Inclusief onderwijs: droom of realiteit?

De ervaring van het Enabling Centre in India

Over de hele wereld  zijn er heel wat goede voorbeelden te vinden van projecten of initiatieven die inclusie van personen met een handicap in de praktijk trachten te brengen, ook in het Zuiden. Uit deze praktijkvoorbeelden kunnen lessen worden getrokken voor het streven naar inclusie elders en op grotere schaal. Een algemene handleiding voor inclusie ontwerpen is echter niet mogelijk want de strategie om aan inclusie te werken moet steeds bepaald worden aan de hand van een grondige verkenning van de concrete omgeving waarin men inclusie van personen met een handicap wenst te realiseren. In wat volgt bespreken we de ervaringen van het Enabling Centre in New Deli, India, dat zich omvormde van een school voor kinderen met een handicap naar een centrum voor inclusief onderwijs.


Van seclusie naar inclusie in het Enabling Centre

Tussen 1988 en 1996 was het Enabling Centre uitsluitend een school voor kinderen met een handicap. In 1994 maakten de verantwoordelijken van het project kennis met de inclusiegedachte op het Wereldcongres rond mentale handicap in New Delhi. Het werd duidelijk dat de school tot dan toe zich geconcentreerd had op de ontwikkeling van waardevolle methoden om leerlingen met een handicap in staat te stellen zich aan te passen aan het reguliere onderwijs. Inclusie vraagt echter dat het reguliere systeem zich aanpast aan de behoeften van alle kinderen. Daarom werd een inclusief programma opgestart waarbij niet-gehandicapte kinderen uit de plaatselijke sloppenwijk werden toegelaten tot de school. De idee was dat ook zij, net als kinderen met een handicap, elders moeilijk terecht konden omwille van hun sociale achtergrond. De inclusieve werking werd niet abrupt maar geleidelijk aan ingevoerd. Aanvankelijk werden niet alle lessen voor gemengde groepen van leerlingen met en zonder handicap georganiseerd. Het inclusieve programma bestond naast het oorspronkelijke dat zich enkel richtte naar leerlingen met een handicap. De leerlingen van beide programma's kenden elkaar aanvankelijk niet. Dat veranderde pas in januari 1997 toen tijdens het tweede jaar van het programma de kinderen van beide groepen werden gemend tijdens een aantal naschoolse activiteiten. Veertig kinderen, waarvan ongeveer de helft met een handicap, namen gezamenlijk deel aan een festival of aan de viering van de jaarlijkse feestdag van het centrum. Tijdens observaties stelde men vast dat de leerlingen van beide groepen sterk samenhingen en niet erg tolerant waren tegenover leerlingen van de andere groep. De niet-gehandicapte kinderen van het inclusieve programma zagen de kinderen met een handicap van het gesegregeerde programma als zonderlingen. Opvallend was dat zij zich daarentegen wel erg natuurlijk gedroegen tegenover de leerlingen met een handicap binnen hun eigen groep. De leerkrachten stuurden het gedrag van de leerlingen bij door beide groepen frequenter met elkaar in contact te brengen en zelf het goede voorbeeld te geven. Ook gaven ze uitleg over de handicaps van bepaalde kinderen. Dit alles resulteerde in een verhoging van het leertempo van de kinderen met een handicap. Of dit kwam door de aanwezigheid van niet-gehandicapte kinderen als positieve rolmodellen of eerder doordat kinderen met een handicap de kans werd geboden hun capaciteiten te tonen, was niet erg duidelijk. 

Lessen die werden geleerd:

De leerkrachten kwamen door hun ervaringen met inclusie tot volgende inzichten die ook nuttig zijn bij de toepassing van inclusie op andere domeinen:

  • Ieder kind heeft specifieke noden en er kan geen systematisch onderscheid worden vastgesteld tussen kinderen met en zonder handicap. Concentratie, leer- en gedragsstoornissen komen in beide groepen voor.
  • Er moet een evenwicht zijn tussen de individuele en de groepsbenadering.
  • Individuele benadering vraagt dat men afstapt van strakke tijds- en planningsschema's
  • Omgaan met diversiteit vereist uitgebreide vaardigheden en interne vorming bij het team dat het proces naar meer inclusie op het terrein moet waarmaken.
  • De familie en eventuele andere personen uit de directe omgeving van de doelgroep moeten worden betrokken.
  • Samenwerking met andere organisaties en instellingen is aangewezen om ervaringen rond inclusie uit te wisselen en van elkaar te leren.

Opmerkelijk aan dit voorbeeld is dat hier een school voor kinderen met een handicap zich openstelde voor kinderen zonder handicap uit kansarme milieus. Men kan hier twee bedenkingen bij maken. Enerzijds valt het toe te juichen dat men hier het stereotiep doorbreekt waarbij kinderen met een handicap worden toegelaten tot een gewone school. Hiermee wordt namelijk bewezen dat de ervaringen opgedaan in het bijzonder onderwijs ook nuttig zijn voor het individueel gericht werken met andere kinderen. Anderzijds kan men als punt van kritiek stellen dat het bij elkaar plaatsen van kinderen met een handicap en sociaal achtergestelde kinderen voor beide groepen nog meer stigmatiserend werkt en dat dit hen afsluit van het mainstream-onderwijs. Zeker omdat de praktijk uitwijst dat in regio's waar er scholen voor buitengewoon onderwijs of kinderen met leerproblemen zijn, reguliere scholen deze kinderen minder gemakkelijk opnemen. Dit illustreert dat de mate van openheid voor inclusie mede wordt bepaald door de sociale context en de houding van de ruimere gemeenschap.

Bron:PHOS

Deel dit artikel