de transnationale producenten.. De overproductie en de lagere lonen op de plantages vergemakkelijken daarenboven hun onderhandelingspositie. Tussen de 30 en 40 procent van de winstmarges op in Honduras geproduceerde bananen gaat naar deze winkelketens. Andere landen vertonen vergelijkbare cijfers.

Toch blijven de grote bananenproducenten machtig. De bananenexport, in dollars uitgedrukt, van de drie grootste exporteurs – Dole, Chiquita en Del Monte – is groter dan de totale export van geheel Afrika en de Caraïben, alle sectoren inbegrepen.

Slechts twaalf procent van de door ons betaalde consumptieprijs blijft in het land van productie, slechts vijf tot tien procent ervan gaat naar de kleine producenten en aan de arbeid(st)ers op de plantages wordt nauwelijks één tot twee procent van die prijs uitbetaald.

Arbeidsrechten, gezondheid, pesticiden en milieu

Negentig procent van de op de wereldmarkt verhandelde bananen wordt geproduceerd op plantages in Latijns Amerika, West Afrika en de Fillippijnen. De productiewijze is zeer intensief, met grootschalig gebruik van chemicaliën. Deze monocultuur is dan ook sterk afhankelijk van pesticides.

De arbeidsomstandigheden op de plantages zijn vaak erbarmelijk. De lonen zijn in veel landen zo laag dat de arbeiders zelfs niet aan de meest noodzakelijke behoeften van hun familie kunnen voldoen. De werkdagen zijn vaak zeer lang. Zelden wordt de arbeid(st)ers de vrijheid toegestaan zich in onafhankelijke vakbonden te organiseren. De bestaande vakbonden liggen voortdurend onder vuur van de lokale producenten en de transnationale bananenbedrijven. Ontslagen, sluitingen van plantages, boycot van onderhandelingen voor collectieve arbeidsovereenkomsten, rechterlijke vervolging en soms zelfs geweld vormen het lot van vele vakbondsmilitanten. De tendens tot onderaanneming, waardoor de verantwoordelijkheid voor de arbeidsrechten op de rug van de lokale producenten kan worden afgeschoven, versterken deze neerwaartse spiraal nog.

Gevaarlijke pesticiden

Arbeid(st)ers die in de jaren zestig en zeventig op de Noordamerikaanse bananenplantages in Nicaragua werkten, werden jaren lang blootgesteld aan de dodelijke pesticide Nemagon. Duizenden onder hen zijn ziek geworden en het dodenaantal tengevolge van het gebruik van Nemagon in Nicaragua ligt op 842.  Anno 2005 eisen de arbeid(st)ers van de Nicaraguaanse regering een compensatie. Onder meer in Italië worden solidariteitsacties ondernomen om de strijd van de door Nemagon aangetaste arbeid(st)ers te ondersteunen.

De verschillende vakbonden van de in Honduras gelegen Chiquitaplantages hebben eind vorig jaar van het bedrijf geëist niet langer chemisch geimpregneerde zakken ter bescherming van de bananen voor de Noordamerikaanse markt te gebruiken. Het chemisch middel dat gebruikt wordt, Clorpirifos, mag volgens experts niet zonder de gepaste bescherming in contact komen met de arbeid(st)ers op de plantages.

In de regio El Turbo in Colombia wordt een pilootproject uitgevoerd om het gebruik van agrochemische bestrijdingsmiddelen in de bananenproductie met dertig procent te verminderen. De gebruikte technieken verhogen de resistentie van de planten zonder de productiviteit aan te tasten en hebben daarenboven positieve milieu-effecten: fauna en flora worden beter beschermd en de ontbossing wordt, aldus wetenschappelijk onderzoek, teruggebracht tot een vijftig procent.

De bananenoorlog

Tot 1993 wordt de bananenimport in Europa geregeld via nationale importsystemen. Een gedeelte wordt via tariefvrije import uit de voormalige kolonies en overzeese nationale gebieden afgenomen. Daarnaast komen dollarbananen de regio binnen met een invoertaks van 20 %. Duitsland als enige hanteert de principes van vrijhandel en importeert taksvrij.

Met het verdwijnen van de grenzen binnen de Europese Unie en de Europese Eengemaakte Markt vanaf januari 1993, moest naar een geharmoniseerd systeem worden gezocht. Op 1 juli 1993 komt de ‘Common Organisation of the Market in Bananas’ (COMB), ook het Europees Bananenregime genoemd, tot stand.

Het was een complexe opgave een compromis te zoeken dat alle betrokkenen bevredigde. Tegelijkertijd moest zowel de productie binnen de EU als die in de ACP-landen worden beschermd en tevens moesten betaalbare bananen op de markt worden aangeboden. De productieprijs in de ACP-landen – de Conventie van Lomé, een akkoord rond handel en hulp tussen de Europese Unie en 48 ex-kolonies uit Afrika, de Caraïben en de Stille Oceaan (ACP) voorzag taksvrije uitvoer naar Europa van een aantal basisproducten waarvan deze landen sterk economisch afhankelijk waren – lag dubbel zo hoog als die van de dollarbananen, die van de productie binnen de EU drie maal zo hoog. Enkel op een beschermde markt konden zij verkopen.

Vandaar dat de Europese Unie met een systeem van tarieven en quota’s op de proppen kwam, aangevuld met een systeem van directe steun voor haar eigen producenten. Het resultaat was een Europese consumptieprijs die ver boven de wereldprijs lag. Dat maakt de Europese markt aantrekkelijk voor producenten.

De ACP- en EU-bananen krijgen voorkeurstoegang. De twaalf traditioneel bananenproducerende ACP-landen mogen zonder invoertaks jaarlijks zo’n 857 miljoen ton invoeren. De Europese producenten kunnen tot een maximum van 854 miljoen ton rekenen op subsidies bij te lage prijzen. Zonder dergelijke bescherming zou de productie in de meeste van deze gebieden niet overleefd hebben.

De dollarbananen – bananen uit Centraal en Zuid Amerika, zo genoemd naar de grote transnationale bedrijven uit de VS die zo’n 60 % van de bananenexport uit de regio controleren – betalen (vanaf 1994) 75 euro per ton invoertaks en mogen jaarlijks ruim twee miljoen ton invoeren, waarvan de helft verdeeld wordt tussen Costa Rica, Colombia, Nicaragua en Venezuela.

In 1993 reeds dient de VS een klacht in bij GATT (General Agreement on Tariffs and Trade), waarbij het nationaal importregime wordt veroordeeld. Een tweede klacht in 1994 stelt dat het nieuwe Europees Bananenregime bepaalde GATT-leden discrimineert. Tegelijkertijd worden ook in Europa, vooral vanuit Duitsland, klachten ingediend tegen het nieuwe systeem.

In 1996, een jaar na het oprichten van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), dienen vijf landen – Honduras, Guatemala, Ecuador, Mexico en de VS – een klacht in wegens discriminerende elementen in het Europees Bananenregime. Zij vinden dat ze te weinig toegang tot de Europese markt hebben. De VS verdedigt er de belangen van haar transnationale bedrijven, in het bijzonder Chiquita Brands International.

De WTO beslist in 1997 dat de EU voorkeursregelingen met de ACP-landen mag behouden, maar de methode van toewijzing van licenties (nodig voor export) en de nationale ACP-quota’s moet herzien, en krijgt daarvoor 15 maanden. De voornaamste hervormingen die de EU, onder druk, doorvoert, omvatten de toewijzing van 90 % van de dollarbananenquota aan de vier grootste toeleveraars (Ecuador, Costa Rica, Colombia en Panama), het verdwijnen van exportcertificaten en de vereenvoudiging van de toekenning van licenties, het opheffen van nationale ACP-quota en een aanpassing van het Europese subsidiesysteem.

Ecuador, nog steeds ontevreden, dient een nieuwe klacht in bij de WTO. De VS, onder druk van Chiquita, kondigt in 1999 eenzijdige handelssancties af tegen Europese producten, voor een waarde van 191 miljoen dollar per jaar. De WTO oordeelt de klacht van Ecuador gegrond en de EU heeft opnieuw 15 maanden om haar beleid aan te passen. Ecuador, het wachten moe, krijgt toestemming handelssancties tegen de EU af te kondigen, maar probeert daarentegen een groter aandeel van de Europese markt te veroveren.

Het duurt uiteindelijk tot 2001 voor een overeenkomst met Ecuador en de VS bereikt wordt. De nationale dollarquota verdwijnen en worden vervangen door licenties (gebaseerd op de export tussen 1994-’96), 17 % van de dollarquota worden aan niet-traditionele operatoren (die nog niet produceerden in de referentieperiode) toegekend, in 2002 gaan 100.000 ton van ACP-quota naar de dollarquota, en op 1 januari 2006 moet dit systeem worden vervangen door een systeem dat enkel uit tarieven bestaat voor de dollarbananen, zonder quota noch licenties.

Na acht jaar hevige oppositie tegen het Europees bananenregime, toont Chiquita zich tevreden met deze laatste hervormingen. Aan Ecuador worden een groot deel van de licenties voor niet-traditionele producenten beloofd. Ondanks de preferentiële maatregelen voor Europese en ACP-bananen, stijgt de verkoop van bananen uit Latijns Amerika naar de EU tussen 1993 en 2002.

Het Nieuw Europees Importsysteem

In oktober vorig jaar lanceert de Europese Unie het voorstel voor een importregime dat 230 euro per ton invoertaksen (5 euro per doos van 18 kg) heft op bananen uit Latijns Amerika. Tot op heden was dat 75 euro per ton. De quota en de licenties vallen weg. De ACP-landen kunnen nog tot 2008 zonder invoertaksen naar de EU exporteren, waardoor hun productie voorlopig beschermd blijft. Op 31 januari 2005 wordt het Europese voorstel officieel aan de Wereldhandelsorganisatie gepresenteerd.

Verschillende Latijnsamerikaanse landen reageren door te stellen dat het nieuwe voorstel niet overeenstemt met de multilaterale compromissen van de EU om een invoertaks vast te leggen die op zijn minst de huidige toegang van de Latijnsamerikaanse banaan tot de Europese markt garandeert. Het tarief van 230 euro zou de export van bananen uit de Latijnsamerikaanse landen naar de Europese markt sterk in het gedrang brengen en hun economie ontwrichten.

“De invoertaks van 230 euro compenseert de quotaval – het beëindigen van het quotasysteem – die een prijzenval en een overstroming van de markt zal veroorzaken,” aldus German Zepeda, coordinator van COLSIBA, de Latijnsamerikaanse koepel van vakbonden uit de bananensector en tevens coördinator van COSIBAH, de Hondurese koepel van vakbonden uit de bananen- en agroindustriële sector en partner van FOS. “Op korte termijn zullen vooral Ecuador, Colombia, Panama en Costa Rica de negatieve gevolgen van een dergelijk taksensysteem ondergaan. Panama exporteert 93 % van haar productie naar Europa, en zal dus het eerste land zijn dat getroffen wordt door het nieuwe taksensysteem. Op middellange termijn zullen ook Nicaragua, Honduras en Guatemala eronder lijden, ten gevolge van een verzadiging van de markt, een lage wereldprijs en het overhevelen van een deel van hun export van Europa naar de Verenigde Staten, waar een lagere prijs wordt betaald. Zo’n vijftien procent van de bananenexport uit Honduras en Nicaragua gaat momenteel richting Europa, afhankelijk van het seizoen.” Volgens Zepeda zal het voorstel van 230 euro per ton echter wellicht niet doorgevoerd worden. “Realistischer is een taks van zo’n 120 euro, die evenwel eveneens voor een spectaculaire invoer zou zorgen.”

Drie Europese landen produceren bananen: Spanje (Canarische Eilanden), Portugal (Madeira) en Frankrijk (Martinique en Guadeloupe). In november zat Zepeda samen met producenten uit de Canarische Eilanden. “Als de Europese invoertaksen te laag zijn, worden er te grote hoeveelheden geïmporteerd en gaat de prijs dalen, eveneens voor de Canarische producenten. Als de invoertaksen te hoog zijn, hebben die een aanzienlijke impact op de Latijnsamerikaanse producenten.” Alles samen gaat zo’n 65 % van de Latijnsamerikaanse bananenexport richting Europa.

“De Caribische bananen kosten 9 dollar per doos in productiekosten alleen. Voor net iets meer komt de Latijnsamerikaanse banaan al op de Europese markt. De productiekosten in de Caraïben liggen hoger, de productiviteit lager (in dozen per hectare). De productie gebeurt er op kleine plantages. Ze kampen ook met een lagere kwaliteit. Onder kwaliteit verstaat men – in de terminologie van de grote bananenproducenten – de productie van identieke bananen, met een constant gewicht en kleur, en zonder vlekken. Kleine producenten hebben vaak problemen met de ‘kwaliteitsnormen’, wegens de hoge kostprijs (schaalvoordelen). Toch zijn de caribische bananen lekker, is de productie duurzaam en worden er weinig chemische middelen gebruikt”, aldus Zepeda. “Het aantal producenten op de Caraïben daalde echter met meer dan de helft op tien jaar tijd (22.000 naar 10.000 producenten). Dit wijst erop dat het Europese protectionistische systeem (ACP) geen uitweg biedt voor deze producenten”.

“De Europese Unie investeert daarnaast in de Afrikaanse bananenproductie in Ghana, Kameroen en Ivoorkust. Nieuwe productiesystemen worden er geïmplementeerd, waardoor de sector er een sterke groei kent. In Azië wordt op grotere schaal geproduceerd. Het voorbeeld van Viëtnam voor de koffieproductie is hierbij tekenend. Hun productie werkte een wereldwijde crisis in de koffiesector in de hand. In Azie wordt echter hoofdzakelijk voor de interne markt geproduceerd, met als belangrijkste uitzondering de Fillippijnen”.

De Latijnsamerikaanse landen aanvaarden het huidige systeem – quota en tarief van 75 euro – indien het geleidelijk in volledige vrijhandel overgaat. Maar, zo stelt German Zepeda, “dan is de overproductie nog niet onder controle. Alhoewel het huidige systeem in 1993 nefast leek voor de Latijnsamerikaanse bananenproductie, lijkt het momenteel de beste optie bij het huidige systeem te blijven. De quota van 1993 lieten toe het productievolume en de prijs onder controle te houden. Momenteel betaalt een land dat haar quota overschrijdt 600 euro per ton invoertaksen.”

COLSIBA stelt voor om voorlopig het huidige systeem te behouden (75 dollar per ton invoertaks) tot er een beter voorstel is. Op termijn willen ze komen tot een systeem van gedifferentieerde taksen op basis van sociale criteria. Dit impliceert dat wie de arbeidsrechten respecteert tegen voordeliger tarieven op de Europese markt kan verkopen. Deze sociale criteria gaan verder dan de – onderling ook al eens sterk verschillende – criteria voor eerlijke handel. Het respect voor de nationaal en internationaal vastgelegde arbeidswetgevingen, het expliciete recht op vakbondsorganisatie en onderhandeling van collectieve arbeidsovereenkomsten moeten worden gegarandeerd.

De Caribische producenten hebben zich achter het voorstel van COLSIBA geschaard. COLSIBA heeft ook een strategische alliantie met EUROBAN gesloten in het kader van het taksensysteem, van internationale aanklachten, campagnes en beleidsbeïnvloedend werk bij Europese regeringen, zoals via Bananalink in Groot Brittannië. Ook met de verschillende organisaties die rond eerlijke handel werken, zijn er constructieve gesprekken aan de gang.

In Belgie werd het door sp.a fractieleider Dirk Van der Maelen ingediende wetsvoorstel voor sociale zegels reeds goedgekeurd. Hierdoor kunnen bedrijven die aantoonbaar de arbeidsrechten respecteren op voorkeursbehandeling rekenen. De wet heeft echter tot op heden geringe impact gehad. Een bredere toepassing binnen de Europese context is nodig wil deze sociale variant van de eerlijke handel voet aan de grond krijgen. Op termijn zou deze regulering ook een oplossing bieden voor de overproductie, daar bedrijven die de arbeidsrechten niet respecteren het steeds moeilijker zouden krijgen om hun pruducten aan de man te krijgen. Een sociale concurrentieslag die ten goede komt aan de honderduizenden plantagearbeid(st)ers.

De meningen van de verschillende Noordamerikaanse transnationale bedrijven omtrent de Europese invoertaks verschillen: Dole en Del Monte zijn voorstander van vrijhandel (zonder quota’s en zonder taksen), Chiquita wil het huidig systeem (quota’s en licenties) behouden. De Verenigde Staten – als overheid – blijven op de achtergrond bij de discussies rond het doanetarief van de Europese Unie. In de laatste akkoorden werd Chiquita bevoordeeld.

De regeringen in Latijns Amerika, in tegenstelling tot de transnationale bananenproducenten, hebben geen duidelijke politiek wat betreft de bananenproductie. In Ecuador is er tevens een meningsverschil tussen de producenten en de regering. De regering alsook Noboa scharen zich achter het voorstel van COLSIBA. Noboa, de belangrijkste producent in Ecuador en wereldspeler op de bananenmarkt, heeft reeds licenties voor de bananenproductie en verkiest vrijhandel boven een taksensysteem. De kleine producenten in Ecuador verwerpen het huidige systeem. Ze beschouwen de verkoop van licenties als corrupt.

Ecuador, Costa Rica, Colombia, Honduras, Panama, Guatemala en Nicaragua dienen uiteindelijk in maart een verzoek tot arbitrage in bij de Wereldhandelsorganisatie. Daarbij vragen ze te bepalen of het tarief van 230 euro al dan niet legaal is, en of dit tarief al dan niet toelaat het Latijnsamerikaans aandeel op de Europese markt te behouden.

De Tweede Internationale Bananenconferentie heeft als grote uitdaging rond deze twistpunten een compromis te bereiken. De internationale bananenproductie en –handel bespreken tussen de betrokken regeringen, de producenten, wetenschappers, coöperatieven en de organisaties die de werknemers of consumenten vertegenwoordigen, met aandacht voor alle aspecten van duurzame productie en handel, lijkt in ieder geval een beter alternatief dan een uitspraak van de Wereldhandelsorganisatie af te wachten.


Lieven Pype

FOS  Noord-Zuid-medewerker - Centraal Amerika

Deel dit artikel