40 jaar Cubaanse hulp voor Afrika

Tientallen Afrikaanse landen krijgen medische of andere hulp van Cuba. Zo’n 30.000 Afrikaanse jongeren zijn door Cubanen opgeleid, in heel wat verschillende beroepen.

Dit verhaal begon in 1963, toen Cuba gezondheidsbrigades stuurde naar het pas onafhankelijke Algerije. “Tegen eind 2003 hadden we 2574 medewerkers in Afrika, de meeste in de gezondheidssector”, zegt Milagros Franco, de Afrika-directeur van het ministerie voor Buitenlandse Investeringen.

De hulp brengt heel wat teweeg. In de gebieden waar Cubaanse artsen actief zijn, daalde de zuigelingensterfte van 59 tot 7,8 (per 1000 levendgeborenen) in Ghana, van 48 tot 10,6 in Eritrea en van 131 tot 35,5 in Equatoriaal Guinea. Waar de Cubaanse dokters werken, leiden ze tevens plaatselijke gezondheidswerkers op. Havanna heeft geholpen om medische faculteiten op te zetten in Gambia en Equatoriaal Guinea, en Cubaanse proffen geven les in Ethiopië, Uganda en Zuid-Afrika.

De samenwerking tussen Cuba en Afrika behelst ook terreinen als sport, onderwijs en landbouw. “Daarbij willen we in de eerste plaats we de ‘human resources’ ontwikkelen”, stelt Franco, “in een continent waarmee we veel banden hebben.” Cuba heeft veel Afrikaanse landen geholpen in hun onafhankelijkheidsstrijd. Nu gaat het om een andere strijd, die om de gezondheid. En heel concreet ook die tegen hiv/aids. In Botswana bijvoorbeeld zijn Cubaanse gezondheidswerkers ingeschakeld in hospitalen en kliniekjes die gespecialiseerd zijn in de behandeling van mensen met hiv/aids. Het land, met amper 1,8 miljoen inwoners, heeft de hoogste proportie van mensen met hiv ter wereld: niet minder dan 36% van de bevolking tussen 15 en 49 jaar is geïnfecteerd.
”Onze internationale samenwerking is gebaseerd op respect”, zegt Liber Puente, een Afrika-specialist van het Cubaans ministerie van Buitenlandse Zaken. “En we letten erop geen jobs af te pakken van de plaatselijke artsen.” De meeste Afrikaanse jongeren die met een beurs in Cuba hebben gestudeerd, zijn nu trouwens aan de slag voor de ontwikkeling van hun land. Neem nu Claude Grace Uushona, de huidige ambassadeur van Namibia in Havanna. Zij kwam in Cuba aan in 1978, toen ze nauwelijks 16 was. Ze was gewond en had de horror meegemaakt van een massamoord in het vluchtelingenkamp van Cassinga, in Zuid-Angola. Zuid-Afrikaanse helikopters hadden het kamp beschoten. Fidel Castro nodigde de overlevenden uit om school te lopen op het Eiland van de Jeugd, in het zuiden van Cuba. Claude Grace Uushona vertelt: “Ik volgde er de middelbare school, en kon unief lopen in Gambia. Ik werd de eerste vrouwelijke gouverneur in Namibia, en nu ben ik blij op diplomatieke missie te zijn in mijn tweede vaderland, Cuba.”

Uushona herinnert zich goed hoe Cubaanse en Angolese troepen de guerrillabeweging SWAPO (Southwest African People’s Organisation) hielpen in hun strijd tegen het Zuid-Afrikaans apartheidsregime, dat Namibia bezet hield. Zuid-Afrika beet daarbij in het zand, wat tot de terugtrekking van zijn troepen en de bevrijding van Namibia leidde.

De akkoorden die toen tussen Angola, Zuid-Afrika en Cuba gesloten werden leidden uiteindelijk ook tot de terugtrekking van de Cubaanse troepen, nadat de verdwijning van het Zuid-Afrikaans apartheidsregime beklonken was. Cuba stuurde tussen 1975 en 1989 niet minder dan 300.000 manschappen naar Angola om er voor de bevrijding te vechten. 2016 jonge Cubanen sneuvelden er. Wat de Cubanen ertoe brengt om hun inzet in Afrika als volgt te beschrijven, in sterk contrast met de (neo)koloniale plundering van het continent: “Het enige wat wíj hebben meegenomen uit Afrika zijn onze doden.”

(gebaseerd op een artikel van IPS, 2 juli)

Meer info op www.intal.be

intal DOOR:

Deel dit artikel