IPS: Chinese vraag naar soja bepalend voor westerse landbouw (analyse)

WASHINGTON, 9 januari 2013 - De afgelopen decennia is de wereldwijde oogst van soja verzestienvoudigd. De grootste vraag komt uit China, dat soja voornamelijk gebruikt als voeder voor varkens en gekweekte vis. En daarin schuilt een probleem, zegt milieuactivist Lester Brown.


De sojaboon werd 3000 jaar geleden gedomesticeerd door boeren in het oosten van China. Het zou echter duren tot na de Tweede Wereldoorlog eer soja op grote schaal bekend werd en het kon aansluiten bij maïs, rijst en tarwe als vierde grootste gewas ter wereld.

De stijging van de vraag kwam er vooral nadat voedseldeskundigen ontdekten dat diervoeder bestaande uit een deel sojameel en vier delen graan, de efficiëntie verhoogt waarmee vee en pluimvee hun voedsel omzetten in dierlijke eiwitten.



Grote Hongersnood

China's honger naar vlees, melk en eieren deed ook de vraag naar soja stijgen. De helft van het wereldwijde aantal varkens bevindt zich in China met als gevolg dat het grootste deel van de soja als varkensvoer eindigt. De snelgroeiende pluimveehouderij is afhankelijk van sojameel en ook in voeder voor geweekte vis worden grote hoeveelheden soja gebruikt.

In 1995 werd 14 miljoen ton soja op Chinese bodem geproduceerd en bedroeg het verbruik eveneens 14 miljoen ton. In 2011 werd er opnieuw 14 miljoen ton geproduceerd maar was de consumptie gestegen tot 70 miljoen ton. Zesenvijftig miljoen ton moest dus worden geïmporteerd.

China's verwaarlozing van de sojaproductie weerspiegelt de politieke beslissing van Peking in 1995 om zich te concentreren op graan. Met de Grote Hongersnood van 1959-1961 in het achterhoofd, wilde men inzetten op zelfvoorziening en niet langer afhankelijk zijn van de buitenwereld voor voedselreserves.
De graanproductie werd sterk gepromoot en rijkelijk gesubsidieerd met een snel afnemende soja-oogst tot gevolg.

Met 1,35 miljard Chinezen die de voedselketen steeds meer wijzigen, zal de vraag naar de invoer van soja vrijwel zeker blijven stijgen.



Monocultuur

Het voornaamste gevolg van die enorme vraag zal gevoeld worden in de westerse landbouw. De Verenigde Staten hebben meer land begroeid met soja dan met tarwe. In Brazilië neemt soja meer land in beslag dan alle andere graangewassen samen. Argentinië heeft dubbel zoveel soja dan andere granen, wat het land gevaarlijk dicht bij een monocultuur van soja brengt.

Samen zijn ze goed voor vier vijfde van de wereldwijde sojaproductie. Waar de groei van de graanoogst sinds het midden van de twintigste eeuw voornamelijk te maken had met een verdrievoudiging van de opbrengst per hectare, is de zestienvoudige toename van soja wereldwijd vooral te danken aan een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte. Het gebied breidde zo'n zeven keer uit voor slechts een dubbele opbrengst. Daarin schuilt het probleem.

Waar zal meer soja nog kunnen worden geplant? De VS hebben geen beschikbare akkergrond over. De enige manier om extra grond voor sojaproductie te vinden, is door een verschuiving ten nadele van andere gewassen zoals tarwe en maïs. In Brazilië is nieuwe grond afkomstig uit het Amazonegebied of de cerrado, het savanne-achtige gebied in het zuiden.

Eenvoudig gezegd heeft het redden van het Amazonewoud nu alles te maken met het terugdringen van de vraag naar sojabonen door het stabiliseren van de wereldbevolking en de vermindering van vleesconsumptie. Tegen deze achtergrond is de recente afname van vleesconsumptie in de VS alvast welkom nieuws.

Auteur: Lester R. Brown
Lester Brown is actief in de wereldwijde milieubeweging en voorzitter van Earth Policy Institute.


BRON:
IPS

Deel dit artikel