Dokter in Darfoer

In de Soedanese provincie Darfoer stierven al bijna 400.000 mensen rechtstreeks of onrechtstreeks ten gevolge van het bloedige conflict dat er al meer dan drie jaar woedt. Twee miljoen mensen zijn op de vlucht. De internationale gemeenschap debateert al een hele tijd over een mogelijke VN-interventie in Darfoer. De Nederlandse arts Remco van de Pas werkte zes maanden in Darfoer voor een internationale ngo. Hij beschrijft uit eigen ervaring een aantal elementen om het conflict beter te kunnen kaderen en begrijpen.


Het conflict in Darfoer draait om grondstoffen en macht, en is nog verder gecompliceerd door een geschiedenis van (religieus) kolonialisme en etnische verschillen. Je hoort dikwijls dat de oorzaken van het conflict te vinden zijn in de eeuwenoude ongelijkheid tussen stammen, sultanaten en koloniale machten. Maar ondanks die verschillen bestond er tientallen jaren lang een fragiel evenwicht. Verschillende bevolkingsgroepen leefden naast elkaar, deelden en handelden in goederen, vee en de schaarse producten die de droge savanna opleverde.

In het straatarme Darfoer is het dagelijks leven altijd al een strijd geweest, maar de mensen hadden een manier gevonden om om te gaan met ‘anderen’ in hun omgeving. Rechtvaardigheid en verzoening werden verzekerd door lokale rechtbanken, voorgezeten door de dorpsoudsten. Maar sinds de grote hongersnood in het midden van de jaren ’80 werd de strijd om het voedsel harder. Het land moest worden gedeeld tussen de herders-landbouwers, die hun vee lieten grazen op de droge grond, en de nomaden die jaarlijks van noord naar zuid trokken op zoek naar water en vruchtbare grond voor hun runderen en kamelen. En met de teloorgang van het sociaal weefsel dat daarvan het gevolg was, luisteren de jongeren niet meer naar de dorpsoudsten maar lossen ze conflicten op met kalashnikovs.

Het huidig conflict is echter slechts gedeeltelijk een intern probleem. Er spelen drie externe mechanismen die de situatie bepalen. Ten eerste is de koloniale erfenis nog sterk voelbaar in Darfoer. Sinds de onafhankelijkheid van de gecombineerd Egyptisch-Engelse overheid in 1956, zijn de grenzen en bevolkingsgroepen van Darfoer verdeeld over verschillende landen. Ook de huidige buitenlandse invloeden in Soedan spelen mee. Economisch heeft het land goede banden met Rusland en China: zij investeren in de olie- en andere industrietakken en leveren wapens. Daar tegenover staat een andere as, die bestaat uit Europese landen en de VS: zij zijn geïnteresseerd in de olievelden in Zuid-Soedan. De troepen van de Afrikaanse Unie die in het kader van een vredesakkoord in het land gelegerd zijn, worden getraind, gesteund en bewapend door de Navo. Ja, het conflict in Darfoer is ook een goede zaak voor de westerse wapenindustrie.

Een tweede factor is de globalisering, die een toenemende kloof tussen arm en rijk met zich meebrengt, ook binnen Soedan. De middenklasse in de hoofdstad Khartoum heeft meer gemeen met haar tegenpool in Dubai, Kaïro of Amsterdam dan met de gemarginaliseerde boeren in het binnenland. En die kloof wekt uiteraard onvrede. Tenslotte is er de snelle achteruitgang van het milieu. Met het oprukken van de Sahel zijn de nomaden in Darfoer gedwongen om zuidwaarts te trekken in hun zoektocht naar grasland voor hun vee, waardoor ze in conflict komen met de boeren.

De internationale gemeenschap is in Darfoer geconfronteerd met een complexe noodsituatie. Daarbij is niet alleen de humanitaire hulp op zich belangrijk, maar ook de manier waarop die geleverd en verdeeld wordt. Want humanitaire hulp op zich is ook al ‘big business’ geworden. Amerikaanse en Europese donors bepalen onder welke voorwaarden hulp wordt vrijgemaakt, hoe de hulpprogramma’s worden uitgevoerd en bij wie de voedselpaketten en geneesmiddelen moeten worden aangekocht. Internationale ngo’s staan te drummen voor noodsituaties, want daar hangt heel wat financiering aan vast. Resultaat: veel lokale gemeenschappen worden afhankelijk van internationale ngo’s.

In Darfoer is de meeste hulpverlening geconcentreerd in de vluchtelingenkampen rond de steden El Geneina, El Fasher en Nyala, terwijl het platteland wordt verwaarloosd. Ook tussen die kampen is er een onevenwicht in de dienstverlening. Neem nu de vluchtelingenkampen Kalma en Gereida, bijna even groot (zo’n 100.000 mensen elk), en beide gelegen in Zuid-Darfoer. Gereida is moeilijk te bereiken voor ngo’s en VN-instellingen, waardoor er heel wat mensen zonder beschutting, zuiver water en voedsel blijven. Heel anders dan Kalma, dat handig dichtbij de stad Nyala ligt, waar de meeste ngo’s hun basis hebben.

De situatie in de kampen is ernstig. Gezinnen staan in de rij voor voedsel, water of geneesmiddelen, en maken er ruzie om – niet moeilijk in zo’n stresssituatie. Een derde van de patiënten in de kamphospitalen vertoont niet alleen lichamelijke symptomen, maar kampt ook met psychologische en sociale stress. De medische ngo’s hebben maar een mandaat om urgenties te behandelen, en acute ziekten zoals malaria, diarree en acute ondervoeding. Fondsen zijn er maar voor één jaar, dus er moet snel aantoonbare vooruitgang worden geboekt met enkele gerichte interventies. Chronische aandoeningen kunnen we alleen symptomatisch behandelen. Begrijp me niet verkeerd, de aanpak van acute ziekten in een humanitaire noodsituatie is noodzakelijk. Het spijtige is dat die gewoonlijk niet gekaderd is in een aanpak van de fundamentele oorzaken van de ziekten. De onmogelijkheid om als vluchteling een economische activiteit uit te oefenen om je gezin te onderhouden, vermenigvuldigt het risico op slechte gezondheid en vroegtijdige dood met tien. Is het dan te verwonderen dat de vluchtelingen hun speciale muskietennetten tegen malaria verkopen? En dat de mooie lesjes in hygiëne niets uithalen in een overbevolkt kamp? We kunnen hier alleen symptomen verlichten, maar geen ziekten genezen. We redden wel mensenlevens, maar intussen wordt het gemeenschapsleven vernietigd…

intal DOOR:

Deel dit artikel