Wapens & Ontwikkeling, Ontwikkeling & Wapens

Sinds jaren vertellen regeringen dat aankopen van nieuwe wapens ook werk betekent, dat militair onderzoekswerk ook gunstig is voor de burgerindustrie… Woorden die slechts een alibi zijn. Alleen de wapenfabrikanten worden er beter van.

Als men jaarlijks honderden miljarden dollar in de wereld aan bewapening uitgeeft terwijl miljoenen mensen van honger of gebrek aan verzorging sterven, dan kunnen we niets anders dan besluiten dat er in deze wereld iets mank loopt. Als honderdduizenden wetenschappers worden ingezet voor opzoekingen naar steeds meer gesofistikeerde (massavernietigings)wapens terwijl men middelen te kort komt om het onderzoek te bekostigen naar dodelijke ziekten als kanker, aids e.a; dan kan men niets anders zeggen dat dit abnormaal is. Als miljoenen mensen aan het werk worden gezet in fabrieken waar moordwapens worden geproduceerd terwijl er in de wereld nog miljoenen daklozen zijn en de meerderheid van de wereldbevolking het hoogstnodige moet deren, kan dat onzinnig worden genoemd. Dat miljoenen mensen worden opgeleid in de kunst om anderen te doden, terwijl het geld en de mensen ontbreken om de miljoenen analfabeten op te leiden, is even waanzinnig.

 

Maar sinds jaren vertellen regeringen dat aankopen van nieuwe wapens ook werk betekent, dat militair onderzoekswerk ook gunstig is voor de burgerindustrie… Woorden die slechts een alibi zijn. Alleen de wapenfabrikanten worden er beter van.[i]

 

Laat ons echter voorzichtig wezen. Er is pas sprake van een vredeseconomie als er een economie is die het mogelijk maakt dat er vrede blijft heersen. De massa ellende vloeit voort uit een enorme disproportie tussen de middelen die besteed worden aan de ontwikkeling van het productieapparaat enerzijds, en anderzijds de opbrengst van dat apparaat onder de vorm van consumptiegoederen of koopkracht voor elke wereldburger. [ii] Een wereld zonder bewapening leidt dus niet automatisch naar een rechtvaardige samenleving. Maar er is toch wel degelijk een duidelijk verband.

 

Het handvest van de Verenigde Naties stelt onomwonden dat ieder mens recht heeft op een rechtvaardige sociale en economische ontwikkeling. Wapenproductie en wapenhandel zijn daar in onze ogen tegengesteld aan. Immers, wapens doden: het fundamenteel recht op leven wordt door wapens in gevaar gebracht. Ook worden grote sommen geld opgeslorpt door de bewapening die niet meer voor maatschappelijk nuttige zaken kunnen gebruikt worden.  Maar wapenproductie en wapenhandel dienen ook voor onderdrukking, dienen om dominantie in stand te houden. Ze dienen om leiders en een maatschappelijk systeem te handhaven waarbij de overheersing vanwege het economisch ontwikkelde deel van de wereld wordt bestendigd. De wapens helpen lokale elites om hun bevolking onrechtvaardige structuren op te leggen en elke verandering, die op bevrijding gericht is, in repressie te smoren.[iii]

 

Nu, wij delen de mening van diegenen die stellen dat armoede of natuurlijke rijkdommen op zich niet onomkeerbaar naar oorlog leiden. Hoewel de relatie tussen beide hieronder verder wordt belicht. “Het is de aard van veel regimes, die inhoudelijk als neo-patrimonialistisch kunnen worden omschreven, om hun eigen reproductie te ondergraven (die leiden tot gewelddadig conflict, GS). Enerzijds wordt de competitie om de macht binnen de elites aangescherpt of de toegang voor nieuwkomers afgeblokt, terwijl anderzijds voor de bevolking de doordruppeleffecten van patronage verschrompelen in een periode waarin de strijd voor niet uitbreidbare middelen toeneemt. Geweld wordt immers een steeds aantrekkelijk optie wanneer andere middelen falen en de barsten in het systeem aan het licht komen.”[iv] 

 

Geregeld hebben waarnemers het over een nieuw soort geweld in de mislukte staten. Ruddy Doom en zijn mede-auteurs van het boek “Structuur van de waanzin” hebben het dan over de economische functionaliteit van dit geweld, waarin het wapengebruik het middel wordt om groepen mensen zich een deel van de – anders onbereikbare - economische opbrengstmogelijkheden toe te eigenen. “Nieuw is dit geweld alleszins niet in historische perspectief, omdat in vrijwel alle periodes waarin instabiliteit de regel was – d.w.z. zeer frequent – groepen, via niet-economische middelen controle over productie en distributie poogden te verwerven, als strategie voor groepspromotie. Nieuw is wel dat, zelfs indien er geen reëel contact is, al deze groepen dienen geplaatst te worden binnen een geglobaliseerde ruimte. De problematiek verschilt per regio maar toch zijn ze allemaal verbonden met een negatieve eenheid: op de een of andere manier zijn ze een reactie op het failliet van de regimes die er niet in slaagden de samenleving binnen het wereldsysteem te laten functioneren op een manier die aanvaardbaar was voor belangrijke segmenten van die samenleving zelf. Uit die spanning is niet iets gegroeid wat Wallerstein een anti-systeembeweging zou noemen: een poging om, uitgaande van lokale omstandigheden, een ander soort wereldordening tot stand te brengen. Wel is er een gefragmenteerde revolte om, met alle mogelijk middelen, voor zichzelf een plaats binnen het systeem te bevechten.”[v]

Onderontwikkeling, ongelijk verdeling dus toch als oorzaak van gewapend conflict.

 

Hoe armer het gebied, hoe meer kans op burgeroorlog.

 

De Wereldbank heeft vorig jaar een rapport[vi] uitgebracht over de oorzaken van burgeroorlogen. Volgens de auteur van dit rapport denken de meeste mensen van zichzelf wel de oorzaken van conflicten te kennen. Rechts in het politiek spectrum vinden we diegenen die zeggen dat langdurige conflicten te wijten zijn aan etnische of religieuze haat  Analyses uit het politieke centrum zullen wijzen op het gebrek aan democratie, en dat conflicten zich voordoen wanneer de kansen voor een vredevolle conflictregeling van politieke geschillen afwezig zijn. Politiek links zal dan vooral wijzen op de economische ongelijkheden of de diepgewortelde erfenis van het kolonialisme. De auteur stelt dat geen enkele van deze benaderingen echt sterk overeind blijft staan bij het statistisch onderzoek. Uit de ondervinding, zou je kunnen zeggen, van de verschillende conflicten in het verleden, blijkt dat het meest opvallende patroon is dat burgeroorlog sterk geconcentreerd is in de armste landen. Oorlog veroorzaakt armoede, maar belangrijker is dat armoede de kans op oorlogen vergroot.

 

De synthese is kort en duidelijk: de sleuteloorzaak van conflict is het gebrek aan economische ontwikkeling. Landen met lage, stagnerende economie en met ongelijke verdeling van het inkomen per hoofd, en die afhankelijk zijn gebleven van grondstoffen om aan deviezen te geraken, hebben een zeer hoog risico van langdurig conflict. Daar waar er geen economische ontwikkeling is, vormen goede politieke instellingen, etnische of religieuze homogeniteit, noch hoge militaire uitgaven een betekenisvolle verdediging tegen grootschalige conflicten.

 

De Wereldbank maakte gebruik van een onderzoek van Collier en Hoeffler. Dit werk gebruikte een waaier van invalshoeken die bij een burgeroorlog een belang kunnen spelen: politiek; historisch, geografisch, economisch en sociaal. Bij hun studie van 52 gevallen in de periode 1960-1999 elimineerden ze dan de minst belangrijke, om dan opnieuw na te gaan of de elementen die overblijven inderdaad een essentiële verklaring voor het conflict geven. Volgens hen blijkt dat er drie economische factoren centraal staan, met name: inkomen per hoofd van de bevolking, de groei van het inkomen, de afhankelijkheid van grondstoffen om rijkdom te genereren.

 

Een verdubbeling van het inkomen per hoofd van de bevolking zou het risico op rebellie zowat halveren. Elk bijkomend percent in de groei vermindert evenredig het risico met een percent. Het rapport ziet 4 componenten in de conflictwereld. Een eerste component wordt uitgemaakt door de landen met  middelmatig inkomen of sommige landen met lage inkomen maar die via goed bestuur een snelle groei realiseren. Hier ligt het grootste gevaar in een ‘plotse economische crash’, zoals bijvoorbeeld Indonesië onderging in de tweede helft van de jaren ’90.  Een tweede component is dan de landen met een laag inkomen. Hier een ontwikkeling van de grond krijgen zou de vrede dienen, stelt het rapport, maar lijkt moeilijk realiseerbaar. Een diversificatie van de economie zou hier toch wel essentieel zijn. Een derde groep wordt dan gevormd door de landen in conflict. Hier liggen er mogelijkheden door de inkomstenbronnen van oorlogspartijen droog te leggen. Bij de laatste component vinden we de landen die uit conflict komen. Hier pleit het rapport voor een combinatie van economische hulp, institutionele hervorming en militaire vredesbewaking.

 

De afhankelijkheid van grondstoffen kan men niet zo rechtlijnig vastleggen, maar het risico bereikt een top vanaf het  punt dat landen 30% van het BNP halen uit de export van grondstoffen.  Een land dat op verschillende aspecten normaal is, maar echt wel afhangt van de grondstoffenuitvoer heeft in hun berekening een risico voor burgeroorlog van 33%. Dit risico zakt naar 11% voor een land dat maar voor 10% van zijn BNP afhangt van de uitvoer van grondstoffen.

 

Een van de redenen dat grondstofuitvoerende landen problematisch zijn is hun afhankelijkheid van de marktprijzen. Prijsschokken zijn desastreus voor de veiligheid. Het rapport stelt eveneens dat de inefficiëntie en de corruptie bij regeringen uit dergelijke landen een belangrijke oorzaak is van conflict.

 

Ook de etnische en culturele samenstelling van een land is van belang, zeggen Collier en Hoeffler. Samenlevingen waarbij de grootste etnische groep tussen de 45 en 90% van de bevolking uitmaakt – wat Collier en Hoeffler culturele dominantie noemen – hebben een risico voor rebellie dat 50% hoger ligt, maar een brede etnische en religieuze diversiteit vermindert het gevaar voor burgeroorlog.

 

Speciaal in postconflictsituaties blijken de militaire uitgaven van de overheid excessief te zijn. Hoge militaire uitgaven vergroten eerder de risico’s dan ze in te perken. Het gevaar is ook groot dat deze trend tot verhoogde militaire budgetten zich regionaal gaat verspreiden.

 

Het rapport stelt dat soms een externe militaire interventie de enige garantie kan vormen voor vrede.

 

In de verschillende hoofdstukken wordt er onder meer gesproken over de werkelijke kost van oorlog en geweld, over de diepere oorzaken (met name armoede en onderontwikkeling). Het rapport beschrijft verschillende soorten burgeroorlog, als daar zijn afscheidingsoorlog, bevrijdingsoorlog, burgeroorlogen voor macht over economische rijkdom (grondstoffen of andere), e.d.m. Ook wordt er gekeken naar de manier waarop gewapende conflicten blijven duren, of opnieuw beginnen.

Twee voorbeelden.

 

Indonesië: contraproductieve repressie

Er is heel wat politiek geweld in de recente geschiedenis van Indonesië: burgeroorlogen, zelfbeschikkingsstrijd, etnische confrontaties, militaire coups, en staatsterreur. Zo is de provincie Aceh, met haar rijke ondergrond, het toneel geweest van een burgeroorlog in het begin van de jaren ’90 en nu opnieuw sedert 1999. Deze oorlog ging tussen de regeringstroepen en GAM, een organisatie die voor autonomie vecht sedert de vroege jaren ’70. Lange tijd was de GAM weinig financiële middelen, haast geen militair materieel, en telde ze ook niet zoveel leden. In de jaren ’90 kwam er forse groei, die gedeeltelijk te verklaren valt door de voorbeeldfunctie van de strijd in het naburige Oost-Timor. De bewoners van Aceh wilden ook onafhankelijkheid. Wat zeker ook meespeelde waren de verwachtingen dat de eigen exploitatie van de grondstoffen Aceh rijk zou maken.  Maar het succes bij de bevolking vindt waarschijnlijk haar beste verklaring door het negatieve beeld dat de mensen kregen van de centrale regering toen ze in haar programma voor opstandsbestijding scherpe maatregelen nam eind de jaren ’80. Ook het nieuwe elan van 1999 is mede gebaseerd op de woede tegen de mensenrechtenschendingen van het Indonesisch leger tussen 1990 en 1998.

 

Tsjetsjenië: hoe de rebellie gefinancierd wordt

Tussen 1991 en 1993 controleerde het afgescheurde Tsjetsjenie meer dan 300 km Russische grens. In die tijd groeide Tsjetsjenië uit tot een enorme winstgevende, illegale maar getolereerde vrijhandelszone, die de eigenaars miljoenen harde valuta opbracht. Na 1991 werd Tsjetsjenië praktisch onafhankelijk. Er was een internationale luchthaven, en het had ‘buitengrenzen’ met Georgië. En toch was het nodig volledig geïntegreerd in de Russische economische ruimte. Dit betekende in de eerste palats dat Tsjetsjenië toegang had tot goedkope exporteerbare Russische grondstoffen. Ten tweede had het ook toegang tot de Russische consumptiemarkt, die stond te azen op allerlei verbruiksgoederen. Dit maakte Tsjetsjenië enorm aantrekkelijk voor de schaduweconomie, en haar positie als verdeelcentrum tussen de wereldeconomie en de Russische markt bleek bijzonder winstgevend te zijn. Verbruiksgoederen werden taksvrij geïmporteerd via Tsjetsjenië, terwijl grondstoffen en wapens konden uitgevoerd worden naar de wereldmarkten zonder enige wetgeving. De financiële stromen die Dzokhar Dudaev’s regime spijsden, en later ook de oorlog, vonden hun oorsprong in de schaduweconomie. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat Dudaev’s onafhankelijk Tsjetsjenië gesteund werd en gebruikt werd door de ondernemers uit deze schaduweconomie, die deze vrijhandelszone voor hun zaken gebruikten. De zogenaamde patriottische zakenlui waren vooral geïnteresseerd voor een Tsjetsjenië dat buiten de greep van de Russische overheid viel, maar die haar toegang behield tot de Russische én de wereldmarkt. Bovendien hadden dergelijke mensen er belang bij dat de Tsjetsjeense overheid zwak bleef om hun actievrijheid te kunnen behouden.

 

Maar

Nu komt echter de grote maar[vii]. De Wereldbank stelt in zijn rapport weliswaar dat "standaardelementen voor een ontwikkelingsstrategie – markttoegang, politieke hervormingen en hulp" niet als algemeen recept mogen worden gebruikt. Toch krijgen de mensen van de Wereldbank het niet over hun lippen om de verantwoordelijkheid van de "economische achteruitgang" van de armste landen bijvoorbeeld eens te zoeken bij de (kapitalistische) keuzes die de machtige landen maken bij het organiseren van de globale economie. De heersende teneur in het rapport zouden we als volgt kunnen samenvatten: de landen zijn ziek omdat ze zichzelf ziek hebben gemaakt. Illustrerend is de manier waarop het de problematiek van de strijd om grondstoffen schetst. Hele pagina’s gaan naar wat de wereldbank de "violence entrepreneurs" noemt, de zakenmensen-oorlogsvoerders die zich met geweld toegang verschaffen tot de rijkdommen van een land en profiteren van de zwakte van staatsinstellingen. Het klopt dat zij winst puren uit oorlog. Maar dat kan meestal maar met de hulp van multinationals. In het rapport worden ze echter vooral genoemd als slachtoffer van "afpersing door rivaliserende groepen" of slechte investeringsomstandigheden.

 

In haar document "Een veiliger Europa in een betere wereld" van eind 2003, maakt de EU een analyse van onze veiligheidsuitdagingen: terrorisme, massavernietigingswapens (in ‘verkeerde’ handen), mislukte staten, georganiseerde criminaliteit en regionale conflicten. Onze buitenwereld is onveilig want "in een groot aantal ontwikkelingslanden veroorzaken armoede en ziekte onnoemelijk leed en ernstige veiligheidsproblemen.(…) In veel gevallen hield het falen van de economische ontwikkeling verband met politieke problemen en gewelddadige conflicten. Veiligheid is een voorwaarde voor ontwikkeling."

 

Deze nieuwe Europese veiligheidsstrategie klinkt zoals het Wereldbankrapport. Hier zijn de arme landen met de term ‘mislukte staten’ bedacht. Reden van hun mislukken: "Slecht bestuur – corruptie, machtsmisbruik, zwakke instellingen en gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel – en burgerconflicten tasten staten van binnen aan".  De ongelijke Noord-Zuidverhoudingen, onrechtvaardige grondstoffenprijzen, dumping van landbouwproducten, schuldenlast, wapenhandel, etc…, neen, die factoren van onveiligheid zijn ‘vergeten’. De strategienota zegt daarentegen dat we het ledenaantal van "centrale instellingen van het internationaal bestel, zoals de wereldhandelsorganisatie (WTO) en de internationale financiële instellingen (…) (moeten) vergroten en tezelfdertijd hun hoge normen handhaven".

 

Goed tien jaar geleden wezen onderzoekers van het Transnational Institute (TNI) enkele van die instellingen, namelijk de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds, met de vinger omdat ze een model opleggen dat "verwondt en martelt voordat het doodt".[viii] Hun onderzoek legde een verband tussen schuldenlast en burgeroorlog. De afbetaling van die schuld zorgde voor perverse effecten : "in het actueel stadium is het sleutelelement het wegdraineren van de materiële en geestelijke rijkdom van de derde wereld voor het verminderen van de schuldenlast. Het gaat om geweld ; als antwoord daarop lijkt geweld in de ogen van enkelen de enige, of in elk geval, de beste optie. Dat geweld neemt soms de vorm aan van een opstand, soms dat van een nieuwe oorlog of in bepaalde omstandigheden dat van een klassieke oorlog…. "

IMF en Wereldbank hebben gelukkig al wat bijgestuurd – en ooit ook de WTO ? - maar fundamenteel raken aan de cocktail – critici spreken graag van heilige drievuldigheid – van liberaliseren, privatiseren en dereguleren zit er vooralsnog niet in. Binnen IMF en Wereldbank bezitten de rijke landen de meerderheid van stemmen – stemmen naargelang er kapitaal is ingebracht – wat dan tot de logica leidt dat ze nooit zullen raken aan hun eigen belangen en meer nog, zichzelf wat meer in de watten zullen leggen. Zolang zal ‘volledige schuldkwijtschelding’ het dan ook niet halen. Of zullen bedrijven uit die landen wat meer op hun wenken worden bediend, zoals we dat zien in de politiek van de privatisering van nutsvoorzieningen, zoals waterdistributie.

 

 

 Georges Spriet & Ludo De Brabander

 http://www.vrede.be

 



[i] André De Smet. Vredeseconomie, de wereld van morgen? Vrede, 1989

[ii] Rudolf Boehm, id.

[iii] Ludo De Brabander & Georges Spriet. Wapens zijn geen bananen. Vrede, 1998.

[iv] Ruddy Doom. De Structuur van de waanzin, conflicten in de periferie. Academia Press, 2001.

[v] Id.

[vi] Breaking the conflict trap: civil war and development policy. World Bank.2003

[vii] Ludo De Brabander. Oorlog en ontwikkeling. Zacht geritsel, jan-mrt 2004 VODO

[viii] Susan George. L’effet Boomerang. Choc en retour de la dette du tiers monde. Editions La découverte, Parijs, 1992

Vrede DOOR:

Deel dit artikel