Ebbenhoutblues op het Afrikaforum van Oxfam-Wereldwinkels.

Op zaterdag 29 april viert Oxfam-Wereldwinkels haar 35-jarig bestaan met overdag een forum en 's avonds een groot feest

Tijdens het Afrikaforum buigen we ons die dag over de vraag: 'Kan de export van landbouwproducten Afrika meer ontwikkeling brengen?' 

Waarom wil Oxfam- Wereldwinkels Afrika zo graag in de kijker zetten?


Het besef groeide sterk dat we in ons assortiment met heel veel Latijns-Amerikaanse producentengroepen werken en heel wat minder met Afrikaanse of Aziatische. Voor Afrika volgen we daarmee de trend op wereldvlak. Van alle internationale handel in de wereld gebeurt slechts 1,5% met Afrika. Een beweging die precies tot doel heeft om die oneerlijke handelsverhoudingen aan te klagen, kan zich daar niet bij neerleggen.  Vooral omdat voor heel wat landen in Afrika de productie van landbouwgrondstoffen zowat de belangrijkste economische activiteit is. Bovendien zijn de meeste van die Afrikaanse landen voor hun export afhankelijk van één of twee producten.

Neem het verhaal van Ethiopië. De exportinkomsten hangen er voor 75% af van welgeteld één product: koffie. Het hele land en zijn bevolking zijn dus afhankelijk van de koffie.  Het leven van 25% van de Ethiopische bevolking, bijna allemaal kleine koffieboeren en hun gezinnen, kan door een plotse daling van de koffieprijs volledig overhoop gehaald worden.  In Ethiopië gaat het om koffie. In andere landen om cacao of katoen of nog wat anders. De lage prijzen van de laatste decennia betekenden dan ook een ramp voor deze mensen.

Meer nog dan in de Zuid-Amerikaanse landen ontbreekt het in Afrika aan industrie, niet in het minst aan voedingsverwerkende industrie. In economische termen noemt men dat de nood aan meer ‘added value’.  Om sterker te staan moeten die landen een grotere verscheidenheid aan producten voortbrengen. Lokale en regionale markten dienen gestimuleerd te worden. De afhankelijkheid van één of enkele landbouwproducten moet doorbroken worden. Alleen is het niet zo simpel om zo’n productiepatroon van de ene dag op de andere te veranderen.

Deze landen gaan dus op zoek naar strategieën om van die afhankelijkheid af te geraken. Met vallen en opstaan. Ze trachten bijvoorbeeld te diversifiëren. Maar kijk naar het ananasverhaal: de vraag naar ananas stijgt en dus ontvangen de boeren een correcte prijs. Maar…zowel in Paraguay, Costa Rica als Benin of Burkina Faso wordt duchtig ananas geproduceerd om te diversifiëren. Gevolg: overal ananas. De vraag voldaan. En de prijzen dalen. Weg winst.

Of neem Uganda. Ongeveer tachtig procent van de bevolking is er landbouwer en produceert  voedsel voor slechts twintig procent consumenten.  Zelfs de best geoliede lokale markt kan die massa voedsel nooit vermarkt krijgen. Bovendien verdienen die tachtig procent  boeren en boerinnen zelf te weinig om de lokale vraag aan te zwengelen. Verwerking en export zijn dus nodig om de productie vermarkt te krijgen en om geld binnen te brengen.

Afrika heeft nood aan méér industrie en méér verwerking. En natuurlijk kunnen ook het toerisme, kennisbedrijven of de dienstensector de afhankelijkheid van landbouwgrondstoffen doorbreken. Maar wie investeert in Afrika? Wie verdient aan de Safari in Kenia? Wie zal die noodzakelijke omvorming van de economie bekostigen?  Duurzame ontwikkeling voor Afrika? Het roept vele vragen op.

Daarom brengen we op het Afrikaforum van zaterdag 29 april ervaren mensen uit Afrika, experten en beleidsmensen samen om zich te buigen over de voor ons toch wel cruciale vraag: Kan de export van landbouwproducten Afrika meer ontwikkeling brengen?

Volledige programma Afrikaforum.

Deel dit artikel