Armoede voedt vakbonden in Egypte

In de afgelopen achttien maanden zijn in Egypte achthonderd vakbonden opgericht die 3 miljoen werknemers vertegenwoordigen. Die komen deels uit de verarmde middenklasse, die in de afgelopen decennia te maken kreeg met het 'Open Deur-beleid' van de voormalige president Sadat.

Ahmed Hassanein (37) werkt in een moderne fabriek in een industriële enclave in West-Caïro. Hij draagt een netjes gestreken uniform en bedient apparatuur in een fabriek die onderdelen produceert voor buitenlandse personenauto's.

Aan het einde van zijn dienst gaat hij naar zijn tweekamerflat zonder airconditioning, waar sporadisch water en elektriciteit is. In de slaapkamer past niet veel meer dan een bed. Zijn twee kinderen delen een bed in een nis waar vroeger het balkon was. Hassanein kan de huur betalen, de nutsvoorzieningen, en het eten dat af en toe vlees of vis bevat. Maar zelfs met de parttime-inkomsten van zijn vrouw erbij blijft er aan het einde van de maand maar zelden geld over.

Hassanein is een van de talloze Egyptenaren die voor een mager loon zwoegen in fabrieken en zich niet de producten kunnen veroorloven die ze maken. "Mijn vader had een Fiat. Daar heb ik een paar jaar in gereden, tot hij kapot ging. Ik nooit zelf een auto gekocht", zegt hij. Net als de meeste van zijn collega's, gaat hij met de bus naar zijn werk.

Hassanein is niet geboren in armoede. Het overkwam hem, net als miljoenen andere Egyptenaren uit de middenklasse die hun koopkracht in de afgelopen decennia zagen afnemen. In de veertig jaar die voorbijgingen nadat de voormalige president Anwar El-Sadat zijn 'Infitah-politiek' (Infitah betekent Open Deur) introduceerde, stroomde veel privaat kapitaal naar Egypte. De lage lonen trokken investeerders aan, Egypte bood goede belastingvoorwaarden en subsidieerde energie. Daarnaast werden vakbondsactiviteiten onderdrukt en arbeidsstandaarden genegeerd.

Economische groei

Politiek econoom Amr Adly zegt dat de markliberalisering en het neoliberale beleid een zegen zijn geweest voor buitenlandse bedrijven en welgestelde Egyptenaren. De daaruit voortvloeiende werkloosheid, corruptie en oneerlijke verdeling van de welvaart, waren de belangrijkste factoren achter de opstand waarbij president Hosni Moebarak vorig jaar werd afgezet.

"De economie groeide met 7 of 8 procent voor de revolutie, maar de gewone Egyptenaar kon daar niet van profiteren", zegt Adly. "De lonen bleven in sommige sectoren ver achter bij de inflatie."

De erfenis van Moebarak is een land met 83 miljoen inwoners, waarin een kwart van de bevolking onder de armoedegrens van 2 dollar per dag leeft. De lonen in Egypte behoren tot de laagste ter wereld. Het nationale minimumloon werd vorig jaar vastgesteld op 700 Egyptische pond (87,20 euro) per maand. "We willen meer loon, maar elke weg daarheen is geblokkeerd", zegt Hassanein. "Uiteindelijk mag je blij zijn dat je werk hebt."

Overheidsbelangen

Onder Moebarak werden werknemers ontmoedigd zich aan te sluiten bij vakbonden. Deden ze dat wel, dan waren ze verplicht lid te worden van een van de 24 bonden die aangesloten waren bij de Egyptische Federatie van Vakbonden (ETUF). Activisten zeggen dat deze kolossale, door de staat gecontroleerde arbeidsorganisatie de belangen van de overheid en grote bedrijven diende, door pogingen van werknemers om te demonstreren of collectieve onderhandelingen te voeren, te blokkeren.

Het bestuur van ETUF werd ontbonden na de opstand van 2011, maar veel vakbondsleiders die loyaal waren aan Moebarak zitten nog op hun plaats. De federatie heeft 3,5 miljoen betalende leden, maar zij krijgen weinig terug voor hun financiële bijdrage.

Wilde stakingen

Textielarbeider Kareem El-Beheiry deed mee aan een staking voor hogere lonen, maar zijn eigen vakbond probeerde dat tegen te houden. "Door de staat gesteunde vakbonden hebben de werknemersrechten nooit gerespecteerd", zegt de 27-jarige El-Beheiry, die nu projectmanager is bij een ngo die werknemers helpt zich te organiseren.

El-Beheiry was een van de 24.000 arbeiders van een staatstextielfabriek die in 2006, tegen de wil van de officiële vakbondsleiders in, in staking gingen in de noordelijke stad Mahalla El-Kubra. De inzet was de uitbetaling van beloofde bonussen. De actie lokte een reeks aan wilde stakingen uit, die nu gezien worden als de katalysator voor de massaopstanden die leidden tot de val van Moebarak.

De stakingsgolf is nog steeds niet voorbij en raakt vrijwel elke sector en regio in het land. Vorig jaar was er een record van 1400 collectieve acties, zegt Zonen van het Land, een plaatselijke mensenrechtengroep.

Een van de consequenties van de arbeidsonrust is dat werknemers steeds vaker de hegemonie van de ETUF op het gebied van vakbondsactiviteiten uitdagen. Ze richten zelf onafhankelijke bonden op die voor hun belangen, en niet voor die van de staat, opkomen. Voor de opstand van 2011 waren werknemers erin geslaagd vier onafhankelijke vakbonden op te richten. In de afgelopen achttien maanden groeide dat aantal met achthonderd.

Moslimbroederschap

Analisten zeggen dat het nieuwe regime, net als zijn voorganger, de werknemers wil beperken in hun mondigheid. De Moslimbroederschap, de islamitische groepering die de nieuwe Egyptische president leverde, heeft aanzienlijke belangen in het bedrijfsleven en kent een lange geschiedenis van antivakbondsactiviteiten.

"De Moslimbroederschap wil geen sterke vakbonden", zegt Hadeer Hassan, een Egyptische journalist gespecialiseerd in arbeid. "Stakende werknemers worden door de Broederschap bestempeld als 'dieven'.

De nieuwe Egyptische minister van Arbeid, een prominent lid van de Broederschap en een voormalige ETUF-afgevaardigde, heeft een wetsvoorstel ingediend om het onmogelijk te maken dat werknemers lid zijn van meer dan één vakbond. Als de wet wordt aangenomen, betekent dat het einde van de meeste onafhankelijke vakbonden die nu naast de grote ETUF-bonden bestaan, zegt Hassan. "Dan zijn we weer terug in het Moebarak-tijdperk."



BRON:
IPS
IPS DOOR:

Deel dit artikel