Wat als... Europa geen adaptatiestrategie had?

droge zonnebloemenDe adaptatiestrategie van de EU baseert zich onder andere op de besproken JRC PESETA II studie. Dit onderzoek brengt de impact van de klimaatverandering in Europa in kaart voor de laatste decennia van deze eeuw, in de veronderstelling dat geen voorbereidende acties op deze veranderingen worden ondernomen.

De studie presenteert verschillende simulatiemodellen die vooral van elkaar verschillen in hun voorspelde temperatuurstijging tussen 2°C en 3,5°C en in welke mate ze meer of minder droogte of vochtigheid voorspellen dan een referentiemodel. Uiteenlopende conclusies zijn het gevolg, maar in de regel zijn de gevolgen in simulaties met grotere temperatuurstijgingen extremer. De nadruk ligt in de studie op sectoren waarvoor de biofysische impact ook vertaald kan worden in economische grootheden, om zo de effecten op de maatschappelijke welvaart aan te tonen vanuit verschillende invalshoeken.

Op het gebied van landbouw zal vooral in de warmere simulaties de opbrengst van oogst met gemiddeld 10% dalen, vooral gestuwd door een opbrengstdaling van 20% in Zuid-Europa, hoewel deze evolutie via nieuwe technische ontwikkelingen kan worden beperkt. De vraag naar energie zal in het algemeen dalen, buiten in Zuid-Europa waar de nood aan extra verkoeling net zorgt voor een hogere vraag en dus een hogere energiekost. Dit blijft ook het geval voor scenario's met een kleinere temperatuurstijging. Deze temperatuurstijgingen hebben verder ook een negatieve impact op de gezondheid van de bevolking. Er zijn rechtstreekse gevolgen onder de vorm van een toename van het aantal hartpatiënten, gevallen van ademhalingsproblemen en een toename van de vroegtijdige sterftecijfers met 100.000 per jaar. Onrechtstreeks wordt de gezondheid ook aangetast door een hogere verspreiding van ziektes via slechtere voedsel- en waterkwaliteit.

De impact van extreme neerslag of het gebrek daaraan zijn in alle modellen dramatisch. Bovendien zijn de cijfers voor deze voorspellingen ook erg statistisch significant. Rivieroverstromingen zullen extremer zijn en ook frequenter, zeker in eilandregio's en Centraal-Zuid Europa. Welke de getroffen regio's precies zijn, is nog onzeker door de onvoorspelbaarheid van extreme neerslag. De menselijke en financiële kost die deze overstromingen met zich meebrengen is in alle scenario's wel erg hoog, met honderdduizenden die regelmatig met deze overstromingen te maken krijgen. Daarnaast zullen ook de kosten van beschadigde transportinfrastructuur toenemen in heel Europa. Enerzijds gebeurt dit rechtstreeks, door de schadelijke impact van extreme neerslag, anderzijds leidt een stijging van de zeespiegel door hogere temperaturen tot het verloren gaan van veel haven- en binnenvaartinfrastructuur. Die stijging van de zeespiegel zal vooral in Noord-Europa ook aanleiding geven tot meer en ernstigere overstromingen van kustgebieden en daarmee gepaard gaande kosten.

Naast een toename van neerslag wordt in veel gevallen ook het gebrek aan neerslag heel problematisch. De impact van periodes van langdurige droogte wordt daarmee in grote delen van Europa extremer. Enkel in Noord-Europa zal extreme droogte net minder voorkomen aan het einde van deze eeuw. De oppervlakte van door die droogte getroffen landbouwgrond neemt toe tot bijna twee keer de grootte van Duitsland, een zevenvoud van de huidige oppervlakte. Tot 153 miljoen mensen worden zo rechtstreeks of onrechtstreeks getroffen, de meesten in delen van Zuid-Europa. Ook de schade aangericht door bosbranden zal ten gevolge van extremere droogte en hoge temperaturen sterk toenemen.

Deze voorspellingen van de ernst van de biofysische impact van de klimaatverandering voor Zuid-Europa leiden ook tot een onverdeeld negatief beeld van de economische gevolgen. Het voorspeld welvaartsverlies varieert van 0.2% in Noord-Europa tot 3% in Zuid-Europa. De grootste economische schade is het gevolg van vroegtijdige sterfte, kustoverstromingen en dalende landbouwopbrengsten. Tenslotte wordt ook opgemerkt dat door de sterke verbondenheid van de landen binnen Europa via productieprocessen en handelsrelaties, de nefaste effecten van een bepaalde regio ook in andere regio's heel sterk voelbaar zullen zijn. Hogere sterfte in het zuiden van Europa leidt zo bijvoorbeeld tot lagere productie en minder export van de zuidelijke naar de noordelijke regio's.

De studie besluit dus met twee belangrijke tendensen. Enerzijds zullen de biofysische en de economische impact van de klimaatverandering op het eind van de eeuw dramatisch zijn, anderzijds zijn de gevolgen meer of minder drastisch afhankelijk van de regio. De Zuid-Europese regio's worden het zwaarst getroffen, zowel op het gebied van directe impact als wat de indirecte economische gevolgen betreft. In Noord-Europa zal de impact van de klimaatverandering milder zijn en mogelijk zelfs opportuniteiten creëren in bepaalde gevallen.

Deel dit artikel