Zelfs in de strijd tegen Hamas gelden er regels

Na ruim een week van bombardementen die naar schatting al meer dan 500 Palestijnse doden eisten, begon het Israëlische leger zaterdagavond met een grondoperatie in de Gazastrook. Net als andere NGOs die in Gaza actief zijn, betreurt Broederlijk Delen deze escalatie van het geweld ten zeerste. Wij geloven niet dat de veiligheid van Israëlische burgers gegarandeerd kan worden door Palestijnse burgers massaal bloot te stellen aan extreem geweld. Daarenboven vrezen wij dat de strijdende partijen het tijdens de gevechten niet al te nauw zullen nemen met de regels van het internationaal humanitair recht of oorlogsrecht. Gezien de hoge bevolkingsdichtheid en de schaarste aan voedsel en medisch materiaal ten gevolge van Israëls draconische afsluitingsbeleid, is een ongeziene humanitaire catastrofe in de maak.

Bij de start van de grondoperatie verklaarde de woordvoerder van het Israëlische leger dat “diegenen die burgers, ouderlingen, vrouwen en kinderen als menselijke schilden gebruiken verantwoordelijk zijn voor alle schade aangericht aan de burgerbevolking. Eenieder die een terrorist of wapens in zijn huis verstopt, wordt als een terrorist beschouwd”. In het licht van de eerdere militaire operaties en gevechtsmethoden van het Israëlische leger, geven dergelijke uitspraken aanleiding tot ernstige bezorgdheid. Zo heeft het Israëlische leger sinds het uitbreken van de Tweede Intifada eind 2000 een groot aantal Palestijnse burgers gedood die niet direct aan de vijandelijkheden deelnamen. Ook de luchtaanvallen tijdens de voorbije week eisten een onaanvaarbaar hoge tol.

Het internationaal humanitair recht bepaalt dat de verantwoordelijkheid voor de bescherming van de burgerbevolking door de strijdende partijen gedeeld wordt, ongeacht de door de tegenstander gebruikte wapens of tactieken. Het gebruik van menselijke schilden – een tactiek die Palestijnse strijders in het verleden aangewend hebben – is een oorlogsmisdaad. Die illegale praktijk ontheft Israël echter niet van zijn verplichting om Palestijnse burgers te sparen. Zelfs wanneer Hamasstrijders zichzelf of hun wapens doelbewust tussen burgers zouden verschuilen, moet Israël het proportionaliteitsprincipe respecteren. De ene oorlogsmisdaad rechtvaardigt de andere immers niet.

Het proportionaliteitsprincipe bepaalt dat de fysieke en materiële schade aan burgers bij een aanval op een legitiem doelwit niet buitensporig mag zijn ten aanzien van het directe militaire voordeel van de aanval. Wanneer Palestijnse burgers gedood worden bij een Israëlisch bombardement volstaat als rechtvaardiging niet dat het doelwit een wapendepot of een Hamasstrijder was. Enkel wanneer het verlies van onschuldige mensenlevens in verhouding staat tot het rechtstreekse militaire nut van de aanval is die aanval wettig. Het hoge aantal burgerdoden en de berichten over een aantal specifieke operaties doen vermoeden dat Israël het proportionaliteitsprincipe in Gaza geregeld schendt. Zo werden zaterdag 15 Palestijnen gedood en meer dan 25 gewond bij een bombardement op een moskee in Beit Lahia.

Volgens het Israëlische leger is eenieder die een terrorist of wapens in zijn huis verbergt zelf een terrorist. Impliciet geeft het daarmee aan dat dergelijke personen legitieme doelwitten zijn. Die positie druist in tegen de rechtsregel dat burgers enkel mogen worden aangevallen wanneer ze rechtsreeks of actief aan de vijandelijkheden deelnemen. Zelfs het Israëlische Hooggerechtshof erkende dat zo’n twee jaar geleden. In de zaak van de zogenaamde ‘targeted killings’ bepaalde het dat het geven van algemene logistieke steun of voedsel aan ‘terroristen’ een directe aanval niet kan rechtvaardigen. Al was het maar omdat onmogelijk uitgemaakt kan worden of de burger in kwestie daartoe niet gedwongen wordt.

Bij het voeren van militaire operaties in Gaza hebben alle strijdende partijen de verplichting om voorzorgsmaatregelen te nemen ter bescherming van de burgerbevolking. Indien mogelijk moet voor iedere aanval de nodige waarschuwing gegeven worden. Volgens mediaberichten heeft Israël via pamfletten en het telefoonnetwerk reeds verschillende keren Palestijnse burgers aangemaand om bepaalde risicozones te evacueren. Het gevaar bestaat erin dat iedereen die in die zones verblijft na verloop van tijd als vogelvrij beschouwd zal worden, wat een schending is van het oorlogsrecht. Eerdere Israëlische operaties in de Palestijnse Gebieden en in Libanon hebben bewezen dat dit risico reëel is.

Hamas en de overige Palestijnse gewapende groepen zijn uiteraard óók gebonden door de regels van het internationaal humanitair recht. Hun doelbewuste raket- en mortieraanvallen op Israëlische burgers zijn oorlogsmisdaden. De Palestijnse gewapende groepen blijven tevens verantwoordelijk voor het welzijn van Gilad Shalit, de Israëlische soldaat die sinds juni 2006 gevangen gehouden wordt. Het oorlogsrecht verbiedt die groepen niet om hun defensieve militaire operaties in bebouwde zones te voeren. Het stelt wel dat zoveel mogelijk vermeden moet worden om militaire doelen in of nabij dichtbevolkte gebieden te plaatsen.

Isräel heeft het recht en de plicht om zijn burgers te beschermen. In de huidige discussies over zelfverdediging dreigt evenwel de helderheid van de regels van het oorlogsrecht op de achtergrond te verdwijnen. Ook Palestijnse burgers moeten ten allen tijde beschermd worden. Israël kan het niet maken om een bevolking van 1,5 miljoen mensen bloot te stellen aan extreem en disproportioneel geweld om de veiligheid van zijn eigen burgers te bekomen.

Hier belanden we bij de politieke dimensie van het huidige conflict. Hoe kunnen Israël en zijn bondgenoten zoals de Verenigde Staten, geloven dat dood en vernieling kunnen resulteren in veiligheid? Zoals de Amerikaanse econome Sara Roy schrijft ‘is het één zaak om een individu zijn land, huis en inkomen af te nemen, zijn eisen en emoties te negeren. Maar het is een andere zaak om zijn kind te doden. Er wordt gezegd dat Israël militaire doelwitten van Hamas viseert, maar leg dat verschil uit aan de mensen die hun kinderen begraven.’ Hoe kan er een perspectief zijn op verzoening en duurzame vrede in Israël en Palestina als Israël de Gazastrook tot ‘vijandige entiteit’ verklaart en heel de maatschappij, en ermee de hoop op vrede, ten gronde richt? Als Israël veiligheid wil creëren kan dat niet wars van het internationaal recht en het gezond verstand. Het moet de Palestijnen het perspectief geven op duurzame en rechtvaardige vrede, stoppen met zijn aanval tegen de Gazastrook en zijn kolonisatiepolitiek in de Westelijke Jordaanoever. Het respect voor het recht is de beste weg naar veiligheid.
 
Koen De Groof, policy officer werkgroep Palestina-Israël van CIDSE
Brigitte Herremans, medewerker Midden-Oosten Broederlijk Delen-Pax Christi Vlaanderen

Opiniestuk verschenen in De Standaard op 6 januari 2009.


 

Deel dit artikel