Het Rode Kruiscomité ten tijde van de Eerste Wereldoorlog

Dag van de Wapenstilstand (11 november): In augustus 1914 trok de wereld ten strijde. Als gevolg van dit mondiaal conflict lieten meer dan negen miljoen mensen het leven.

De Eerste Wereldoorlog was daarmee voor het Internationale Rode Kruiscomité (ICRC) de grootste uitdaging waarmee ze sinds haar indertijd 50-jarige bestaan geconfronteerd werd. In het aanzicht van het menselijk lijden en de beklemmende onmenselijke behandelingen van burgers en strijders, startte het ICRC activiteiten op om burgers te helpen, krijgsgevangenen te bezoeken en het gebruik van chemische wapens af te keuren.

Het Internationaal Agentschap voor Krijgsgevangenen
Dat nood wet brak, wordt ook bevestigd door de uitbreiding van de activiteiten van het Internationale Rode Kruiscomité. Terwijl voordien het traditionele mandaat van het ICRC enkel de verzorging van gewonden en zieken omsloot, begon het comité tijdens WOI ook aandacht te schenken aan de omstandigheden van krijgsgevangenen. Na de oorlog werden de rechten van krijgsgevangenen op schrift gesteld in een verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen (1929).

Het ICRC richtte in de oorlogsjaren het Internationaal Agentschap voor Krijgsgevangenen op (1914). Dit agentschap had tot taak het contact te herstellen tussen krijgsgevangenen en hun familieleden. Vertegenwoordigers van het ICRC gingen op bezoek bij de krijgsgevangenen, wisselden informatie uit via Rode Kruisberichten en keken toe op de leefbaarheid van de gevangenissen. Na zulk een bezoek werden de bevindingen gebundeld en in rapportvorm aan de betrokken staten voorgelegd, waarin ook een deel gewijd was aan voorstellen ter verbetering van de menselijke toestand. De slachtoffers van het geweld kregen op die manier door het ICRC een stem.

De archieven van het Agentschap
Het Museum van de Internationale Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging in Genève herbergt tot op vandaag het indrukwekkende archief van dit Agentschap. De referenties hebben betrekking op twee miljoen gevangenen van over heel de wereld: niet alleen van de Europese landen, maar ook van toenmalige kolonies zoals India en Senegal. Onder de gevangenen bevonden zich soldaten, medisch personeel, burgers... maar eveneens duiken de namen van enkele bekende figuren als de Franse kapitein Charles de Gaulle op in het archief, die in Verdun in 1916 gevangen was genomen door de Duitsers.

Krijgsgevangenen en vermiste personen hier en nu
Ook vandaag bekommert de Rode Kruisbeweging zich om het lot van krijgsgevangenen en vermiste personen. Kort na de Tweede Wereldoorlog besliste de internationale gemeenschap dat ook burgers in oorlogstijd beschermd moesten worden en dat de reeds bestaande verdragen (ter bescherming van gewonden, zieken en krijgsgevangenen) aan een herziening toe waren. Het is uitermate belangrijk dat de regels zoveel mogelijk personen in oorlogstijd beschermen. Sinds 1949 bestaan er bijgevolg strikte normen voor de behandeling van krijgsgevangenen. Hoofdregel is dat krijgsgevangenen altijd menswaardig behandeld moeten worden en dat het doden, martelen of verwonden van krijgsgevangenen verboden is.

Het Rode Kruis legt zich echter niet alleen toe op het contactherstel tussen krijgsgevangenen en hun families, ook andere personen kunnen elkaar uit het oog verliezen door onvoorziene omstandigheden zoals een zware natuurramp of bij ernstige conflicten. Door middel van het wereldwijde Rode Kruisnetwerk tracht de opsporingsdienst van het Rode Kruis, de Tracingdienst, vermiste personen op te sporen en het contact te herstellen.

Wenst u meer informatie te ontvangen over het Internationaal Humanitair Recht of de werking van onze opsporingsdienst Tracing, dan kan u terecht op onze website: http://www.rodekruis.be of kan u ons rechtstreeks contacteren: humanitair.recht@rodekruis.be of tracing@rodekruis.be.


Deel dit artikel