Crisis in Noorden nekt mijnbouw in de DR Congo

"Instappen"! De boemeltrein van de beurs bolt weer en de beurskranten blaken van optimisme. Tot maart zakten de aandelenkoersen wereldwijd naar een dieptepunt. Maar nu doen toonaangevende media ons geloven dat het ergste voorbij is. Ook in de grondstoffensector. Het moment dus, zeggen de verkopers van mooi weer, voor beleggers (en speculanten) om grote partijen koper in te slaan. De financiële winstjagers zien geen crisis. Maar wie in de reële economie werkt, voelt de crisis des te harder. In de kopermijnen in Congo verloren de voorbije maanden duizenden mijnwerkers hun baan.

"Optimism that the worst is over", zo titelt de Financial Times op 2 juni, "optimisme dat het ergste voorbij is, wakkert een stijging van de koersen aan". De aandelen van grote bedrijven klimmen naar pieken die sinds maanden niet meer zijn genoteerd. Dat valt af te lezen aan een aantal indexen zoals in de VS de Standard & Poor's 500 (+2,8%) of de Britse FTSE Eurofirst 300 (+2,8%) of Nikkei 225 in Tokyo (+1,6%). "Het optimisme over de wereldeconomie stuwt ook de prijzen van grondstoffen omhoog", aldus de krant: de prijzen van ruwe petroleum en koper staan op hun hoogste peil sinds 7 maanden. Begin juni hebben de beleggers en speculanten er weer zin in, ze vertonen heuse "risk appetite". De analysten weten hoe dat zo komt. Toen de economische crisis toesloeg in de herfst van 2008, staakten veel bedrijven de productie. Ze wilden eerst hun voorraden verkopen, voor die niets meer waard zouden zijn. Maar veel van die stocks zijn nu weggewerkt, en de inkopers van de grote fabrikanten beginnen weer bestellingen te plaatsen. Tweede reden voor het vooruitzicht van winst: China heeft een klap gekregen van de crisis maar is niet van zijn sokken geblazen; meer en meer analysten noemen China nu zelfs dè hoop in bange dagen. Derde reden: in de industrielanden hebben de regeringen letterlijk biljoenen in de financiële markten gepompt. Een optelsom: de VS-regering heeft in 2007 en 2008 in totaal voor $11.400 miljard ("11,4 trillion") "direct and indirect stimulus" toegezegd, waarvan al $2.400 miljard is uitgekeerd; de Russische regering pompt $290 miljard in de economie, de Britse $147 miljard, de Japanse $155 miljard en de Chinese bijna $600 miljard (Wall Street Journal, 15 juni 2009). Natuurlijk dat er dan euforie heerst bij banken en beleggers. De media doen duchtig mee aan het smeden van het optimistische sentiment; al ziet een enkele analyst er alweer een nieuwe zeepbel van speculatie aankomen: de bailout-bubble!

Als nog bewezen moet worden hoezeer speculanten met hun hoofd in de bubbles leven, en hoe weinig met hun voeten op de begane grond, dan is het nu het moment. Want uit de reële economie blijven er alleen maar rampzalige berichten komen. Een graai. In de VS zijn er in mei welgeteld 925.824 auto's verkocht. Lijkt veel maar is wel 34% minder dan in mei van vorig jaar. De vraag valt stil, bedrijven snijden in kosten en capaciteit, fabrieken sluiten, arbeiders vliegen aan de deur. In de euro-zone (de 16 landen die de euro als munt gebruiken) zijn er in één jaar 3,1 miljoen werklozen bijgekomen. Het Noorden sleurt het Zuiden mee. Ook Zuid-Afrika, de sterkste economie in Afrika, is nu officieel in recessie. Het hardst getroffen zijn daar de fabrieken die verbruiksgoederen maken (-22,1%) en de mijnen die grondstoffen leveren (-32,8%) voor de industrie in het Noorden (Jeune Afrique, 31 mei 2009). In de grondstoffensector ziet Zuid-Afrika vooral af van het feit dat de wereldmarkt aanzienlijk minder wil betalen voor zijn platinum en diamant.

Congo stond er nog slechter voor. Het land heeft geen industrie en kan enkel via de export van ertsen inkomsten uit het buitenland halen. Een bijzonder ongezonde situatie die het land erg kwetsbaar maakt.Toen de export van koper en kobalt vanaf oktober 2008 stilviel, raakten de deviezenreserves binnen de kortste keren opgebruikt. In december 2008 had Congo nog $75 miljoen aan deviezen in reserve, in februari 2009 nog amper $36 miljoen. Terwijl het land deviezen nodig heeft om in het buitenland aankopen (van verbruiksgoederen, brandstof enz) te kunnen doen. De wereldcrisis houdt lelijk huis in het hele land, maar nergens is de directe band met de globale economische crash zo zichtbaar als in de mijnprovincie Katanga. Daar zitten nog altijd aanzienlijke reserves koper en kobalt in de grond, essentiële grondstoffen voor onder meer de automobiel- en de bouwsector. Vòòr de crash van Wallstreet was daar een ware rush op gang gekomen van mijnbedrijven die wilden profiteren van de sterke vraag naar grondstoffen (en de prijsstijgingen die daarvan het gevolg waren) op de wereldmarkt. Katanga leek wel één grote werkplaats, uit de hele wereld arriveerden ingenieurs en technici van mijnbedrijven, de huurprijzen in de provinciehoofdplaats Lubumbashi namen een ongeziene vlucht. In december 2008 vatte het provinciebestuur nog eens de kerncijfers van de boom samen: er hadden zich toen 385 mijnoperatoren (met vergunningen om mijnen uit te baten of ertsen te verwerken) ingeschreven, er waren 1635 van zulke vergunningen uitgereikt (waarvan 82% weliswaar vergunningen om naar ertsen te exploreren) en er werden ook weer meer en meer ertsen opgedolven. In 2008 moet er zo rond 300.000 ton koper en kobalt zijn geëxporteerd uit Congo, zeg maar tien keer meer dan 5-6 jaar geleden. Het provinciebestuur had verboden om nog ruwe ertsen te exporteren, een maatregel om de lokale verwerking en dus de lokale industrie van de grond te krijgen. Volgens de provincie werkten er 30.000 vaste en 20.000 niet-vaste werknemers bij de mijnbedrijven en daarrond nog eens naar schatting 250.000 artisanale mijnwerkers, dus indviduen die hun productie aan de fabrieken en smeltovens in Katanga verkochten.

Vanaf oktober-november 2008 is die hele activiteit in elkaar gestort. De bedrijven met mijnen stopten ermee. Eind november maakte CAMEC 5000 arbeiders tijdelijk werkloos. Anvil Mining legde de kopermijn van Dikulushi tijdelijk stil en staakte de bouwwerken voor een nieuwe verwerkingsfabriek in Kinsevere. stopte het werk in de mijn van Tilwezembe en de behandeling van het erts in zijn fabriek in Kolwezi. Van de zowat 77 installaties waar ertsen werden bewerkt, waren er tegen eind december 45 gesloten. In de mijnsteden Kolwezi en Likasi sloot een 20-tal aankoophuizen van ertsen (comptoirs) de deuren. De provincie milderde het verbod om ruwe ertsen uit te voeren. En nagenoeg alle exploratoren gaven er de brui aan. De meeste van die kleine bedrijven, die ooit groot en rijk hoopten te worden, zaten toen al ongeveer een jaar in financiële moeilijkheden. Vanwege de financiële crisis vonden ze geen kredieten meer om hun mijnprojecten uit te voeren. Daarop trokken ook veel beleggers en speculanten hun geld terug uit deze bedrijven. Daardoor zakten de aandelen van deze bedrijven, op de beurzen van Londen en Toronto bij voorbeeld, pijlsnel vanaf oktober 2007. Daar moet bijverteld dat veel van deze kleine bedrijven zelf speculanten waren. Ze hadden de rechten om in Congo mijnen uit te baten enkel verworven om ze nadien met winst voort te verkopen. Sommige mijnprojecten zijn zo de laatste jaren meermaals - als een basketbal - van de ene eigenaar naar de andere doorgespeeld. Het schoolvoorbeeld van zo'n basketbal-contract is de manier waarop de mijnen van KOV en Kamoto zijn onttrokken aan de Congolese staatsmaatschappij Gécamines en uiteindelijk zijn ondergebracht in de fusiemaatschappij Katanga Mining Limited (KML). Overigens kende de toen nog Belgische bank Fortis in 2007, samen met twee andere banken, een lening van $260 miljoen toe aan Katanga Mining. Later dat jaar schoot de Zwitserse ertsenhandelaar Glencore ter hulp met een even grote kredietlijn voor Katanga Mining. Glencore, een bedrijf dat aandacht door de buitenwereld schuwt als zonlicht, werd zo feitelijk eigenaar van Katanga Mining. Dat belette niet dat KML eind 2008 vanwege de crisis virtueel failliet was.

Katanga houdt dus weinig of geen tastbare vooruitgang over, nu de wereldcrisis een abrupt einde heeft gemaakt aan de mining boom. Zwartkijkers kunnen zelfs makkelijk beweren dat de boom meer kwaad dan goed heeft gedaan. Vele tienduizenden zitten zonder werk en inkomen. In Ruashi is een nieuwe fabriek gebouwd, waarvan men zich bovendien afvraagt waarvoor ze zal dienen, bovenop een unieke waterbron die van levensbelang is voor de naburige miljoenenstad Lubumbashi. Enzovoort.

In volle expansie pakte de Congolese regering nog andere ambitieuze dossiers aan in de mijnsector waarvan de uitkomst nu onzeker is. Met China is een miljardencontract gesloten; dat voorziet dat er met Chinees geld wegen gebouwd zullen worden evenals scholen en ziekenhuizen, allemaal noodzakelijke infrastructuur, terwijl Congo in ruil aanzienlijke volumes koper en kobalt aan China zal leveren.

Maar Congo is nu in een krachtmeting verwikkeld met het Internationaal Muntfonds dat zegt dat Congo zich ten aanzien van China in de schulden steekt, terwijl het nog voor miljarden oude schulden moet afbetalen. Maar de Chinese ambassadeur in Congo Wu Zexian heeft begin juni herhaald dat Congo en China vanaf het begin vermeden hebben dat Congo’s schuldenlast zou toenemen. “Daarover is geen discussie mogelijk” aldus de ambassadeur. Eind februari had hij de IMF-kritieken al eens als chantage bestempeld.

Het is ook wachten op de uitkomst van de herziening van zowat 60 mijncontracten, die vroeger zijn afgesloten tussen Congolese staatsbedrijven en privé-mijnbouwbedrijven. Congo onderhandelt met die privé-partners om een groter aandeel in de mijnbouw en dus meer dividenden en inkomsten voor de staat te krijgen. De onderhandelingen zijn zo goed als afgerond, er blijven nog enkele harde noten te kraken, onder meer met de Amerikaans firma Freeport McMoran. De eerste resultaten laten uitschijnen dat de Congolese staat zijn deel van de mijnbouw niet gevoelig heeft kunnen opdrijven. Ook dat zou voor een deel aan de belabberde conjunctuur te wijten kunnen zijn.

Deel dit artikel