Boerin in Latijns-Amerika bezit zelden land

Peru

Vrouwen in Latijns-Amerika produceren ongeveer de helft van het voedsel dat in de regio gegeten wordt. Het overgrote deel van het land is echter in handen van mannen, en dat moet veranderen vindt de VN-Voedsel -en Landbouworganisatie (FAO).

Latijns-Amerikaanse vrouwen hebben nog steeds te maken met ernstige obstakels als het gaat om landbezit. Daardoor bevinden ze zich in een kwetsbare positie, terwijl ze steeds belangrijker worden als het gaat om voedselproductie.

Volgens Soledad Parada, genderadviseur bij de FAO, houden activiteiten die gericht zijn op het verbeteren van de eigendomssituatie van land, meestal geen rekening met vrouwen. "Het gevolg is dat zij land alleen verkrijgen via een erfenis of omdat het wordt toegekend door een landbouwhervormingsprogramma. Maar ze staan altijd op achterstand", zegt ze.

Net als in andere regio's in ontwikkeling is het grootste deel van het voedsel in Latijns-Amerika afkomstig van gezinsbedrijven. Tussen 8 en 30 procent van het land is in handen van vrouwen. "Dat betekent dat alleen zij in economische zin gezien worden als boer", zegt Parada.

Chili

Het land waar het meeste land op naam van vrouwen staat, is Chili (30 procent). Daarna volgen Panama, Ecuador en Haïti. Aan het andere einde van het spectrum bevindt zich Belize, met 8 procent. De Dominicaanse Republiek, El Salvador en Argentinië zitten iets boven die 8 procent.

Vrouwen hebben meestal kleinere bedrijven en de kwaliteit van de grond is ook vaak slechter. Ze hebben bovendien minder mogelijkheden krediet aan te vragen, technische bijstand in te roepen en trainingen te volgen. "Technici willen vaak niet eens een vrouw bezoeken", zegt Sergio Gómez, consultant bij de FAO. "Voor alle formele procedures is de handtekening van een man vereist, omdat alle bezit op zijn naam staat. Anders telt het bezoek niet."

De genderkloof is gegroeid uit historische gewoonten, zoals bevoorrechting van de man bij erfenissen, mannelijke voorrechten binnen het huwelijk en vooroordelen die meespelen bij landverdelingsprogramma's en in kleine en inheemse gemeenschappen.

Harder werken

Er zijn meer ongelijkheden. In Mexico bijvoorbeeld werken plattelandsvrouwen gemiddeld 89 uur per week. Voor mannen is dat 59 uur. In de rest van Latijns-Amerika zijn soortgelijke patronen zichtbaar. Bijna 40 procent van de plattelandsvrouwen heeft echter zelf geen inkomen, terwijl dat voor 14 procent van de mannen geldt.

In de afgelopen decennia is wel vooruitgang geboekt, zegt Parada. Veel landen in de regio, zoals Nicaragua, hebben wettelijke hervormingen doorgevoerd. Vrouwen kunnen daardoor eerder aanspraak maken op land. "In andere landen zijn ook wetten aangepast, zodat vrouwen in het geval van een huwelijk allebei zeggenschap hebben over het land."
Gelijkheid is echter niet alleen een kwestie van juridische aanpassingen, zegt Parada. Het gaat om om de sociale erkenning van de rechten van vrouwen. In dat opzicht bestaat er nog steeds ongelijkheid.

Culturele kwestie

Alicia Muñoz, hoofd van de Chileense Associatie van Inheemse en Plattelandsvrouwen (Anamuri), zegt te strijden voor de erkenning van het werk van vrouwen. "Vrouwen vervullen een leidinggevende rol op het platteland, in de kleinschalige landbouw. Deze vrouwen vragen al lange tijd om het recht op landbezit." Muñoz zegt dat het vooral een "culturele kwestie" is. "In veel landen in Latijns-Amerika spreken mannen voor vrouwen in de landbouw."

In 2012 nam de Commissie voor Wereldvoedselzekerheid (CFS) van de FAO richtlijnen aan over verantwoord landbeheer. Daarin is ook aandacht voor de positie van vrouwen en meisjes. "Zowel regeringen als de FAO moeten participatie van vrouwen stimuleren bij de implementatie van die richtlijnen", zegt Muñoz. "Anders blijft alles bij het oude."

Deel dit artikel