26 juni: Internationale dag tegen foltering

Het 'VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing' van 1984 trad in werking op 26 juni 1987. Maar hoewel foltering ten strengste verboden is, blijft het in vele landen een feit.

De gebeurtenissen van de laatste jaren beheersen de publieke discussie over foltering: zowel de definitie als de vraag of het gebruik van foltering onder bepaalde omstandigheden geoorloofd is. Het blijkt opnieuw noodzakelijk de argumenten waarom foltering verboden moet blijven, te verdedigen.

Het is onbetwistbaar dat staten en publieke instanties de plicht hebben alle mogelijke maatregelen te nemen om de openbare veiligheid te waarborgen. Maar deze opdracht moet binnen een juridisch kader uitgevoerd worden, met garanties voor het respect voor de menselijke waardigheid. Het gevangen houden en ondervragen van personen die mogelijk informatie over potentiële dreigingen kunnen geven, moet gebeuren overeenkomstig deze basisbeginselen van het recht.

Het formele verbod op foltering en andere vormen van mishandeling gaat terug tot de 19de eeuw toen de nationale wetgeving en internationale verdragen foltering zowel expliciet als impliciet buiten de wet begonnen te stellen. Het verdrag van 1984 was het hoogtepunt van een wetgevend proces, zowel op nationaal als op internationaal vlak. Het introduceert drie nieuwe elementen: een internationaal aanvaarde definitie voor foltering, het invoeren van een internationale strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor folteraars en de daarmee gepaard gaande verplichtingen voor staten inzake preventie en vervolging; en een herbevestiging van het verbod op wrede, onmenselijke en onterende behandeling.

Het huidige debat over foltering concentreert zich op vier punten.

Ten eerste is er het ‘drempel’-debat. Zij die bepaalde vormen van mishandeling voorstaan, trekken de definitie van foltering vaak in twijfel, vernauwen deze en beperken het tot het veroorzaken van ernstig fysiek leed. Zij zeggen of suggereren dat alles onder de grens van deze beperkende definitie, toegestaan en wettelijk is. Internationaal overeengekomen standaarden zijn echter veel strikter over wat humaan en wettelijk is en wat niet. Internationaal recht (en de meeste nationale wetgeving) verbiedt gedrag zoals gewelddaden tegen de persoonlijke waardigheid; aanslagen op het leven, de gezondheid en het welzijn; elke vorm van aanslagen op de eerbaarheid, elke brutaliteit, onmenselijke, wrede en vernederende behandeling of bestraffing; fysieke of morele dwang; intimidatie; en verminking of enige vorm van lijfstraffen.

Ten tweede stellen voorstanders van mishandeling lijsten op met toegestane en verboden praktijken. Het loutere opstellen van dergelijke lijsten is echter niet voldoende om vast te stellen of misbruiken al dan niet hebben plaatsgevonden. Praktijken moeten worden onderzocht in het licht van de algemene omstandigheden waarin ze worden toegepast. Zo variëren de gevolgen van mishandeling afhankelijk van de mentale gezondheid, fysieke kracht, culturele achtergrond, leeftijd en geslacht van het slachtoffer en de omgeving waarbinnen de mishandeling plaatsvindt. Andere elementen zijn ook van belang, zoals de duur of de combinatie van gebruikte methoden. In sommige gevallen kan één enkele daad neerkomen op foltering. In andere gevallen is foltering het gevolg van verschillende methoden die over een bepaalde tijdspanne worden toegepast en die, wanneer ze afzonderlijk en buiten de context worden bekeken, onschuldig lijken.

Ten derde wordt het lijden veroorzaakt door mishandeling vaak geminimaliseerd. De gevolgen van foltering en andere vormen van mishandeling kunnen louter psychologisch of zowel psychologisch als fysiek zijn. Specialisten zijn van mening dat de psychologische angst veroorzaakt door mishandeling vaak zwaarder doorweegt dan de fysieke pijn. De psychologische gevolgen van verplicht te worden getuige te zijn van de foltering van een familielid of verplicht te worden seksuele mishandeling te ondergaan, kunnen even traumatisch zijn als verminkingen - of zelfs erger.

Ten slotte maken de voorstanders van een 'geregelde' toepassing van foltering gebruik van de publieke bekommernissen in verband met veiligheid om mishandeling tijdens ondervragingen te rechtvaardigen. Dit is het zogenoemde ‘tikkende bom’ argument. Niettemin betwijfelen veel specialisten de waarde van informatie die wordt bekomen onder dwang van foltering of mishandeling. Verder kunnen de vernedering en de haatgevoelens van individuen en ganse gemeenschappen leiden tot een escalatie van het geweld. Historisch heeft het toestaan van foltering geleid tot een grotere tolerantie, met als gevolg de afbrokkeling van het verbod. Om die glibberige helling te vermijden, is een standvastig totaalverbod vereist.

De positie van het Internationale Rodekruiscomité is duidelijk: het verwerpt steevast elke toevlucht tot foltering. Het verbod dat vervat is in het internationaal recht is absoluut en staat geen enkele uitzondering toe. Tenslotte is het Internationale Rodekruiscomité ervan overtuigd dat de verdiensten van het respect voor menselijke waardigheid veel zwaarder wegen dan gelijk welke rechtvaardiging voor foltering.

Door Alain Aeschlimann, hoofd van de dienst Bescherming van het Internationale Rodekruiscomité.
  

Deel dit artikel