De Europese handel en de volksgezondheid in het Zuiden

11.11.11 voert campagne tegen de EPA's

De Economische Partnerschapsakkoorden (EPA's) zijn akkoorden tussen de Europese Unie en een groep landen die men de ACP-landen noemt. Het gaat om 77 vroegere kolonies in Afrika, de Caraïben en de Stille Zuidzee (de Pacific), vandaar de afkorting ACP. Deze onderhandelingen begonnen in 2002. Normaal gezien zou men vanaf januari 2008 deze nieuwe handelsakkoorden moeten kunnen toepassen. Bij de gesprekken over de EPA's ligt de gezondheidszorg niet expliciet op de onderhandelingstafel. Toch valt te verwachten dat de EPA's ook een grote impact zullen hebben op de gezondheid van de arme landen. Een reden te meer dus om de onderhandelingen met bezorgdheid te volgen.

Een belangrijke overweging is dat de onderhandelingen niet op voet van gelijkheid plaatsvinden. Europa, dat met één stem spreekt, staat er tegenover een diverse groep landen met uiteenlopende belangen en zonder centrale structuur die de bevoegdheid heeft om te onderhandelen. Bovendien zijn de gevolgen van de onderhandelingen voor deze landen onnoemelijk veel groter dan voor Europa. Voor Europa is de handel met de afzonderlijke ACP landen relatief onbelangrijk maar voor deze vroegere kolonies is Europa de belangrijkste handelspartner. De gevolgen voor hun economie en voor het dagelijks leven van hun bevolking zullen dus veel groter zijn.

Vermarkting van de zorg

In de marge van Michael Moore's nieuwe film 'Sicko' laaide het debat over de 'vermarkting' of commercialisering van de Europese gezondheidszorg terug hoog op. Het valt echter te vrezen dat Europa dankzij de EPA's de greep van de commercie op de gezondheidszorg in ontwikkelingslanden zal bevorderen.

De EPA's zijn vrijhandelsakkoorden en willen dus voor alles dat invoertarieven naar omlaag gaan. Voor arme landen zijn de taksen op de invoer echter een belangrijke bron van inkomsten. Verschillende studies verwachten dat de arme landen door de EPA's tussen de 3 en de 20% minder overheidsinkomsten zullen hebben. Elke verlaging van de inkomsten uit taksen betekent dat die landen minder budget hebben voor de openbare diensten, waaronder ook gezondheidszorg.

De uitgaven van de meeste ontwikkelingslanden voor gezondheidszorg schieten nu al ruimschoots tekort.  De Afrikaanse regeringsleiders beloofden bijvoorbeeld in 2001 dat ze minstens 15% van de overheidsbegroting willen reserveren voor gezondheidszorg. Zes jaar later is daar nog niet veel van in huis gekomen. De meeste regeringen slagen er ook niet om 60 dollar per inwoner te voorzien voor het jaarlijks gezondheidsbudget. Dat is nochtans een aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie. Met minder inkomsten uit invoertarieven zal dat er niet op verbeteren.

Bovendien gaat het bij de EPA's niet alleen over de handel in goederen maar ook over diensten. Ook het aanbieden van gezondheidszorg valt onder de handel in diensten. Daarnaast zijn er nog veel andere diensten, zoals het verdelen van drinkwater, de huisvuilophaling etc., die zeer belangrijk zijn voor de volksgezondheid. De vrijmaking van de handel in deze diensten betekent dat Europese en andere multinationals vrij spel krijgen om bijvoorbeeld waterdistributie in ontwikkelingslanden uit te baten als winstgevende bedrijven. De bevolking van de ontwikkelingslanden weet uit ervaring dat daardoor dienstverlening ontoegankelijk wordt voor de armsten.

Medicijnen

Intellectuele eigendomsrechten, waaronder patenten, werden dankzij de Wereldhandelsorganisatie (WTO) sinds 1995 expliciet gelinkt aan handel. Sindsdien kan er geen vrijhandelsakkoord onderhandeld worden zonder dat  ook de intellectuele eigendomsrechten op tafel komen. Bij de EPA's is dat niet anders.

Het akkoord over de intellectuele eigendomsrechten van de WTO, TRIPs, is controversieel omdat het de positie van de farmaceutische multinationals beschermt en de beschikbaarheid van medicijnen voor de armsten inperkt. De bescherming van 20 jaar voor patenten op geneesmiddelen en andere producten geeft hen immers een monopolie waardoor ze de prijzen kunstmatig hoog kunnen houden.

Toch bevat TRIPs ook enkele voorzieningen die de ontwikkelingslanden toch nog enig verweer geven tegen de farmareuzen. Zo zijn er de dwanglicenties die hen toestaan om een multinational te dwingen om een patent te delen met een lokaal bedrijf, waardoor het overeenkomstige geneesmiddel lokaal en goedkoop kan geproduceerd worden.

Nu wordt gevreesd dat de Europese Commissie dankzij de EPA's zal proberen om akkoorden af te sluiten die verder gaan dan wat in de WTO is overeen gekomen. Het is waarschijnlijk de bedoeling om die speciale voorzieningen zoals de dwanglicenties dankzij de EPA's te ondermijnen.

Eerder dit jaar bekritiseerde Europees Commissaris Mandelson, die belast is met handel, bijvoorbeeld Thailand nadat het gebruik gemaakt had van dwanglicenties. “Het gebruik van dwanglicenties zou geen gewoonte mogen worden want dat zal het patentsysteem ondermijnen,” zei Mandelson. Thailand had nochtans enkel gebruik gemaakt van een procedure die voorzien is in de internationale WTO-akkoorden.

Mandelson beweert wel dat Europa niet vraagt dat de ontwikkelingslanden in de EPA-onderhandelingen meer toegevingen zouden doen dan in het TRIPs akkoord of dat de flexibiliteit van dit akkoord zou ondermijnd worden.  Maar van zodra een land als Thailand concrete maatregelen neemt laat hij merken dat Europa maar wat graag zou hebben dat de patentwetgeving nog veel restrictiever zou worden.

Voedselveiligheid

De 11.11.11 campagne focust vooral op de manier waarop de EPA's de voedselveiligheid bedreigen. De landbouwsector is uiterst belangrijk voor de Europese economie en wordt zwaar gesubsidieerd. Daardoor kunnen Europese voedselconcerns goedkoop uitvoeren. De kleine boeren uit het zuiden kunnen niet concurreren met de goedkope import en moeten de duimen leggen. Als de arme landen omwille van de EPA's de invoer verder moeten vrijmaken, dan kunnen ze zich nog minder verweren tegen de gesubsidieerde invoer van landbouwproducten die hun eigen boeren uit de markt prijst.

Het spreekt voor zich dat dit belangrijk is voor de gezondheid van de volkeren in het Zuiden. De meerderheid van hen rekent op de landbouw als een bron van inkomsten en het is precies die sector die in het gedrang komt. Bovendien is een goede en gezonde voeding een hoeksteen voor de volksgezondheid. Aangepaste voedingsgewoonten met lokale producten worden nu vervangen door een dieet dat gebaseerd is op ingevoerde producten, soms van bedenkelijke kwaliteit, en dat afhankelijk is van de grillen van de markt.

Het alternatief dat 11.11.11 en CNCD, de Franstalige koepel van ngo's, naar voor schuiven is dat van de voedselsoevereiniteit. Dat betekent dat de landen van het Zuiden het recht moeten hebben om hun landbouwbeleid uit te stippelen in functie van de economische, sociale, milieu en culturele kenmerken en noden van hun bevolking. Vanuit het oogpunt van de volksgezondheid kunnen we deze ideeën alleen maar onderschrijven.

Intussen zet Europa de ACP-landen onder druk om voor eind december de EPA's te ondertekenen. Europees commissaris Mandelson dreigt ermee dat Europa de invoer uit die landen vanaf januari zal bemoeilijken als ze niet ingaan op de eisen van de Commissie. Voorlopig houden de ACP-landen echter voet bij stuk en ziet het er niet naar uit dat de EPA's de deadline zullen halen. Intal sluit zich aan bij de Noord-Zuidbeweging om hier in België de druk op de ketel te houden zodat Europa de buitensporige eisen zou laten varen. Het wordt tijd dat men zich eindelijk eens bezint over hoe men de kinderen in de voormalige Europese kolonies het recht op een gezonde toekomst wil gunnen.  

intal DOOR:

Deel dit artikel