Waarom Hariri gedood moest worden


Na de verwoestende zelfmoordaanslag die het leven kostte aan de Libanese ex-premier Rafik Hariri op maandag 14 februari in Beiroet, werd al gauw een beschuldigende vinger uitgestoken naar buurland Syrië.

De Syrië-connectie
Dat er onmiddellijk een link gelegd werd tussen de aanslag en Syrië, heeft alles te maken met de grote invloed die Damascus heeft op alle aspecten van de Libanese maatschappij. Al sinds 1976 is er een Syrische militaire aanwezigheid in Libanon. Op vraag van de Libanese president mengde Damascus zich toen in de burgeroorlog die het jaar ervoor oplaaide en tot 1990 zou duren. De voornaamste reden was de invloed van Israël dat Libanon herhaaldelijk binnenviel te counteren. Machtsverschuivingen tijdens de oorlog stelden de Syrische leiders in staat om hun greep op Beiroet te vergroten. Na de oorlog werd een pro-Syrische regering geïnstalleerd en de Libanese afhankelijkheid van Syrië werd via allerlei akkoorden en verdragen geformaliseerd. In de Taif-akkoorden (1989), die een einde stelden aan de Libanese burgeroorlog, stond het ‘neutraliteitsprincipe’ ten opzichte van buitenlandse actoren nochtans expliciet ingeschreven. De machtspositie van Syrië veroorzaakte behoorlijk wat wrevel bij bepaalde bevolkingsgroepen (waaronder de christelijke gemeenschap). Tot de dood van Hariri werd de anti-Syrische oppositie vakkundig monddood gemaakt. Zijn begrafenis groeide echter gedeeltelijk uit tot een nationalistische betoging en sindsdien weerklinkt het protest van de anti-Syrische oppositie openlijk in de straten van Beiroet. Precies twee weken na de aanslag leidde dit tot het ontslag van de Libanese regering onder premier Karami. Of deze nationalistische beweging de etnisch/religieuze breuklijnen in het land zal kunnen overstijgen via een concreet politiek project valt nog af te wachten.

Syrische agent?
Hoewel Hariri zich nooit officieel aansloot bij de anti-Syrische oppositie, lag de steenrijke vastgoedmagnaat al een hele tijd in de clinch met de uitgesproken pro-Syrische president Lahoud. Toen Damascus in oktober 2004 zijn politieke gewicht plaatste achter een grondwetswijziging die de regeertermijn van Lahoud met drie jaar verlengde, gaf Hariri zijn ontslag als eerste minister. Men kan dit zien als een daad van protest tegen de inmenging van Damascus, maar evengoed als een persoonlijke uiting van frustratie over het verloop van de strijd met Lahoud om de belangrijkste politieke machtsposities in Libanon. Hariri was geen uitgesproken supporter van Damascus maar kon bezwaarlijk een vijand genoemd worden. De afgelopen 12 jaar was hij immers tien jaar minister in een door Syrië geruggensteunde regering. In al die tijd verkondigde de man nooit standpunten die ingingen tegen de lijn uitgestippeld door Damascus. Op de website van de grootste Amerikaanse lobbygroep en denktank rond Libanon, The United States Committee for a Free Lebanon (USCFL)[1], staat Hariri zelfs tweede op de lijst van belangrijkste Syrische agenten in het land. Sinds zijn ontslag als premier probeerde ‘mister Lebanon’ verschillende politieke krachten te bundelen tegen de huidige regering. Op het moment van de aanslag zat Hariri midden in zijn verkiezingscampagne, waarin hij zich niet zo lang geleden uitsprak voor een terugtrekking van de 15.000 Syrische troepen uit Libanon. Volgens sommige waarnemers en de anti-Syrische oppositie was dit de reden om de ex-premier uit de weg te ruimen.
 

Schurkenstaat
Toch is er vooralsnog geen enkel bewijs dat Syrië iets te maken heeft met de aanslag. Vanuit Damascus kwam ook vrij vlug een scherpe veroordeling. Het is logisch dat de anti-Syrische oppositie ogenblikkelijk in de richting van het machtige buurland wijst. Maar ook de Verenigde Staten richtten hun boze blik direct op Syrië. Onmiddellijk na de bekendmaking van de moordaanslag werd Syrië erbij betrokken door Scott McClellan, een woordvoerder van het Witte Huis: “De moord vandaag herinnert ons op een vreselijke manier aan het feit dat het Libanese volk in staat moet gesteld worden om hun politieke aspiraties na te streven en hun eigen politieke toekomst te bepalen, vrij van geweld en intimidatie, en vrij van de Syrische bezetting.” Amerikaans staatssecretaris Condoleezza Rice riep haar ambassadeur terug uit Damascus. Ze zei niet letterlijk dat Syrië achter de aanslag zat, maar beschuldigde het land er wel van een destabiliserende invloed te hebben op Libanon.

De sfeer van verdachtmakingen komt de Amerikanen goed uit. Syrië is namelijk al langer een doorn in het oog van de Verenigde Staten. De regering van de Syrische president Assad past niet in het ‘Groot Midden-Oosten project’ van Bush, dat er op gericht is democratische en pro-Amerikaanse regimes te installeren in de regio. Maar de vijandige relaties dateren al van vroeger. De ‘schurkenstaat’ Syrië staat al decennialang op de Amerikaanse lijst van ‘sponsors van het terrorisme’ door haar openlijke steun aan Palestijnse verzetsorganisaties zoals Hamas, de Islamitische Jihad en de Libanese Hezbollah. Specifiek de vriendschappelijke relatie met de Hezbollah, die vanuit Zuid-Libanon acties onderneemt tegen Israëlische doelwitten, stuit de Amerikanen zwaar tegen de borst. Recenter werd Syrië ervan beschuldigd een onderkomen te verlenen aan de gevluchte politieke elite van Irak. Ook het blijvend verzet in dat land moet volgens Washington toegeschreven worden aan Syrië, dat zijn grens met Irak niet goed genoeg beveiligd, waardoor terroristen vrij spel krijgen (de grens is meer dan 700 km lang!). In het post 11 september tijdperk waarin de oorlog tegen het wereldwijde terrorisme de leidraad vormt van de Amerikaanse buitenlandse politiek is het Syrië van Assad duidelijk geen bevriende natie.

 

Stijgende druk
Sinds de verwijdering van Saddam Hoessein werd Syrië herhaaldelijk gewaarschuwd. (Sommige analisten beweren dat het land alleen ontsnapt is aan een Amerikaanse militaire interventie omdat het hele Irak-avontuur volledig uit de hand is gelopen). In november 2003 werd in de Verenigde Staten de ‘Syria Accountability Act’ gestemd. Een wet die Syrië verantwoordelijk stelt voor de ‘enorme internationale veiligheidsproblemen’ die het veroorzaakt in het Midden-Oosten. De sancties die mogelijk werden via de wet hadden als doel een stopzetting van de steun aan het terrorisme, aan de bezetting van Libanon en aan de vermeende aanmaak van massavernietigingswapens. Vorig jaar (mei) verbood Bush alle export, behalve voedsel en medicijnen, van Amerika naar Syrië. Bovendien werd het Syrische vliegtuigen verboden om van en naar de Verenigde Staten te vliegen. Onder impuls van Washington en Frankrijk stemde de VN-Veiligheidsraad in september 2004 resolutie 1559, waarin de terugtrekking van alle Syrische troepen uit Libanon geëist wordt. De aanslag is voor de Amerikanen een welkome gelegenheid om de druk op het Syrische regime nog wat op te voeren en te internationaliseren. Er zal waarschijnlijk een poging ondernomen worden om de economische sancties die de Verenigde Staten eenzijdig trof uit te breiden, bijvoorbeeld via de Verenigde Naties. De roep om een definitieve terugtrekking van de Syrische troepenmacht uit Libanon wordt met de steun van de anti-Syrische oppositie ook krachtiger. De schuldkwestie volledig negerend, greep Bush zijn kans om zijn eisen ten opzichte van Syrië officieel te herhalen en kracht bij te zetten. In de Westerse media lijkt niemand op te merken dat Amerika, de feitelijke bezetter van Irak en de grootste supporter van de Israëlische bezetting van Palestina, op zijn zachts gezegd nogal slecht geplaatst is om zich tegen de 'bezetting' van soevereine staten uit te spreken. Of het woord ‘bezetting’ wel van toepassing is in Libanon, daar valt trouwens over te discussiëren. Historisch gezien maakte Libanon al van 64 voor christus deel uit van Romeinse provincie Syrië. Ook tijdens het Ottomaanse rijk behoorde het tot de provincie Groot-Syrië. In de ogen van de Syrische leiders, de Syrische bevolking en grote delen van de Libanese bevolking, is de kunstmatige afscheiding van Libanon, door de koloniale grootmacht Frankrijk (1920), totaal verwerpelijk. De grote invloed van Damascus en de aanwezigheid in het kleinere buurland is volgens hen dan ook maar vanzelfsprekend. De Syrische troepen in Libanon waren cruciaal bij het beëindigen van de Libanese burgeroorlog en het garanderen van de stabiliteit erna, maar er zijn nooit meer dan 30.000 militairen in het land geweest (in Irak zitten momenteel 140.000 Amerikaanse militairen). Na de oorlog werd de helft van de troepen teruggetrokken. De akkoorden van Taif bepalen dat Syrië op simpele vraag van de Libanese regering volledig wegtrekt uit het land. (Vermits Damascus zelf een pro-Syrische regering garandeert in Libanon is dit tot nu toe natuurlijk nooit gebeurd).   

Wie wint er bij Hariri's dood? 
Indien Syrië effectief achter de dood van Hariri zat, blijkt het een suïcidale onderneming te zijn geweest. Het valt wel op dat de aanslag heel wat voordelen lijkt te hebben voor de Amerikanen en de Israëli’s. Voor de Verenigde Staten is het een gelegenheid om Assads strop aan te halen. Voor Israël betekent een eventuele terugtrekking van de Syrische troepen misschien de ontwapening en ontmanteling van de Hezbollah in Zuid-Libanon. De protesten veroorzaakt door de aanslag zouden (naast een opflakkering van geweld) kunnen leiden tot een complete machtswissel in Libanon zelf. Een regime dat zich iets welwillender opstelt ten opzichte van Amerika en zijn joodse buren misschien? Voor de liefhebbers van complottheorieën: de manier waarop Hariri gedood is suggereert de betrokkenheid van een grote inlichtingendienst. De aanslag vereiste een grondige kennis van de gewoonten van de zwaar beveiligde ex-premier. De kracht (de bom sloeg een krater van 10 meter diep) en de precisie van de explosie lieten de man geen kans op overleven. Het is zeker niet de eerste keer dat maatschappelijke figuren opgeblazen worden in de Libanese straten. Schuldigen worden meestal niet gevonden. Eén van de laatste slachtoffers van een gelijkaardige bomaanslag was de Christelijke militieleider Elie Hobeiqa (januari 2002). Hij had zich bereid getoond om in België te komen getuigen over de rol van de Israëlische premier Sharon in de slachtpartijen van Sabra en Shatila, …
 
Isolement
Ondertussen geraakt Syrië verstrikt in een meer en meer geïsoleerde positie. Iran schoot Syrië ter hulp en kondigde aan samen met Damascus een front te vormen tegen gemeenschappelijke dreigingen. De uitdrukkelijke samenwerking met die andere weinig geliefde Arabische staat, Iran, is strategisch niet zo’n verstandige zet te noemen van Damascus. Het haastte zich te benadrukken dat het gemeenschappelijke front geenszins een bondgenootschap tegen de Verenigde Staten is. Assad komt in nauwe schoentjes terecht en medewerking lijkt de enige verstandige optie. De Syrische minister van Defensie Abdel Rahim Mrad kondigde donderdag 24 februari al aan dat zijn troepen in een eerste fase teruggetrokken worden in de Oost-Libanese Bekaa vallei. Een overhaaste volledige terugtrekking (zoals gewenst door de VS) zou echter een zeer destabiliserend effect kunnen hebben. De Syrische aanwezigheid speelt namelijk een grote rol bij het in stand houden van het precaire politieke evenwicht dat sinds het einde van de wrede burgeroorlog heerst in Libanon.    
 

Soetkin Van Muylem
02/03/05
www.vrede.be

---------------------------------------------------
[1] The United States Committee for a Free Lebanon, is een rechtse denktank met al voornaamste doel het Amerikaanse publiek te overtuigen van het strategische en morele belang van Libanon als een bondgenoot voor de Verenigde Staten en als een buitenpost van Westerse waarden in het Midden-Oosten.

 


 

Vrede DOOR:

Deel dit artikel