Het ‘einde van het landmijnentijdperk’ nog geen realiteit

Van 29 november tot 3 december 2004 vindt de topconferentie van Nairobi plaats. Wereldleiders komen er samen om de vooruitgang in de strijd tegen de antipersoonsmijnen te bespreken sinds de ondertekening van het Ottawaverdrag in 1997. Dat verdrag stelt een volledige ban op antipersoonsmijnen in. Daarbij beperkt het verdrag zich niet alleen tot het gebruik, het spreekt zich ook uit over de productie, de doorvoer, de opslag en zelfs de vernietiging ervan.

Het verhaal van het Ottawaverdrag is op vele manieren een succesverhaal. Rond 1995 bestempelde het medische personeel van het Internationale Rodekruiscomité het probleem van de antipersoonsmijnen als een heuse epidemie. Zij werden immers overstelpt door een steeds toenemend aantal (burger)slachtoffers van die wapens. Het verzet en de grootschalige publieke actie van het Rode Kruis, maar ook van de Internationale Campagne voor een Ban op Landmijnen, de Verenigde Naties en talrijke staten leidde in 1997 tot de aanvaarding van het Ottawaverdrag. Nooit eerder kwamen staten overeen een wapen dat op zo’n grote schaal over de hele wereld werd gebruikt, te bannen. Het verdrag stoelt op de grondregels van het internationaal humanitair recht die het gebruik van bepaalde wapens verbieden omwille van het menselijke leed dat zij veroorzaken.

Sinds antipersoonsmijnen in 1997 werden verboden, zijn indrukwekkende vorderingen gemaakt. Het ‘einde van het landmijnentijdperk’ is een reële mogelijkheid geworden. In veel getroffen landen heeft het verdrag merkbare resultaten. In verdragsstaten die hun verplichtingen nakomen is het jaarlijks aantal nieuwe mijnenslachtoffers met twee derde of meer gedaald.
De verdragsstaten investeerden meer dan 800 miljoen euro in ontmijning, vernietiging van voorraden en bijstand aan slachtoffers. Vandaag hebben zij meer dan 31 miljoen opgeslagen antipersoonsmijnen vernietigd, binnen de termijnen die door het verdrag werden vooropgesteld. Twee landen, Costa Rica en Djibouti, zijn dit jaar mijnenvrij verklaard. In alle andere staten zijn ontmijningsactiviteiten opgestart. Daardoor komt land vrij voor landbouw, commerciële activiteiten en speelterreinen, en kunnen gemeenschappen heropgebouwd worden. Door de ruime toetreding tot het Ottawaverdrag is het niet-gebruik van antipersoonsmijnen als internationale norm erkend. Zelfs militaire grootmachten die geen partij zijn in het verdrag worden erdoor beïnvloed. De wereldhandel in antipersoonsmijnen is tijdens de voorbije 5 jaar nagenoeg stilgevallen.

En toch is het Ottawaverdrag maar een half succesverhaal. Zolang antipersoonsmijnen jaarlijks nog duizenden mensen verminken of doden is het te vroeg om victorie te kraaien en van een overwinning op die ‘onzichtbare moordenaars’ te spreken. Te vroeg ook om de inspanningen te verzwakken.

Tientallen staten waaronder enkele massaproducenten en -bezitters van antipersoonsmijnen zijn nog steeds niet tot het verdrag toegetreden.
Zo'n 200 miljoen antipersoonsmijnen blijven verspreid over de wereld opgeslagen, voornamelijk in staten die geen partij zijn bij het verdrag. Lang
na het einde van een conflict blijven antipersoonsmijnen een bedreiging voor kinderen, mannen en vrouwen. Het streefdoel van tien jaar voor volledige ontmijning nadert voor de eerste staten in 2009. Om dat doel te bereiken, moeten staten die getroffen zijn door mijnen hun inspanningen verhogen en moeten de andere verdragsstaten hen daarin steunen. De meeste slachtoffers van mijnen moeten de nodige verzorging en revalidatie ontberen, omdat zij leven in landen waar de gezondheidsvoorzieningen beneden peil of door oorlog volledig weggevallen zijn. Zolang zij leven, zal in hun behoeften moeten worden voorzien. De beschikbare financiële middelen en het aantal deskundigen is ontoereikend voor het invullen van de actuele noden.

De top in Nairobi is bepalend voor het verdere succes van het Ottawaverdrag. Het is bovendien een uitgelezen kans om staten en publiek opnieuw te mobiliseren voor de strijd tegen antipersoonsmijnen. De uitdagingen zijn niet gering: het verdrag universaliseren, donorvermoeidheid voorkomen en blijvend aandacht vragen voor de noden van slachtoffers naast de immense inspanningen voor ontmijning. Staten mogen in Nairobi niet alleen terugblikken op de bereikte resultaten, maar moeten een actieplan opstellen voor de komende 5 jaren en daarna, zolang deze onmenselijke wapens een dreiging blijven vormen voor mensen en gemeenschappen.

Hoewel de uitvoering van het verdrag een verplichting voor staten is, draagt ook de gemeenschap een blijvende verantwoordelijkheid. De ondertekening van het Ottawaverdrag was het opmerkelijke resultaat van gezamenlijke inspanningen van staten, ngo’s en het grote publiek. Ook bij de uitvoering en opvolging van het verdrag blijft de inbreng van al die partners essentieel. Het Internationale Rode Kruis en de Internationale Campagne voor een Ban op Landmijnen hebben het verdrag onafgebroken gesteund en zullen ook in Nairobi hun stem laten horen. Maar om het ‘einde van het landmijnentijdperk’ een realiteit te maken moeten zowel de staten als de humanitaire wereld kunnen blijven rekenen op de steun van het publiek.

Arianne Acke
Hoofd Humanitair recht, Rode Kruis-Vlaanderen

 

Deel dit artikel