Waarom de buitenlandse troepen niets meer te zoeken hebben in Afghanistan

In Duitsland eist de linkse oppositie dat de regering haar troepen terugtrekt uit Afghanistan. Aanleiding is de luchtaanval op tankwagens in Kunduz waarbij minstens 125 doden vielen en die er kwam op vraag van Duitse grondtroepen. Deze slachtpartij komt er amper enkele weken nadat Stanley McChrystal, de Amerikaanse bevelhebber in Afghanistan, het geweer van schouder wil veranderen door meer de nadruk te leggen op de bescherming van de burgerbevolking. In ons land eist de roodgroene oppositie eveneens een grondige strategiewissel door het accent te leggen op humanitaire actie. Maar in deze oorlog, die om te beginnen nooit had mogen gestart worden en waartegen we ons als vredesbeweging steeds hebben verzet, is het daarvoor wellicht te laat. Democratie, veiligheid en welvaart krijg je niet zomaar uit de loop van een geweer getoverd.

In de mainstream politiek wordt het debat gevoerd in termen van grotere militaire inspanningen (meer troepen) waarbij we ons moeten voorbereiden op een jarenlange aanwezigheid. Maar het lijkt er steeds meer op dat we hoe langer hoe minder zelf zullen kunnen bepalen welke strategie we moeten volgen. In Vietnam was die keuze er ook niet meer, omdat het verzet tegen de bezetting en een corrupte marionettenregering op toenemende steun van de bevolking kon rekenen, met een Amerikaanse militaire nederlaag als resultaat. In Afghanistan hebben de Sovjettroepen een gelijkaardig scenario moeten ondergaan en dat dreigt zich nu te herhalen.

 

Los daarvan stelt zich de vraag wat we daar nog überhaupt te zoeken hebben.

 

Het argument dat we de burgerbevolking moeten beschermen klinkt belachelijk in de oren. De Verenigde Naties rapporteren een stijgend aantal burgerdoden als gevolg van acties van zowel opstandelingen als proregeringstroepen. In de eerste helft van dit jaar waren de buitenlandse troepen en het Afghaanse leger verantwoordelijk voor 310 onschuldige slachtoffers. Vorig jaar bedroeg de tol 552 doden, een aantal dat dit jaar zeker zal overtroffen worden. Toch wordt het argument van de bescherming van de burgerbevolking in het Westen gretig geslikt. Maar wie zal de bevolking beschermen tegen de bezettingsmacht?

 

Een ander argument dat – hoe ongelooflijk ook - nog altijd wordt gebruikt, is dat we de Afghaanse democratie moeten beschermen. Welke democratie? Het wordt alsmaar duidelijker dat er tijdens de jongste verkiezingen op grote schaal werd gefraudeerd, niet in het minst ten voordele van de zittende president. Het land is bovendien door en door corrupt, vooral aan de politieke en economische top. Ook met de mensenrechten is het niet zo goed gesteld. De pers wordt aan banden gelegd en vrouwen zijn nog altijd het voorwerp van discriminerende wetgeving.

 

Economische welvaart brengen dan maar? Wel, de belangrijkste inkomstenbron van Afghanistan is opium, een gewas dat de boeren tenminste nog iets opbrengt, maar waarvan de teelt jarenlang is bestreden. Vorig jaar pakten minister van Defensie De Crem en toenmalig minister van Buitenlandse Zaken De Gucht uit met spectaculaire groeicijfers van het UNDP (het ontwikkelingsprogramma van de VN). Het gemiddelde jaarinkomen was gestegen van 683 $ (2002) naar 964 $ in 2005. Maar datzelfde rapport meldde ook een stijging van de armoede-index van 59,3 (2004) naar 62,3 (in 2007). M.a.w. een kleine elite profiteert van de investeringen, het daarop geïnde corruptiegeld en van geprivilegieerde zakenrelaties met Westerse reconstructiebedrijven. Nu blijkt zelfs dat de opstandelingen behoorlijk verdienen aan de commissies op ontwikkelingsgeld en –projecten. Kortom, we maken er een grote puinhoop van.


Blijft dan nog het oorspronkelijke en misschien wel belangrijkste argument: de oorlog tegen de terreur. Daar liep het al van meet af aan fout. Acht jaar Westers machtsvertoon heeft de Taliban en andere verzetsgroeperingen vooral sterker en populairder gemaakt in Afghanistan. Pakistan dreigt nu mee in de spiraal van geweld te worden gezogen. Maar wat je bijna nooit leest is de verpletterende verantwoordelijkheid van het Westen en zijn bondgenoten. Verschillende jaren konden de Taliban rekenen op de steun van de Pakistaanse geheime dienst en de geldstromen afkomstig van het religieus verwante Wahabitische koninkrijk, Saoedi-Arabië. De islamitische moedjahedeen, door VS-president Reagan nog als ‘vrijheidsstrijders’ bestempeld, kregen tijdens de Sovjetbezetting massa’s Amerikaanse wapens toegestopt. Zo belandden de beruchte Stinger-raketten in handen van de Taliban. De Amerikaanse regering zag er ook geen graten in om tot 6 weken voor 9/11 met de Taliban te onderhandelen over een project voor de ontsluiting van Centraal-Aziatische energiebronnen via een pijplijn over Afghaans grondgebied. Nooit is er toen aangedrongen op het verbeteren van de vrouwenrechten of het uitleveren van Osama Bin Laden en co, die toen nochtans al een en ander op hun kerfstok hadden.

 

Zelfs vanuit een louter opportunistische belangenpolitiek gezien, zijn er weinig argumenten te bedenken die een bezettingsmacht van dergelijke omvang kunnen rechtvaardigen. Het lot van de NAVO is deels verbonden aan de afloop van het Afghanistan-avontuur. Als het inderdaad om een testcase gaat voor de mondiale ambities van het trans-Atlantische bondgenootschap, dan ziet het er niet goed uit. We kunnen er nog het beste van maken door gauw een ‘elegante’ exit-strategie te bedenken, maar we zullen ons wel moeten reppen.

 

Ludo De Brabander

Deel dit artikel