Filippijnen: Overlevenden aardverschuiving bouwen hun leven terug op

Bijna twee maand nadat een heel dorp op het Filippijnse eiland Leyte onder een aardverschuiving verdween, beginnen de overlevenden terug hun leven op te bouwen. Leyte Center for Development helpt hen daarbij.

De berg des doods. Op 17 februari 2006 verdween het dorp Guinsaugon, in de gemeente St. Bernard in het zuiden van Leyte. Het werd opgeslokt door een muur van modder en stenen dat aan een duizelingwekkende snelheid van de berg Can-abag. Het dorp Guinsaugon, eens een gemeenschap van 2.500 inwoners, ziet er nu uit als een akker van 40 hectaren vers omgeploegd land. De modder reikte op sommige plaatsen tot 10 meter hoog. De 375 huizen en de lagere school verdwenen onder de modder, aarde en brokstukken. Er zijn nog altijd 1.328 vermisten, vermoedelijk levend begraven.

De reddingsoperaties door lokale, Maleisische en Taiwanese teams waren vruchteloos. Er werden geen overlevenden gevonden.

De oorzaak van de tragedie. Vele experten hebben gespeculeerd over de aardverschuiving van Guinsaugon. Sommigen zeggen dat de hevige regens de grond totaal verzadigd hadden. Een aardschok zette vervolgens de cascade van modder en rotsen in beweging op de flanken van de Can-abag.

Anderen benadrukten de illegale ontbossing die al meer dan dertig jaar ongestoord voortduurt in combinatie met guur weer, een onstabiel terrein en bureaucratische tekortkomingen. Het is zeker en vast een ingewikkeld sociaal probleem waarin slechte levensomstandigheden van de bevolking, slecht bestuur en onvoorspelbare weersomstandigheden een rol spelen. Men waarschuwt al dat het drama van Guinsaugon zich kan herhalen op andere plaatsen in het land, tenzij er gepaste maatregelen genomen worden.

Intussen verklaarde het ministerie van milieu en natuurlijke rijkdom een dag na de aardverschuiving: "Geologisch is de onderliggende vulkanische rots gekenmerkt door scheuren en barsten, die de plaats instabiel maakt en onderhevig aan aardverschuivingen." Geologen van de overheid klasseerden in 2003 meer dan 80 procent van het eiland Leyte risicogebied voor aardverschuivingen. Leyte, een eiland op 675 kilometer ten zuiden van Manilla, ligt op de Filippijnse breuklijn die van het noorden van het land naar het zuiden zigzagt.

Bergvolken op de vlucht. Minstens 25 inheemse families van de Mamanwa stam verlieten de nabije Bantawon berg uit schrik dat de barsten in de ondergrond een gelijkaardige tragedie zouden veroorzaken.

Dit bergvolk woonde oorspronkelijk in de berggebieden van de Agusan provincie op het eiland Mindanao. Ze sloegen er echter op de vlucht om te ontsnappen aan militaire operaties en de inname van hun voorouderlijke gronden door firma's die aan houtkap en mijnbouw deden sinds de jaren '80.

Het zijn mensen met een donkere huid en krulhaar die leven als jagers-verzamelaars en ook matten en rotan weven. Ze leven daarom in de beboste gebieden van zuid Leyte maar werden er nu ook verjaagd door de aardverschuivingen.

Leven in evacuatiecentra. Lokale autoriteiten en kerken namen de vluchtelingen op in verschillende katholieke en protestantse centra.

Op 18 februari had een rapport van het ministerie van defensie het over 2.489 benadeelde families. Op 19 februari telde de protestantse kerk van St. Bernard 10.000 vluchtelingen uit de 11 nabijgelegen dorpen in de evacuatiecentra.

Unicef waarschuwt. Unicef, het kinderfonds van de Verenigde Naties waarschuwde de regering Arroyo en de hulporganisaties om waakzaam te zijn voor kinderhandel na de ramp.

Zo'n 40 kinderen onder de 18 jaar bleven als wees achter na de tragedie. Unicef was geschokt door initiële meldingen van lokale radiostations dat illegale mensenhandelaars op zoek waren naar weeskinderen. Zelfs voor de ramp in Guinsaugon was zuid Leyte een streek waar mensensmokkel relatief veel voorkwam.

Tijd om verder te gaan. Op donderdag 2 maart hielden de overlevenden, familieleden, vertegenwoordigers van de lokale overheid en van de kerken een ceremonie. Ze offerden bloemen op het massagraf en op de modder die Guinsaugon bedolven had. 1.328 mensen waren er levend begraven, waaronder ook 248 leerlingen van het basisschooltje.

Er werd een groot kruis opgericht ter nagedachtenis van degenen die omkwamen in de ramp. Terwijl dit het einde betekende van de reddingsoperaties was het ook een aansporing aan de overlevenden om hun leven terug op te bouwen.

Ter nagedachtenis van de leerkrachten en leerlingen. Zeven onderwijzeressen kwamen om: Gloria Navos, Cesaria Tiempo, Merly Binondo, Lerma Dalugdugan, Jocelyn Becong, Rodel Coquilla, en Narciso Tiempo. Enkel Natividad Pia, die in het derde leerjaar stond, ontsnapte aan de tragedie omdat ze in de stad Cebu verbleef wanneer de modderstroom haar school bedolf.

Zo'n honderd kinderen van middelbare schoolleeftijd overleefden de tragedie aangezien ze les volgden in de middelbare school in het centrum van Saint Bernard. Deze school ligt op 8 kilometer van het dorpje. De 248 leerlingen van de lagere school in Guinsaugon hadden minder geluk en overleefden het niet.

De lagere school van Saint Bernard heeft de lessen intussen hernomen. Er wordt les gegeven op zaterdagen om de verloren lessen tijdens de twee weken na de ramp in te halen. Momenteel wordt les gegeven in tenten terwijl de klassen nog gebruikt worden als tijdelijk verblijf voor vluchtelingen.

Een lawine van hulp. Verschillende groepen, organisaties en overheidsinstellingen uit binnen- en buitenland zonden voedsel, water, kleren, medisch materiaal, keukengerei, geld en wat er nodig was om hulp te bieden aan de slachtoffers. Leyte Center for Development (LCDE) was één van de organisaties die hulp boden.

Toen de reddingswerken werden afgesloten op 24 februari startte LCDE een evaluatie op van de noden en de aanwezige capaciteiten. Daaruit bleek dat de belangrijkste noden als volgt waren: a) duurzame bronnen van levensonderhoud voor de overlevenden; b) behuizing; c) vorming en capaciteitsopbouw; en d) medische missies met o.a. ook psychosociale hulp en therapie aan de slachtoffers.

Rampenpreventie en -beheersing. De gebeurtenissen in St. Bernard duiden er nogmaals op dat de Filippijnen niet klaar is om rampen te voorkomen en, als ze zich voordoen, onder controle te houden. De regering besteedt maar een duizendste van de begroting aan rampenbestrijding en daarvan gaat niets naar de preventie en naar maatregelen die de gevolgen kunnen verzachten.

Bovendien gaat veel geld verloren aan corruptie. De overheid moet nog altijd rekenschap afleggen van de budgetten die werden vrijgemaakt bij vroegere rampen. Waarschijnlijk zal nu ook weer een deel van de overheidsfondsen voor het rampgebied verloren gaan aan corruptie.

Meer foto's op de website van G3W.

Deel dit artikel