Kwaliteitsproblemen staan 'onderwijs voor iedereen' in de weg


Zorgen voor genoeg leerkrachten, leslokalen en boeken volstaat niet om tegen 2015 alle kinderen in de wereld toegang te bieden tot lager onderwijs. De kwaliteit van dat onderwijs is doorslaggevend om kinderen lang genoeg op de schoolbanken te houden en die tijd nuttig te vullen. Onder meer Latijns-Amerika laat op dat vlak steken vallen, stelt de Unesco, de VN-organisatie voor onderwijs en cultuur, in een maandag gepubliceerd rapport.


Eerst het goede nieuws. Armoede is geen onoverkomelijke hinderpaal om meer kinderen langer naar school te laten gaan. Volgens de Unesco hebben ook verscheidene straatarme landen in de voorbije jaren de schoolpoorten wijder opengezet voor kinderen. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de daling van het aantal kinderen dat wereldwijd geen lagere school bezoekt. Dat cijfer is afgenomen van 106,9 miljoen in 1998 tot 103,5 miljoen in 2001, ondanks de forse aangroei van het aantal kinderen in de ontwikkelingslanden. Vooral in Latijns-Amerika en in een aantal Aziatische landen gaat een steeds groter deel van de jonge bevolking naar school. Ook in sommige Afrikaanse landen lopen de scholen vol.
Volgens de experts van de Unesco gaat die ontwikkeling niet snel genoeg om tegen 2015 alle kinderen tussen 6 en 12 wereldwijd op de schoolbanken te krijgen. Alle VN-lidstaten schaarden zich in 2000 plechtig achter die betrachting, een van de acht millenniumdoelstellingen. Maar voor zeker 35 landen lijkt 'onderwijs voor iedereen' voorlopig onhaalbaar. Ook het wegwerken van de onderwijsachterstand van meisjes en de vermindering van het aantal volwassen analfabeten lukt in die landen niet goed. Van de probleemlanden liggen er 22 in Afrika. Ook de dichtbevolkte Zuid-Aziatische landen India, Bangladesh en Pakistan en een aantal Arabische landen horen in het rijtje thuis.
Maar ook veel andere ontwikkelingslanden hebben nog redenen om zich zorgen te maken. Het onderwijs dat veel arme kinderen krijgen, is volgens de Unesco ondermaats. Dat geldt zelfs voor kinderen uit midden-inkomenslanden en uit gemarginaliseerde groepen in de rijke landen. Volgens Massimo Amadio, een onderzoeker van het Internationaal Onderwijsbureau (IOE), een dochterorganisatie van de Unesco, is het van belang dat kinderen toegang krijgen tot kennis die relevant en nuttig is. Goed opgeleide en gemotiveerde leerkrachten en goede leermethodes spelen daarin een belangrijke rol.
Volgens Nicole Bella, een van de auteurs van de Unesco-studie, heeft degelijk onderwijs 'een prijs'. Maar de investeringen die nodig zijn, blijven haalbaar. Tussen de landen die volgens de Unesco een hoog rendement halen uit hun uitgaven voor onderwijs, prijkt naast Canada, Finland en Zuid-Korea ook het arme Cuba. Dat land geeft 8,7 procent van zijn bruto binnenlands product uit aan onderwijs. Zelfs straatarme landen kunnen waardevolle inspanningen leveren. In Papoea-Nieuw-Guinea, een land waar 830 talen worden gesproken, worden in het lager onderwijs maar liefst 434 talen gebruikt.
In andere landen gaat het de verkeerde kant op. In Argentinië, Indonesië en Uruguay zijn de lonen van leerkrachten de voorbije decennia bijvoorbeeld duidelijk verminderd in verhouding tot het algemene loonniveau. Overvolle klassen en aftands lesmateriaal vergroten de problemen nog.
De onderwijskloof tussen rijke en arme landen blijft intussen in veel opzichten groeien, zegt Massimo Amadio. In de landen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso), volgt ongeveer 70 procent van de jongeren tussen vijftien en negentien jaar oud onderwijs. In een 25-tal Afrikaanse landen heeft nog maar 20 procent van die leeftijdsgroep de kans zo lang door te leren. In de Oeso-landen gaan jongeren gemiddeld zestien jaar naar school; jongeren in sommige Afrikaanse landen halen geen vier jaar. (PD/JS)

IPS DOOR:

Deel dit artikel