Vraagtekens bij plan Armand De Decker

Minister van Ontwikkelingssamenwerking, Armand De Decker, wil in 2006 honderd jongeren tussen 20 en 30 jaar voor een eerste professionele ervaring uitzenden naar de 18 partnerlanden van de Belgische bilaterale samenwerking. Ook in de jaren nadien zouden telkens 100 jongeren uitgezonden worden.


We vinden het op zich belangrijk dat jonge mensen de kans krijgen voor dergelijke ervaring. Sinds enkele jaren zendt Broederlijk Delen jaarlijks 25 à 30 jongeren uit om zich als vrijwilliger of stagiair in te schakelen bij een van onze partnerorganisaties. Dergelijke inzetten betekenen niet alleen een belangrijke leerervaring voor de jongeren zelf. Ook voor de betrokken partnerorganisaties leveren zij belangrijke bijdragen als punctuele ondersteuning, voor onderzoek, als frisse externe kijk op en bevraging van de eigen praktijk en visie, ... Bovendien groeit internationale solidariteit volgens ons via in belangrijke mate via ontmoeting tussen mensen. Door hun ervaring in het Zuiden verbreden jongeren hun kijk, worden ze wereldburger en dragen ze bij tot het maatschappelijk draagvlak voor internationale solidariteit.

Toch willen we een aantal kanttekeningen maken bij het initiatief van Minister De Decker. De vraag rijst waarom de overheid plots dit initiatief neemt als de ngo's en andere gespecialiseerde organisaties al meer dan 30 jaar ervaring hebben met het uitzenden van vrijwilligers onder verschillende vormen. Jammer dat de minister geen boodschap heeft aan deze ervaring. Daar is echt wel wat uit te leren.

Het gaat er namelijk niet om om zoveel mogelijk jongeren op het vliegtuig te zetten. Het is vooral belangrijk dat dit gebeurt binnen een duidelijk kader van een partnerrelatie tussen de noordelijke en de zuidelijke organisaties. Met duidelijke afspraken in verband met opvang, omkadering, huisvesting, verplaatsingsmogelijkheden, taakinvulling, plaats binnen het lokale team, ... In de mate dat ngo's bij dit nieuwe initiatief zouden betrokken zijn, mag het zich ook niet beperken tot de 18 concentratielanden van de Belgische overheid. Waarom zouden we geen mensen uitzenden naar Burkina Faso als we daar ook degelijke relaties met stevige organisaties hebben?

We stellen ons grote vragen bij het vooropgezette aantal. Broederlijk Delen kan jaarlijks slechts ongeveer 10% van de jongeren die zich kandidaat stellen ook echt een ervaring in het Zuiden aanbieden. Ondanks het feit dat we in het Zuiden samenwerken met ongeveer 250 organisaties en kunnen rekenen op 12 steunpunten overzee ligt de limiet op een 30-tal uitzendingen per jaar. Gewoon omdat de opvangcapaciteit van partnerorganisaties beperkt is. Niet alle organisaties hebben de (mentale en fysieke) ruimte en de mogelijkheden om een onervaren jongere op een zinvolle manier in te schakelen. We kunnen en mogen hen ook niet permanent "belasten" met zo'n inzet. Hoewel dergelijke inzetten dus onomstootbaar een bijdrage en ondersteuning kunnen betekenen voor de partnerorganisaties, ze vragen tegelijkertijd ook extra aandacht, omkadering en begeleiding. In een goede partnerrelatie is dit echter nooit een probleem, integendeel.

De vergoedingen die Minister De Decker voorziet voor deze jongeren zijn volgens ons onaanvaardbaar. Als alle voordelen worden samengeteld bestaat er grote kans dat deze jongeren beter vergoed worden dan ngo-coöperanten met beperkte ervaring, maar wel met een vast contract en voor een gespecialiseerde ondersteuning bij de partnerorganisatie. Als we de vergelijking maken met wat lokale stafmedewerkers in de landen in het Zuiden verdienen, dreigt het helemaal pervers te worden. Zo'n jonge en onervaren junior gaat meer verdienen dan ervaren lokaal personeel. Wij zijn van mening dat jongeren die voor dergelijke ervaring kiezen, bereid moeten zijn om ook zelf te investeren. De betrokkenen leveren een bijdrage voor de plaatselijke organisatie, maar het is voor hen ook een leertijd. Vaak gaat het om een eerste werkervaring, in een andere cultuur, in een vreemde context, in een vreemde taal, enz. Voor velen is het ook uitdrukkelijk een stap in hun carrièreplanning, een investering in de eigen toekomst. Het is voor ons dan maar vanzelfsprekend dat deze jongeren bereid zijn om ook financieel bijdragen voor deze "leertijd en investering in de eigen toekomst". Bovendien weerhoudt dit "toeristen" die op kosten van de overheid een stukje van de wereld willen zien.

Voor Minister De Decker kunnen jongeren tussen 20 en 30 jaar met minimaal een diploma secundair onderwijs van dit initiatief genieten. Wij pleiten voor een minimumleeftijd van 21 jaar. Voor 18-20 jarigen bestaan er aangepaste mogelijkheden binnen organisaties met jarenlange ervaring en uitgebalanceerde voorwaarden, zoals AFS, WEP, VIA, ... Men mag nooit veralgemenen, maar doorgaans geldt de regel: hoe jonger de leeftijd, hoe groter het belang van en de nood aan een intensieve en aangepaste opvang en omkadering ter plaatse én na terugkeer in eigen land.

Hiermee raken we een volgend pijnpunt: wat voorziet de minister als "terugkeertraject"? Jongeren die nu via ngo's, sociale organisaties of jeugdorganisaties vertrekken, worden bij terugkeer opgevangen door dit sociaal netwerk. Onze ervaring leert dat dergelijk opvang van cruciaal belang is. Zelfs dan moet er soms nog beroep gedaan worden op gespecialiseerde instanties. De onderdompeling in een vreemde cultuur, de confrontatie met armoede, met onmacht en uitzichtloosheid soms, met (gevolgen van) oorlog of natuurrampen, is voor sommigen inderdaad zo schokkend en ingrijpend dat ze er het noorden en zichzelf bij verliezen.

Ten slotte heeft de minister blijkbaar niet gedacht aan de omgekeerde richting. Mensen uit het Zuiden naar België halen om hier mee te draaien in ngo's en sociale organisaties, om op hun beurt te leren en tegelijkertijd een bijdrage te leveren vanuit hun ervaringen, om met een frisse externe kijk soms pertinente vragen te stellen is inderdaad niet vanzelfsprekend. Dit mochten we ook als organisatie al ervaren. Maar ook dit soort van zuid-noord uitwisseling is belanrijk zowel voor de direct betrokkenen als voor onze bredere samenleving. Misschien kan een besparing op de vergoeding van de noord-zuid vrijwilligers financiële ruimte vrij maken voor een eerste contingent zuid-noord vrijwilligers?

Deel dit artikel