Wanneer eindelijk vrede in Oost-Congo?

Opiniestuk - Een bijdrage in het actuele debat

Vorige week was Goma, de hoofdstad van Noord-Kivu, één dag lang een “dode stad”. Markten en winkels waren gesloten uit protest tegen het oplaaiende geweld en op alle mogelijke plaatsen bad de bevolking van de veelgeplaagde Congolese provincie voor vrede. Ondanks een in januari in Goma gesloten vredesakkoord, zijn de troepen van de rebellerende generaal Laurent Nkunda sinds eind augustus weer slaags geraakt met het Congolese regeringsleger, met een enorme vluchtelingenstroom en veel menselijk leed tot gevolg. Alle knipperlichten staan weer op rood. Sommigen vrezen al voor een derde Congolese oorlog sinds 1996. De VN-blauwhelmen van de MONUC-vredesmacht probeerden pas enkele dagen na het begin van de vijandelijkheden, aan de zijde van het Congolese regeringsleger, de troepen van Laurent Nkunda terug te dringen en de burgerbevolking te beschermen. President Kabila wijst intussen met een beschuldigende vinger naar buurland Rwanda dat de militie van Nkunda zou steunen. Is dit een eenvoudig geval van een “proxy war”, een oorlog waarbij een land als Rwanda een rebellie gebruikt om een invloedssfeer te creëren in een verzwakt maar mineraalrijk buurland? Veel wijst in die richting. Maar is er meer aan de hand.

Naast de militie van Nkunda en het regeringsleger, bezetten de Rwandese Hutu-rebellen van het FDLR nog steeds delen van Noord- en Zuid-Kivu. Het FDLR is de erfgenaam van de ex-FAR/Interahamwe die verantwoordelijk wordt gehouden voor de Rwandese genocide van 1994 op Tutsi’s en gematigde Hutu’s. Aan militaire acties in Rwanda zelf komt het FDLR niet meer toe, maar de beweging is des te actiever in de illegale mijnbouw. Daarvoor werkt ze regelmatig samen met het Congolese regeringsleger, zoals recente studies van de Britse ngo Global Witness en het Antwerpse onderzoeksteam van IPIS nog maar eens aantoonden. De banden tussen het Congolese regeringsleger en het FDLR zijn problematisch. In november 2007 had Kinshasa aan Kigali beloofd om deze gewapende groepering goedschiks of kwaadschiks te ontwapenen. Dat is niet gebeurd, waardoor Nkunda en andere krijgsheren die het Goma-akkoord ondertekenden een perfect excuus hebben om zelf niet te ontwapenen. Intussen lijven hun milities opnieuw kindsoldaten in en worden steeds meer vrouwen het slachtoffer van seksueel geweld, zoals Amnesty International onlangs nog aankaartte. De lokale verkiezingen die voor 2009 zijn aangekondigd, en die de verdere democratisering van het land moeten verzekeren, komen bovendien ook op de helling te staan.

Het is duidelijk dat de Congolese bevolking nood heeft aan een daadkrachtiger en transparanter politiek beleid van haar eigen president en regering om het tij te doen keren en echte vrede dichterbij te brengen. Om te beginnen moeten de soldaten van het Congolese regeringsleger normaal betaald en gevormd worden. Ondanks haar forse mandaat en dito wapenarsenaal van pantserwagens en gevechtshelikopters schiet ook de MONUC-vredesmacht momenteel tekort in haar opdracht om de Congolese bevolking te beschermen. De burgerbevolking in Oost-Congo is dus op dit ogenblik volledig onbeschermd tegen het geweld.

Alan Doss, de speciale vertegenwoordiger van de VN in Congo, pleit op dit ogenblik terecht voor een versterking van de MONUC-vredesmacht. België en de EU moeten binnen het kader van de VN-veiligheidsraad aandringen op een efficiënter en krachtdadiger optreden van die vredesmacht. Daarbij moet onderzocht worden wat het meest probate middel is. De combinatie van VN-blauwhelmen met een beperkte en tijdelijke EU-versterking onder VN-mandaat zou soelaas kunnen bieden. Die combinatie heeft in ieder geval al haar nut bewezen in 2003 in het Noord-Oostelijke Ituri-district (Operatie Artemis) en in Kinshasa tijdens de verkiezingen in 2006 (EUFOR RD-Congo). Een eventuele EU-interventiemacht zal nauw moeten samenwerken met de Congolese regering en moet als voornaamste taak de effectieve bescherming van de Congolese burgers hebben. Wat ze zeker niet zal mogen doen, is zich in de plaats stellen van de Congolese autoriteiten.

Met een daadkrachtige steun van België en de EU zou de MONUC een echt staakt-het-vuren kunnen afdwingen én een momentum voor een politieke oplossing kunnen creëren. Daarvoor moeten niet alleen Nkunda en de andere Congolese milities ontwapenen, zoals overeengekomen op de vredesconferentie van Goma, maar ook het FDLR zoals de presidenten van Congo en Rwanda in Nairobi reeds eerder beslisten. België is nog tot eind 2008 lid van de VN-Veiligheidsraad. Ons land kan en moet dus de situatie in Oost-Congo vandaag nog op de VN-agenda plaatsen. De sleutel tot de oplossing van het probleem ligt niet alleen in Goma, maar ook in Kinshasa, in Kigali, in Brussel en in New York.

Hilde Deman, medewerkster Gebied Grote Meren, Broederlijk Delen – Pax Christi Vlaanderen
Marleen Vos, medewerkster Congo, 11.11.11
Evert Kets, medewerker Congo, Broederlijk Delen

Broederlijk Delen DOOR:

Deel dit artikel