Enkele kanttekeningen van ngo's bij de Millenniumdoelen


Van bij het begin was er discussie over de reikwijdte van de doelstellingen. Waren ze utopisch of net akelig pragmatisch? Voor de bedenkers van de doelstellingen ging het alvast niet om een verre utopie, maar om een inhaaloperatie. Het verwezenlijken van de MDG's zou ons terug in lijn brengen met de sociale vooruitgang van de jaren 1960 en 1970 en compenseren voor de terugval en vertraging die we in de jaren 1980 en 1990 waren opgelopen.

Dat klinkt pragmatisch. Maar in realiteit blijken de doelstellingen meer dan een maat te groot voor het beleid dat momenteel binnen landen en internationaal wordt gevoerd. Ook doelstelling 8 zorgt voor problemen.
Inspanningen van ontwikkelingssamenwerking blijven achter bij vaak herhaalde beloftes. En beleid op andere terreinen is vaak meer deel van het probleem dan van de oplossing. Denken we maar aan de financiële crisis die in een mum van tijd de geboekte vooruitgang voor een aantal belangrijke MDG's wegveegde.


De ngo's hebben er nooit een geheim van gemaakt dat de millenniumdoelen als doelstelling niet volstaan. De MDG's zijn in het beste geval half werk. Wat doe je met die andere helft armen die niet binnen de doelstelling van de strijd tegen de armoede valt?

In de lijst doelstellingen zelf zaten grote leemtes die ook door het opnemen van arbeid in MDG1 niet werden opgevangen. De indicatoren waren dan weer te eng om echte vooruitgang naar de doelstellingen te meten.
Een voorbeeld: een duurzaam milieu is niet enkel af te meten aan de het percentage van de bevolking dat drinkbaar water ter beschikking heeft.

De doelstellingen 1 tot 7 waren dan wel aardig gekwantificeerd en van een streefdatum voorzien, voor doelstelling 8, waar vooral de noordelijke landen boter bij de vis moeten leveren, blijft de tekst niet toevallig steken in intenties en vage voorschriften.

De MDG's geven aanleiding tot een te mathematische aanpak van ontwikkeling.
Je steekt geld in de machine en er komt automatisch ontwikkeling uit het schuifje. Ze kunnen ook leiden tot puur resultaatvoetbal, waarbij in de jaren vlak voor de streefdatum abnormaal veel wordt ingezet op enkele publiek heel voelbare indicatoren.

Ook bestaat het risico dat in verhouding een te groot deel van de middelen toestroomt naar de lievelingen van de donorgroep of naar landen waar met een beperkte inbreng op MDG-indicatoren goed kan worden gescoord.

In het kader van de MDG-aanpak krijgen we een goede geografische inventaris van de armoede, maar er wordt te weinig gepeild naar de oorzaken.

Het MDG-kader houdt weinig of geen rekening met ongelijkheid.
In theorie is het mogelijk om op globaal niveau de MDG's te halen ondanks een groeiende ongelijkheid binnen en tussen landen. Als je verder kijkt dan 2015 is ontwikkeling op basis van groeiende ongelijkheid nochtans geen duurzame optie. De jongste jaren erkennen ook donoren en internationale instellingen zoals de Wereldbank ongelijkheid als een belangrijk probleem.

Voor ngo's wordt onderontwikkeling grotendeels veroorzaakt door een slechte verdeling van macht. Echt duurzame remedies zijn dan ook gebaseerd op een scherpe analyse van nationale en internationale machtsverhoudingen. Dat gebeurt in het internationale debat rond de MDG's weinig of niet.


De Millenniumdoelstellingen en gender
Uit jarenlange ervaring in ontwikkelingssamenwerking blijkt dat investeren in vrouwen de sleutel vormt om armoede terug te dringen en ontwikkeling op te bouwen.

Een stijging met 10% van de alfabetiseringsgraad van vrouwen gaat bvb. gepaard met een even grote daling van de kindersterfte. In grote lijnen komt de ontwikkeling en participatie van de vrouw dus niet alleen haarzelf, maar de hele gemeenschap ten goede.

Het bewustzijn dat investeren in gelijkheid tussen mannen en vrouwen één van de kritische variabelen is die economische groei en menselijke ontwikkeling linkt en stimuleert, heeft in de internationale gemeenschap geleid tot een grotere aandacht voor gendergelijkheid, o.m. in armoedebestrijding.

Ondanks dit bewustzijn worden vrouwen bij het adviseren en uitstippelen van beleid en (armoede)strategieën ook in de 21ste eeuw nog nauwelijks gehoord. Vrouwen worden niet erkend als economische actoren, ook niet binnen de armoedebestrijding.

Hoewel het transversale (themaoverschreidend) karakter van genderaspecten zeer aanwezig is in het Human Development Report van 2003, komt gender in de Millenniumdoelen nogal teleurstellend als afzonderlijk thema voor.
Het gaat hier dan hoofdzakelijk over gelijke toegang tot onderwijs. Alleen in de indicatoren wordt gepeild naar participatie op de arbeidsmarkt en in het landelijk beleid. Het genderaspect komt voorts nog aan bod in Doelen 5 en 6, die de vrouw overigens in haar traditionele rol van moeder en slachtoffer duwen. Thema’s zoals seksuele gezondheid en reproductieve rechten worden niet aangeraakt.

In de andere doelen is gender al even onderbelicht; geen enkele van de zeven wordt op een gendergevoelige manier naar streefdoelen en indicatoren vertaald. Ondertussen wordt het duidelijk dat bij de tussentijdse evaluaties ook niet bepaald door een genderbril wordt gekeken.

In het algemeen gaan de MDG's al te veel voorbij aan de engagementen en voorstellen uit de conferenties van o.m. Peking, Cairo en Kopenhagen, die vaak veel progressiever en verregaander waren.

Doel 3: Het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en het creëren van mogelijkheden voor vrouwen

Streefdoel 4:
Ongelijkheid tussen jongens en meisjes uitbannen in het lager en voortgezet onderwijs, liefst tegen 2005 en op alle niveaus tegen 2015

  • Indicator 9: Verhouding meisjes/jongens in basis-, voortgezet en hoger onderwijs
  • Indicator 10: Verhouding vrouwen/mannen die kunnen lezen in de leeftijdscategorie 15 tot 24
  • Indicator 11: Aandeel van vrouwen met een betaalde baan buiten de landbouwsector
  • Indicator 12: Percentage van vrouwen dat zetelt in het parlement

Deel dit artikel