Ontwikkelingslanden voor dilemma: biodiesel of voedselzekerheid?

Biobrandstof wordt een aantrekkelijker alternatief nu de olieprijzen blijven stijgen. De vraag naar biobrandstoffen heeft nu al een impact op de prijzen van maïs en suiker, ’s werelds belangrijkste biobrandstofgewassen. Maïs- en suikerproducenten in ontwikkelingslanden verkopen hun oogst dus steeds vaker aan verwerkers van biobrandstof, en anderen schakelen over naar teelten die geschikt zijn voor verwerking tot biobrandstof. Heeft de vraag naar biobrandstof in het Zuiden een impact op de voedselzekerheidssituatie?


De aanhoudende stijging van de olieprijzen heeft vernietigende effecten op vele van de armste economieën ter wereld: 38 van de 50 van de armste landen ter wereld zijn netto-invoerder van petroleum. Maar liefst 25 landen zijn voor hun petroleumbehoefte volledig op het buitenland aangewezen. Een rapport van de VN meldt dat sommige landen tot zes keer meer aan brandstof dan aan gezondheidszorg besteden.

Maïs- en suikerproducenten in ontwikkelingslanden verkopen hun oogst steeds vaker aan verwerkers van biobrandstof. Anderen schakelen over naar teelten die geschikt zijn voor verwerking tot biobrandstof. “De commerciële productie van biobrandstof zou hand in hand moeten gaan met maatregelen die de voedselzekerheidssituatie van ontwikkelingslanden vooruithelpen,” aldus Andre Croppenstedt van de Food & Agriculture Organisation (FAO). Croppenstedt is betrokken bij een driejarig project dat onlangs door de FAO werd gelanceerd. Het project wil beleidsmakers in ontwikkelingslanden meer inzicht verschaffen in de potentiële effecten van biobrandstof op voedselzekerheid.

Croppenstedt: “Indien biobrandstof hogere inkomens voor de boerengezinnen genereert, en wanneer die inkomens op hun beurt geïnvesteerd worden in een hogere productiviteit voor de hele landbouwsector - inclusief de voedselproductie - hoeft méér biobrandstof de voedselproductie niet in het gedrang te brengen. Boerengezinnen beperken zich meestal niet tot het kweken van één gewas. In dergelijke gevallen kan biobrandstof een stimulans betekenen voor de landbouwproductie, vergelijkbaar met het surplus dat de katoenteelt in een aantal Sahellanden creëerde.”

Bio als valabel alternatief

Veel arme landen liggen in (sub)tropische gebieden, waar men al een tijdje relatief goedkope biobrandstofgewassen kweekt. Suikerriet en palmolie zijn de bekendste voorbeelden. Vorig jaar vormden 13 Afrikaanse landen de ‘Pan-African Non-Petroleum Producers Association’, met als doel de productie van biobrandstoffen op het Afrikaanse continent uit te bouwen. “Het geleidelijk afstappen van fossiele olie is begonnen,” zegt Alexander Müller, van de afdeling Duurzame Ontwikkeling binnen de FAO. “Over 15 tot 20 jaar zal een kwart van de wereldwijde energiebehoefte ingevuld worden door biobrandstof.”

Stijgende olieprijzen hebben de meeste landen aangezet om over te schakelen naar meer biobrandstoffen. Bovendien wordt de uitstoot van broeikasgassen op die manier verminderd. De jongste vijf jaar is de globale productie van biobrandstoffen verdubbeld, en ze zal de komende vier jaar naar alle verwachting opnieuw verdubbelen. Landen die aansturen op een gevoelige verhoging van het aandeel biobrandstof: Argentinië, Australië, Canada, China, Colombia, Ecuador, India, Indonesië, Malawi, Maleisië, Mexico, Mozambique, de Filippijnen, Senegal, Zuid-Afrika, Thailand en Zambia.

De strijd om grond

Het probleem inzake de teelt van de nieuwe brandstofgewassen in ontwikkelingslanden situeert zich grotendeels in het verkeerde gebruik van gronden. De commerciële productie van biobrandstof mikt in de eerste plaats op gronden van hoge kwaliteit. Biobrandstof wordt door de producenten gezien als ‘cash crop’. Voedsel wordt gekweekt op minderwaardige grond. Het FAO maakt zich zorgen om deze evolutie, aangezien dit de wankele voedselsituatie in veel ontwikkelingslanden nog verder uit balans kan brengen.

 

Uit een proefproject blijkt dat het van cruciaal belang is dat de productie van biobrandstof geen gronden inneemt die voorheen werden gebruikt voor het kweken van voedselgewassen. De Tanzaniaanse regering wil er bijvoorbeeld voor zorgen dat de suikerplantages - bestemd voor biobrandstof - de kleine boeren niet verdringen of landloos maken. Het is dus aangewezen dat men voor de nieuwe teelt ongebruikte of verlaten gronden gaat inpalmen. Boeren die biobrandstof leveren, mogen zich op hun beurt niet beperken tot één gewas. Ook wordt er geëxperimenteerd met jatropa, een veelbelovend gewas met oliehoudende zaden. Jatropa is een snelgroeiende, meerjarige plant die goed gedijt in arme grond en in extreem droge omstandigheden.

Braziliaans voorbeeld

Maar hoe kunnen de Afrikaanse landen concurreren met biodieselprijzen elders in de wereld? Niet alle Afrikaanse landen hebben de capaciteit om biobrandstof te produceren. “De productiviteit van de Afrikaanse landbouw is zwak. Er is nog veel ruimte voor verbetering,” legt Croppenstedt uit. Veel Afrikaanse leiders laten zich inspireren door het succes van Brazilië, dat 30 jaar geleden begon met de productie van bio-ethanol, gemaakt uit suikerriet. Brazilië is nu één van ’s werelds grootste producenten van bio-ethanol. Anderhalf miljoen Braziliaanse boeren zijn werkzaam in de productie van suikerriet bestemd voor biobrandstof. Eén miljoen Braziliaanse auto’s rijden op brandstof gemaakt uit rietsuiker. Een vat bio-ethanol kost volgens de FAO de helft van een vat fossiele olie. Een bijzonder aantrekkelijke kostenbesparing voor veel ontwikkelingslanden.

 

Katrien De Graeve (Redacteur Bevrijde Wereld)
Bron: IRIN

 
Solidagro DOOR:

Deel dit artikel