Zeven jaar oorlog in Afghanistan

In Afghanistan weten mindertigers niet wat vrede betekent. Zij kennen hun land alleen maar van oorlog en bezetting. Daar lijkt vooralsnog geen einde aan te komen. Het jongste bezettingsconflict duurt nu al zeven jaar. Officieel moet de internationale aanwezigheid zorgen voor veiligheid, goed bestuur en sociaaleconomische voorspoed. Maar daar is in de praktijk niet echt veel van te merken. We maken de balans op. 


In een open brief stelden de ministers De Gucht en De Crem (DS, 2/07) “al blijven de uitdagingen enorm, er is vooruitgang”. Als je alle gegevens bij elkaar legt is het toch hard zoeken naar die vooruitgang.
 
Op de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties was er weinig sprake van optimisme. De Afghaanse president Hamid Karzai zei dat “terroristische groepen het aantal aanvallen en hun brutaliteit sterk hebben opgedreven”. Zijn land “worstelt met belangrijke uitdagingen, niet minder onrustwekkend dan het probleem van internationaal terrorisme.”
 
Dat Karzai niet tevreden is met de ontwikkelingen in zijn land is een understatement. In Afghanistan groeit het ongenoegen over het groeiend aantal burgerslachtoffers als gevolg van de bombardementen door de bezettingsmacht. Afghanistan moet zelf eigenaar zijn van zijn militaire en ontwikkelingsmaatregelen, aldus Karzai. In een nauwelijks verholen kritiek naar de internationale troepenmacht zei hij nog: “de Afghanisering van de militaire operaties is van vitaal belang als we het probleem van de burgerslachtoffers effectief willen aanpakken” want deze “ondermijnen ernstig de legitimiteit van de strijd tegen het terrorisme en de geloofwaardigheid van het partnerschap tussen de Afghaanse bevolking en de internationale gemeenschap”.
 
De nieuwbakken Pakistaanse premier Asif Ali Zardari wiens land alsmaar dieper dreigt te worden meegezogen in de Afghaanse oorlog, luidde in New York dezelfde klok. Hij benadrukte dat de aanpak van terreur verder moet reiken dan de militaire aanpak. Wat Afghanen nodig hebben zijn jobs en onderwijs, aldus Zardari. “Een vader die zijn familie niet kan ondersteunen is iemand die rijp is voor extremisme”, aldus de premier. Hij wees ook op de groeiende instabiliteit die de bezettingsoorlog in Afghanistan veroorzaakt.
 
Zeven jaar later: vooral negatieve balans
Zeven jaar na het begin van de oorlog (7 oktober 2001) is de algemene balans moeilijk positief te noemen. Hoewel er volgens het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties, UNDP, op sommige vlakken vooruitgang is geboekt, is de bevolking er op tal van aspecten van de menselijke ontwikkeling erg aan toe.[1] De Algemene ontwikkelingsindex (Human Development Index, een indicator voor algemene welvaart) is in vergelijking met 2004 zelfs lichtjes gedaald van 0,346 naar 0,345 in 2007. Daarmee staat Afghanistan op de 174e plaats van in totaal 178 landen. Volgens UNDP kan de Afghaanse economie de jongste jaren nochtans ‘indrukwekkende’ economische groeicijfers voorleggen. Het inkomen is gestegen van 683 $ in 2002 naar 964 $ in 2005. Maar daar stopt het dan ook: “deze groei heeft er niet voor gezorgd dat extreme armoede en honger op betekenisvolle wijze zijn afgenomen”, aldus UNDP. De menselijke armoede-index (HPI, een gecombineerde armoedeparameter) is in Afghanistan zelfs nog gestegen van 59,3 (2004) naar 62,3 in 2007. Daarmee bengelt Afghanistan helemaal onderaan de armoedeladder. Bijna eenderde van de bevolking heeft een tekort aan voedsel. De levensverwachting is navenant afgenomen van 44,5 jaar in 2003 naar 43,1 jaar in 2005. Het lijkt er dus sterk op dat de stijging van het gemiddeld inkomen gepaard is gegaan met een groei van de inkomensongelijkheid. M.a.w. een minderheid is met het economische surplus gaan lopen.
 
Als mensen danig met hun overleven bezig zijn, is het doorgaans ook triestig gesteld met de andere aspecten van de sociaaleconomische ontwikkeling. De alfabetiseringsgraad onder volwassenen is gezakt van 28,7 procent in 2003 naar 23,5 procent in 2005. Daar staat tegenover dat de toegang voor meisjes tot de scholen verbeterd is. Maar toch stelt UNDP ‘geschokt’ vast dat de alfabetiseringsgraad onder vrouwen slechts 12,6 procent bedraagt tegenover 34,4 procent bij de mannen.
 
Het lijstje met treurige cijfers is behoorlijk lang. Zo is het dramatisch gesteld met de kindersterfte. Hoewel UNDP noteert dat er vooruitgang wordt geboekt op de zuigelingensterfte onder 1 jaar (van 165 in naar 135 zuigelingensterfte per 1000) blijft de kindermortaliteit extreem hoog met 257 doden per duizend levend geboren kinderen, het derde hoogste cijfer wereldwijd. Dat ten minste de zuigelingensterfte erop is verbeterd is vooral te danken aan de immuniteitsprogramma’s tegen een aantal kinderziektes. De mortaliteit in het kraambed is met 1.600 doden per 100.000 bevallingen ook al een van de hoogste ter wereld. In sommige landelijke regio’s loopt dat zelfs op tot 6.500 doden, wat UNDP doet opmerken dat nooit eerder in de wereld zo’n hoog dodencijfer is genoteerd.
 
Tot een van de weinige successen behoort de strijd tegen bepaalde ziektes zoals Malaria (gezakt naar de helft) en TBC. Dat neemt niet weg dat nog steeds 12.000 mensen per jaar aan TBC overlijden, opnieuw een triestig recordcijfer op mondiaal niveau.
 
We doen het voor de Afghanen
“Het is onze plicht burgers in nood bij te staan” aldus minister van Defensie De Crem en minister van Buitenlandse Zaken De Gucht in hun open brief (DS, 2/07) waarmee ze reageren op de kritiek over de Belgische deelname aan de NAVO-missie in Afghanistan (ISAF). Steun geven aan de heropbouw vormt officieel ook de hoofdbrok in het takenpakket van de ISAF-militairen die opereren in zogenaamde Provincial Reconstruction Teams (PRT). Maar de humanitaire gulheid van de internationale gemeenschap is op het terrein niet zo groot als de retoriek doet uitschijnen.
 
Begin 2006 sloten Afghanistan en de internationale gemeenschap een ‘Afghanistan Compact’ af met daarin drie pijlers: 1. veiligheid 2. goed bestuur en mensenrechten en 3. economische en sociale ontwikkeling.[2] Voor de meeste van de daarin geformuleerde doelstellingen (tegen 2010) is het nog weinig waarschijnlijk dat ze gehaald worden. De Compact is vertaald in een Nationale Ontwikkelingsstrategie voor Afghanistan. In zijn rapport voor de VN-Veiligheidsraad (3 juli 2008) zegt de VN-Secretaris-Generaal Ban Ki Moon dat de implementatie ervan sterke ondersteuning zal vereisen van de internationale gemeenschap, die haar middelen zal moeten in overeenstemming brengen met de prioriteiten van de Strategie. Het klinkt als een impliciet verwijt. In 2004 schatte de Afghaanse regering het bedrag dat nodig is voor ‘minimale stabilisering’ op 27,5 miljard $ over een periode van zeven jaar wat overeenkomt met 165 $ per hoofd van de bevolking per jaar. Maar in de periode 2002 tot 2005 is slechts 3,3 miljard $ effectief overgemaakt. Er is een grote wanverhouding tussen militaire inspanningen enerzijds en wat er wordt uitgegeven aan heropbouw en ontwikkeling. Een medewerker van een Europese ontwikkelingsorganisatie rekende voor dat er voor elke 100 $ die aan militaire operaties wordt besteed slechts 7 gaan naar de heropbouw.[3] Het ministerie van Defensie getuigde voor het Amerikaanse Congres op 31 juli 2007 dat de oorlog in Afghanistan tot dan 78,1 miljard $ kostte.
 
De International Crisis Group schreef begin dit jaar in een rapport dat er nog altijd een gebrek is aan politieke wil en vooral aan een duidelijke strategie.[4] Over de doelstellingen van de Compact schrijft de ‘Group’ dat er geen realistische inschatting bestond over de kostprijs ervan. Sommige van de doelstellingen, zoals bestuur en justitie werden als luxeproducten opzij gezet, aldus de internationale NGO nog. Kaboel oefent amper enige autoriteit uit. Lokale ‘War Lords’ werden in het hart van de nieuwe instellingen ingebed, om er een cultuur van straffeloosheid te enten, zo luidt het verdict. De opiumproductie, goed voor 93 % van de mondiale productie, bloeit als nooit te voren en draagt bij tot een klimaat van geweld en corruptie. Ook hier krijgt de ‘internationale gemeenschap’ blijkbaar geen greep op.
 
Toename van het geweld
Alle waarnemers zijn het er over eens dat de Amerikaanse operatie ‘Enduring Freedom’ (EOF) en de NAVO-ISAF-operatie waaraan 39 landen deelnemen met een troepenmacht van om en bij 50.000 soldaten, niet konden verhinderen dat het aantal operaties en het werkterrein van de Taliban sterk is uitgebreid. De tijd loopt en speelt zeker niet in het voordeel van de internationale bezettingsmacht. De frustraties over de burgerslachtoffers die vallen tijdens de gevechten met de Taliban nemen toe. Uit een rapport van Human Rights Watch blijkt dat het aantal dodelijke slachtoffers als gevolg van EOF en ISAF-bombardementen in 2007 is verdriedubbeld ten opzichte van 2006 met in totaal 321 doden.[5] Afgelopen zomer, op 22 augustus 2008, zorgden de bombardementen voor een ware slachting onder de inwoners van het dorpje Azizabad waar 90 doden zijn gevallen, van wie het merendeel kinderen. Een maand eerder, op 6 juli 2008, zorgde een luchtaanval in de provincie Nangahar ook al voor een bloedbad toen 47 burgers tijdens een huwelijksfeest werden gedood. Volgens de VN zijn pro-regeringstroepen voor dit jaar verantwoordelijk voor de dood van 577 burgers. In 2007 was dat 477 over dezelfde periode (BBC, 16/09). Human Rights Watch noteert ook veel schade aan de burgerlijke infrastructuur. Heel wat dorpelingen slaan op de vlucht telkens er een bombardement plaatsvindt, waardoor het interne vluchtelingenprobleem nog vergroot. De Afghaanse regering anticipeert alvast op de onrust van de bevolking door haar ministeries van Buitenlandse Zaken en van Defensie de opdracht te geven om het statuut van de buitenlandse troepen te herzien en hun aanwezigheid te reguleren via een SOFA-akkoord (Status of Forces Agreement). Zij vraagt ook een einde aan de bombardementen op burgerdoelen, de ongecoördineerde huiszoekingen en de illegale detentie van Afghaanse burgers. De mensenrechtenorganisatie heeft wel vastgesteld dat het merendeel van de doden een gevolg is van niet geplande luchtaanvallen. Bovendien zouden de Taliban de situatie uitbuiten door dorpen als menselijk schild te gebruiken.
 
Een analist van de Amerikaanse denktank RAND maakt in een artikel van het Franse maandblad Diplomatie (november – december 2007) de vergelijking met de Russische bezetting. Het Sovjetleger controleerde enkel de grote steden, niet het platteland. Ze hebben verloren. Op het platteland, waar 75 procent van de Afghaanse bevolking woont, voelen de Taliban zich goed in hun vel en opereren ze het gemakkelijkst. De bevolking wordt weinig keus gelaten. De Taliban kunnen het niet echt appreciëren als de lokale leiders weigeren om samen te werken met hen. Zo zit de burgerbevolking tussen twee vuren. Volgens de RAND-analist ligt de grote uitdaging er in om het gevecht voor de harten en geesten in de rurale zones te winnen. Maar zowel de regering als de VS en de NAVO zijn bezig dat gevecht te verliezen.
 
Ludo De Brabander
 
Tabel: Samenvattende tabel met het aantal dodelijke slachtoffers als gevolg van VS/NATO militaire acties In Afghanistan
 
 
Periode
Lage schatting
Hoge schatting
7 Okt 2001 – 31 Mei 2003
3,082
3,606
(7 Okt 2001 – 10 Dec 2001)
(2,569)
(2,949)
1 Juni 2003 – 31 Juli 2004
412
437
1 Aug 2004 – 31 December 31
727
855
(Tijdens 2006)
(303)
(360)
Totaal
4,221
4,898
 
Bron: Wheeler op www.RAWA.be
 
Ludo De Brabander
 
Dit artikel verschijnt in Uitpers oktober 2008

Noten:
[1] Center for Policy and Human Development. Afghanistan Human Development Report 2007, UNDP (zie: http://www.undp.org.af/Publications/KeyDocuments/nhdr07_complete.pdf)
[2] The Afghanistan Compact. Building on Succes. The London Conference on Afghanistan, 31 January – 1 February 2006
[4] International Crisis Group. Afghanistan : The Need for International Resolve. Asia Report 146, 6 February 2008.
[5] Human Rights Watch. Troops in Contact. Airstrikes and Civilian Deaths in Afghanistan. New York, September 2008

Deel dit artikel