Voedselcrisis 2008: “Landbouw eindelijk bovenaan de agenda”

“Voor de eerste keer in meer dan dertig jaar staat landbouw bovenaan de agenda van de internationale gemeenschap. Jarenlang was landbouw bijzaak,” schetst Lulu Xingwana, de Zuid-Afrikaanse minister van landbouw. Als de huidige voedselcrisis één ding kan leren, is dat het een keerpunt moet worden voor de onverschillige houding tegenover de voedselproblematiek, en bij uitbreiding het lot van 600 miljoen arme boeren. Landbouw in ontwikkelingslanden werd de afgelopen dertig jaar danig verwaarloosd door overheden en internationale instellingen. Importeren bleek goedkoper dan investeren.


Nu beleidsmakers met de neus op de feiten worden gedrukt, kunnen ze niet anders dan in gang schieten. Op de afgelopen VN-voedseltop in Rome erkenden beleidsmakers dat het alle hens aan dek wordt om de toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden. De VN becijferde dat de globale voedselproductie tegen 2030 moet verdubbelen om alle monden te kunnen voeden. Ontwikkelingslanden pleitten voor meer lokale productie, meer overheidsinterventie en een fikse uitbreiding van de investeringen in de landbouw. De afgelopen kwarteeuw plaatsten het IMF en de Wereldbank daarentegen vrijhandel en een terughoudende overheid centraal in hun beleid. Ook nu blijft de Wereldbank geloven in het opheffen van handelsbarrières als remedie tegen de stijgende voedselprijzen.

Deksel op de neus
Vrijhandel en een doorgedreven privatisering zou vanzelf meer welvaart creëren in het Zuiden, zo luidde de opvatting van de internationale instellingen. Ontwikkelingslanden kregen de raad om hun voedselvoorraden af te bouwen en zich toe te leggen op het verbouwen van cash crops bestemd voor de uitvoer – zoals katoen of koffie. Het aandeel investeringen in de landbouwsector zakte tussen 1990 en 2004 van 12% naar amper 4% van het totale pakket ontwikkelingsgelden. Ook België volgde die neerwaartse trend. In de praktijk kwam de vrijmaking van de handel in ontwikkelingslanden er vaak op neer dat lokaal gekweekte gewassen uit de markt werden geprijsd door goedkopere (en massaal gesubsidieerde) export uit Europa, de VS en Azië. Verarmde boeren zagen geen toekomst meer op het platteland, en migreerden naar de stad. Om hun kiespubliek in de grote steden tevreden te stellen, gaven ook politici in het Zuiden voorrang aan goedkope import, in plaats van te investeren in op het platteland.

Nu krijgen ontwikkelingslanden opnieuw het deksel op de neus. De grote exportlanden profiteren opnieuw van de situatie. Investeren in een levensvatbare landbouw is echter levensnoodzakelijk om op lange termijn een minimale onafhankelijkheid (‘voedselsoevereiniteit’) en stabiliteit te verwerven. Overheden moeten instrumenten in handen krijgen om hun kwetsbare landbouwsector af te schermen voor buitenlandse dumping, en daarmee een gezonde economische ontwikkeling te creëren. Strategische voedselvoorraden zijn nodig om plotse prijsstijgingen of acute tekorten op te vangen.

Verder is er speciale aandacht nodig voor het lot van de honderden miljoenen familiale landbouwgezinnen in het Zuiden. Agro-industriële bedrijven en plantages zijn vaak exclusief gericht op export, en dragen dus amper iets bij aan de lokale voedselsituatie. Bovendien creëert familiale landbouw veel meer jobs en voedselzekerheid, en is er een rechtvaardiger inkomensverdeling. Een belangrijke voorwaarde is dat deze ondervertegenwoordigde categorie op internationale beleidsfora versterkt wordt in haar rol als gesprekspartner.

Filip Polfliet (Communicatiemedewerker Bevrijde Wereld)

Lees het artikel ook in Djembé het driemaandelijkse tijdschrift van Bevrijde Wereld. 

Deel dit artikel