Millenniumdoelstellingen vereisen basisgezondheidszorg en toegang tot medicijnen

Elk jaar houdt de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) haar algemene vergadering in de maand mei. De vertegenwoordigers van alle 193 lidstaten discussiëren dan in Genève over de volksgezondheid op wereldvlak. Dankzij de People's Health Movement, ons internationaal netwerk van gezondheidsactivisten en basisbewegingen, houdt intal ook de vinger aan de pols van wat daar gebeurt.

Dit jaar zorgde de World Health Assembly (WHA) voor een resolutie die door vele ngo's en afgevaardigden van ontwikkelingslanden met instemming onthaald werd. De directrice van de WHO, Dr. Margaret Chan, had het in haar slottoespraak zelfs over “een doorbraak die in de komende jaren miljoenen mensen ten goede zal komen.” Sarah Rimmington, van de ngo Essential Action, schreef: “De wereldgemeenschap heeft een grote stap gezet door overeenstemming te bereiken over de manier waarop men een systeem van medisch onderzoek zal hervormen dat de noden van de ontwikkelingslanden verwaarloosd heeft.”

Intellectuele eigendomsrechten en toegang tot medicijnen

Het zijn grote woorden over feiten die nochtans nauwelijks de media gehaald hebben. Waar gaat het over? Het heeft te maken met de problematiek van de intellectuele eigendomsrechten op medicijnen en andere producten. Patenten op medicijnen, de meest bekende vorm van zo'n eigendomsrecht, geven degene die een bepaald medicijn ontwikkeld heeft het alleenrecht om dat product op de markt te brengen. In de praktijk betekent het dat de farmaceutische multinationals het monopolie krijgen op bepaalde medicijnen en dus vrij zijn om de prijs ervan te bepalen. Daardoor zijn de medicijnen te duur voor de meeste mensen, zeker in ontwikkelingslanden. De farmaceutische multinationals argumenteren echter steevast dat die hoge prijzen—en winsten—nodig zijn omdat ze zoveel moeten investeren in onderzoek.

Twee jaar geleden riep de WHO een werkgroep in het leven die zich moest buigen over deze problematiek. In de Intergovernmental Working Group on Public Health, Innovation and Intellectual Property (IGWG) werd gedurende twee jaar gediscussieerd. Het was dikwijls hard tegen onzacht: aan de ene kant de industrielanden die de belangen van de multinationals verdedigden en aan de andere kant regeringen van ontwikkelingslanden die de druk van de sociale bewegingen in hun land voelden.

De industrielanden leken onverzettelijk. De gangbare idee was dat innovatie nu eenmaal een prijs had en dat daarom dure medicijnen onvermijdelijk waren. Zonder patenten zouden bedrijven immers niet meer investeren in onderzoek, zo luidde het steeds, en dus zouden er geen nieuwe medicijnen meer ontwikkeld worden.

Met de consensus die bereikt werd tijdens de WHA in Genève wordt deze redenering voor het eerst verlaten. Uiteindelijk zijn de regeringen het er nu over eens dat innovatie én toegang tot nieuwe technologie hand in hand moet kunnen gaan in het belang van de volksgezondheid.

De uiteindelijke resolutie is lang en ingewikkeld maar bevat verfrissende ideeën zoals:

  • de mogelijkheid om op zoek te gaan naar andere middelen om onderzoek aan te moedigen zonder dat de prijzen de hoogte ingejaagd worden. Men denkt bijvoorbeeld aan prijzen voor innoverende nieuwe ideeën;
  • een wereldwijd verdrag over “research and development” waarbij alle landen zich ertoe zouden verplichten om bij te dragen aan onderzoek naargelang van hun welstand;
  • ontwikkelingslanden worden aangemoedigd om wetten aan te nemen die de monopolievorming moeten tegengaan;
  • het belang van een wereldwijde database met alle patenten op farmaceutische producten; en
  • de WHO moet actief tussenkomen om ontwikkelingslanden te helpen zodat ze gebruik kunnen maken van bestaande maatregelen in de internationale handelsverdragen om de toegang tot farmaceutische producten te verbeteren.

Het recht op gezondheid of op commercie?

Toch is niet alles gewonnen. Zo wilden verschillende arme landen, waaronder Cuba, Bolivia, Nicaragua, Venezuela, Ecuador en andere Latijns-Amerikaanse landen, graag een verwijzing in de tekst naar het recht op gezondheid. De rijke landen vonden het echter onaanvaardbaar om zwart op wit te verklaren dat “het recht op gezondheid boven commerciële belangen moet gesteld worden.” Men houdt het niet voor mogelijk maar het herinnert er ons aan dat zelfs een goede verklaring nog niet betekent dat alles nu plots zal veranderen. Venezuela drong er echter op aan dat het principe om het recht op gezondheid voorrang te geven op commercie op de agenda van de WHO moet blijven.

Het blijft ook uitkijken naar de echte agenda van de industrielanden en de farmaceutische multinationals. Blijkbaar beginnen ook de grote multinationals te beseffen dat het huidige systeem van patenten niet houdbaar is. Hun bekommernis is niet dat arme mensen in ontwikkelingslanden geen toegang hebben tot medicijnen maar ze stuiten op de beperkingen van de markt in de rijke landen en willen dus meer gaan verkopen in ontwikkelingslanden, vooral aan de middenklasse in landen als India, Brazilië en China. Daar hebben ze zich niet bepaald geliefd gemaakt door de hardnekkigheid waarmee ze aan hun patenten bleven vasthouden.

Ook de farmaceutische multinationals zijn dus op zoek naar alternatieven. “Niet alleen omdat de overheid van ontwikkelingslanden dreigen om patenten te verbreken,” schreef The Economist, een invloedrijk zakenblad, in een recent artikel over de problemen van de industrie, “maar ook omdat hun groeiende middenklasse een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent.” We zullen er dus moeten over waken dat de nieuwe initiatieven van de WHO om het patentsysteem te hervormen in het belang zijn van de patiënten, en niet van de multinationals.

Basisgezondheidszorg en sociale rechtvaardigheid

Opvallend was ook het pleidooi voor basisgezondheidszorg dat de algemeen directrice van de WHO, Margaret Chan, hield in haar openingspeech. Ze zei dat de vooruitgang op weg naar de millenniumdoelstellingen tot stilstand gekomen was en dat enkel basisgezondheidszorg een oplossing kon bieden. “Landen met een stevige gezondheidsinfrastructuur en efficiënte mechanismen om kwetsbare bevolkingsgroepen te bereiken hebben de beste uitgangspositie,” zei ze, “en om de millenniumdoelstellingen te bereiken moeten we de waarden, principes en benaderingen van basisgezondheidszorg in ere herstellen.”

Chan verwees daarbij naar de Verklaring van Alma-Ata uit 1978, die sterk de nadruk legde op sociale rechtvaardigheid als een voorwaarde om “gezondheid voor iedereen” mogelijk te maken tegen het jaar 2000. De concrete strategie die daaraan verbonden werd legde de nadruk op empowerment van lokale gemeenschappen en werd omschreven als basisgezondheidszorg. Deze strategie werd echter door internationale organisaties verwaarloosd en vervangen door programma's die selectief bepaalde ziekten bestreden in plaats van de algemene levensomstandigheden van de bevolking te verbeteren.

Tijdens één van de vele randactiviteiten van de assemblee werd dit pleidooi beantwoord door Halfdan Mahler, Chan's voorganger in de jaren 1970 en de bezieler van de conferentie van Alma Ata. “Om echte vooruitgang te maken moeten we stoppen om de wereld te beschouwen vanuit een medische invalshoek,” beklemtoonde hij. Mahler herinnerde eraan dat we al lang weten dat gezondheidsproblemen te maken hebben met politieke, sociale, economische en andere omgevingsfactoren. “Daarom is het hoog tijd dat we ons realiseren dat een strategie van sociale verandering een even belangrijke hefboom is voor de volksgezondheid dan de kennis van medische technologie.” De People's Health Movement trad deze visie bij en riep de WHO op om de uitgangspunten van Alma Ata terug op de agenda te plaatsen. “De WHO moet daarom de lidstaten helpen om echte basisgezondheidszorg te integreren in hun gezondheidsbeleid,” verklaarde PHM in een communiqué, “niet alleen op het vlak van de gezondheidszorg maar ook op het vlak van een sociaal-economisch beleid dat ook de onderliggende oorzaken van gezondheid bevordert.”

intal DOOR:

Deel dit artikel