Wie of wat zit er achter het recente geweld in Libanon?

Opnieuw wordt Syrië genoemd als destabiliserende factor in Libanon. Ditmaal is de aanleiding een militaire operatie van het Libanese leger tegen de radicale Fatah Al-Islam in een Palestijns vluchtelingenkamp in Noord-Libanon. De Libanese regering beschuldigt Syrië ervan radicale islamitische organisaties te steunen. Maar het zou wel eens kunnen dat regeringsgezinde partijen, met steun van Saoedi-Arabië en VS, achter de vlugge opkomst zitten van dergelijke ideologisch aan al-Qaeda gelinkte groepen met de bedoeling ze in te zetten tegen de Sjiitische Hizbollah.

De aanval van het Libanese leger tegen de radicale Salafistische groepering Fatah al-Islam in het Palestijnse vluchtelingenkamp Nahr el-Bared, heeft opnieuw gezorgd voor heel wat speculatie, maar ook tegenstrijdige berichten. In de eerste berichten was de context al gauw duidelijk. Fatah-al-Islam is een product van Syrië dat alles in het werk stelt om de nu al wankele politieke situatie in Libanon te destabiliseren. “Fatah Islam is een tak van de pro-Syrische groep Fatah-opstand, die op zijn beurt een afsplitsing is van de Palestijnse Fatah-beweging. Volgens sommige Libanese veiligheidsfunctionarissen onderhoudt de soennitische Fatah Islam banden met het moslimterreurnetwerk Al-Qaeda” (De Standaard, 21 mei 2007). Op 22 mei lezen we in De Standaard: “Nahr el-Bared geldt als een kamp waar de Syrische invloed groot is. Waarnemers houden er daarom rekening mee dat het om een fictieve afscheidingsbeweging gaat, die Syrië kan inzetten om onrust te stoken als het haar uitkomt. En Damascus kan redenen hebben om dat te doen. Omdat de politieke impasse in Libanon compleet is, ziet het er niet naar uit dat de Libanese partijen het eens zullen worden over de oprichting van een internationaal tribunaal dat de daders moet berechten van een reeks politieke moorden, waarvan die op ex-premier Hariri in februari 2005. Sporen van die moorden leiden naar Syrië, dat tot april 2005 Libanon bezet hield” Het script is compleet. Syrië toont zich daarin nog maar eens als onruststoker, wordt er impliciet van beschuldigd een van de bekendste en gruwelijkste terreurnetwerken te steunen, zijnde Al Qaeda en dat allemaal om te vermijden dat er een tribunaal komt dat Syrië kan berechten voor een aantal politieke moorden in Libanon. Hoewel het script in eerste instantie werd geschreven door de Libanese regering werd het gemakkelijk overgenomen in een belangrijk deel van de westerse media, met of zonder nuances.

Een aantal journalisten stelt zich behoedzamer op. Robert Fisk, de ervaren Midden-Oosten journalist met standplaats in Beiroet, kan zijn artikel alleen maar stofferen met vooral veel vragen. Een ervan luidt: “Maar was het echt een complot van Syrië, zoals de Libanese regering van Fouad Siniora beweert?” Fisk schrijft in de Britse krant The Independent van 21 mei dat de gebeurtenissen zo vlug en vooral gevaarlijk op ons zijn afgekomen dat hij nog altijd onzeker is over wat er nu juist is gebeurd.

Wie zit er achter de Fatah al-Islam en andere extremistische Salafistische groepen? De bekende Amerikaanse onderzoeksjournalist Seymour Hersh schreef in een artikel in de New Yorker van 5 maart 2007 een interessant achtergrondartikel dat niet alleen veel onthult over de bestaansreden van Fateh al-Islam, maar ook over de linken van dergelijke extremistische moslimorganisaties met de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië en de Libanese regering. Seymour Hersh onderhoudt zoals bekend nauwe contacten met de ‘inner circle’ van politiek Washington waarbij hij al enkele jaren poogt doelstellingen en strategie achter het Iran-beleid van de VS-regering te achterhalen. In het bewuste artikel legt Hersh uit hoe Washington en Saoedi-Arabië betrokken zijn bij clandestiene operaties in Libanon, die bedoeld zijn om de Hezbollah, een door Iran gesteunde Sjiïtische organisatie, te verzwakken. De activiteiten houden verband met een politiek die in Washington bekend staat als ‘redirection’, het herdefiniëren van de Midden-Oostenpolitiek die voortaan het ondermijnen van Iran tot prioritair doel hebben. Iran zit al decennialang in confrontatie met Washington en wordt er vandaag van beschuldigd over een geheim atoomwapenprogramma te beschikken en het geweld in Irak aan te wakkeren.

De ‘redirection’-politiek van Washington om Iran te isoleren of minstens de invloed van Teheran in te dammen steunt heel erg op Saoedi-Arabië en meer bepaald op de voormalige Saoedische ambassadeur in de VS en huidig nationale veiligheidsadviseur van Saoedi-Arabië, prins Bandar bin Sultan. Saoedi-Arabië, dat in de oosterse provincies een belangrijke Sjiïtische minderheid heeft, vreest de groeiende regionale invloed van Iran. Saoedi-Arabië onderhoudt traditioneel goede relaties met de Moslimbroederschap en radicale Salafisten (Soennitische extremisten). Saoedi-Arabië was onder meer de sponsor van Salafistische operaties tegen de Sovjetbezetting in Afghanistan, met figuren als Osama bin Laden op de betaalrol. Het gaat om een politiek die niet vrij is van paradoxen. Het Saoedische koningshuis wordt immers zelf geviseerd door Soennitische extremisten in hun strijd tegen corruptie en decadentie.

In Libanon zijn de Saoedi’s nauw betrokken bij de Amerikaanse inspanningen om de Libanese regering te steunen tegen de door de Hezbollah geleide oppositie. Hersh sprak met een hoge regeringsadviseur die stelde dat de VS niet alleen officiële, maar ook clandestiene steun verleenden die de ‘Soennitische capaciteit’ om de Sjiïtische invloed in te dammen moet versterken. “In dit proces financieren we heel wat slechte jongens met een aantal ernstige potentiële niet bedoelde gevolgen”, aldus de regeringsadviseur. Hersh zegt dat zowel Amerikaanse als Europese en Arabische bronnen stellen dat de regering Siniora en haar bondgenoten hebben toegestaan dat een deel van de hulp in handen kwam van opkomende radicale soennitische groepen in Noord-Libanon, de Bekaavallei en in de omgeving van Palestijnse vluchtelingenkampen in het zuiden van Libanon. Hoewel het om kleine groepen gaat worden ze gezien als een goede buffer tegen de Hezbollah, maar tegelijkertijd zijn ze ideologisch verwant met Al Qaida. In het artikel dat Seymour Hersh twee maanden voor de gebeurtenissen in het Palestijnse kamp Nahr el-Bared schreef, citeert hij Alastair Crooke, een voormalig medewerker van de Britse geheime dienst M16, die nu werkzaam is voor Conflicts Forum, een denktank in Beiroet. Crooke zei daarin: “Mij is verteld dat ze (Fatah Al-Islam) binnen de vierentwintig uur wapens en geld kregen aangeboden door mensen die zich voorstelden als vertegenwoordigers van de belangen van de Libanese regering, vermoedelijk om het tegen Hezbollah op te nemen”. Hersh heeft het ook nog over wapenleveringen door Libanese veiligheidstroepen en milities met banden met de regering Siniora, aan de grootste van deze radicale groepen, namelijk de Asbat al-Ansar actief in het Palestijnse vluchtelingenkamp Ain el-Hilweh in de buurt van de zuid-Libanese havenstad Saaida (Sidon).

Bovenstaande informatie loopt parallel met de informatie zoals die onder meer te vinden is in een rapport van de Internationale Crisis Group van 2005 dat stelt dat Saad Hariri 48.000 $ borg heeft betaald voor vier leden van de Dinniyeh Groep, islamitische militanten die in januari 2000 een poging ondernamen om een islamitische ministaat op te richten ten oosten van Tripoli en er tijdens het daaropvolgende proces van beschuldigd werden financiële steun te hebben ontvangen van Al Qaeda.  Later zorgde een parlementaire meerderheid onder leiding van Saad Hariri er voor dat 22 leden van dezelfde groep amnestie kregen.

In een interview met As’ad Abukhalil, een professor aan diverse Amerikaanse universiteiten en oprichter van de Angry Arab Blog met een journalist van Electronic Lebanon (http://electronicintifada.net/v2/article6945.shtml ), stelt deze dat een aantal van deze vrijgelaten militanten Fatah al-Islam vervoegden. Ook zouden leden van de Jund al-Sham, volgens bepaalde bronnen financieel gesteund door Hariri, naar de Fatah el-Islam zijn overgestapt. Jund al-Sham heeft onder meer de verantwoordelijkheid opgeëist voor de moord op een van de leiders van Hezbollah. Abukhalil stelt dat het mogelijk is dat men nu de controle heeft verloren over Fatah al-Islam en zich nu tegen de broodheren heeft gekeerd.

Volgens diverse getuigen uit het zwaar getroffen Palestijnse kamp en andere waarnemers zijn de activiteiten van Fatah al-Islam gestart in oktober-november 2006, enkele maanden na de Israëlische invasie. Volgens Abukhalil is Fatah-al Islam geen Palestijnse organisatie. Ondertussen is ook uit andere bronnen duidelijk geworden dat veel strijders van Fatah al-Islam uit het buitenland afkomstig zijn. Franklin Lamb, een onderzoeker en schrijver, die tijdens de gevechten in het kamp wist binnen te geraken, zegt dat de bevolking van het kamp stelt dat de leden van Fatah-el Islam, op een paar enkelingen na, geen familiebanden hebben met de kampbewoners en dat het gaat om Saoedi’s, Pakistanen, Algerijnen, Irakezen, Tunesiërs en anderen (zie http://www.counterpunch.org/lamb05242007.html). De Libanese minister van Defensie bevestigde op 23 mei op de TV-zender Al-Arabiye dat geen enkele van de tot dan gesneuvelde strijders van Palestijnse afkomst was. Volgens Abukhalil is het bijgevolg moeilijk te geloven dat deze allemaal illegaal het land zijn binnengekomen. Hij vermoedt dat ze via havens en grensovergangen zijn binnengekomen die gecontroleerd worden door het Libanese leger.

Wie al in de Palestijnse vluchtelingenkampen is geweest weet dat deze zwaar worden bewaakt door Libanese militairen en dat het lang niet zo evident is om als buitenlander zonder vergunning binnen te geraken. De kampbewoners zelf stellen dat ze onmogelijk zonder medeweten of hulp van de Libanese autoriteiten in het kamp konden geraken.

Franklin Lamb heeft het ook over de ‘Welch Club’, genoemd naar David Welch, de medewerker van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Rice, maar die vooral een mannetje zou zijn van Elliott Abrams, de neconservatieve ‘deputy’nationale veiligheidsadviseur. Volgens Seymour Hersh is Abrams een sleutelfiguur in de ‘Redirection’-politiek van Washington. In de Welch Club zitten belangrijke leiders van de Libanese regeringspartijen zoals Druzenleider Walid Jumblatt, Samir Gagea van de extreemrechtse Phalange-partij en Saad Hariri van de Soennitische Future Movement. Volgens Lamb startte Hariri’s Future Movement met de oprichting en financiering van radicale islamitische cellen die eigenlijk een ‘cover up’ moesten zijn voor projecten van de ‘Welch Club’. Zo zouden zowel Jund al-Sham en Fatah al-islam door de Welch club gefinancierde organisaties zijn. Lamb zegt dat leden van beide groepen bevestigen dat ze handelden op last van de voorzitter van de Welch club, namelijk Saad Hariri. Het verhaal van Lamb is moeilijk verifieerbaar, maar sluit heel erg aan bij dat van Hersh. Zijn verklaring voor de bankoverval en het daaropvolgende militaire optreden door het Libanese leger heeft te maken met het plotse stopzetten van de financiering aan Fatah al-Islam. Er dreigde teveel ruchtbaarheid te ontstaan rond de betrokkenheid van regeringskringen en ook de inlichtingendiensten van de Hezbollah zouden op de hoogte zijn van de constructie en konden dus roet in het eten gooien.

In het degelijke Egyptische weekblad, Al Ahram Weekly, wordt eveneens gewag gemaakt van de financiering en bewapening van Fatah al-Islam, Jund al-Sham en het grotere Asbet al-Ansar door de Hariri-groep met het oog op de strijd tegen Hizbollah die te sterk was geworden als gevolg van het succesvolle verzet tegen de Israëlische invasie in de zomer van 2006. In het Al-Ahram-artikel zegt professor Ahmed Moussali, een expert m.b.t. islamitische bewegingen aan de American University in Beiroet, dat deze groepen ideologisch verwant zijn aan Al-Qaeda en een thuishaven gevonden hebben in Libanon als gevolg van de Irak-oorlog. Volgens Moussalli zijn ze aanvankelijk opgestart met de steun van Syrië, maar hun vlugge groei is te danken aan de anti-Syrische en anti-Hizbollah Libanese partijen. Het zou dezelfde David Welch geweest zijn die uiteindelijk het signaal gaf om de groepen op te doeken.

De bloedige oorlog die het Libanese leger voert tegen de Fatah al-Islam, waarbij de Palestijnse burgers - gezien het groot aantal slachtoffers - niet werden ontzien, vormde een nieuwe gelegenheid voor de VS om wapens en ander militair materieel te bezorgen aan de Libanese regering (The Daily Star, 26 mei 2007).

Ludo De Brabander

Dit artikel verschijnt ook in het juni-nummer van Uitpers

 

Vrede DOOR:

Deel dit artikel