Situatie in Bengalese kledingfabrieken is nauwelijks verbeterd

Herdenking van de slachtoffers van  Rana Plaza

Sinds het dramatische ongeluk twee jaar geleden op 24 april, toen een fabriek in het acht verdiepingen tellende gebouw Rana Plaza instortte, zijn de werkomstandigheden in de kledingindustrie in Bangladesh nog nauwelijks verbeterd, zegt mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch (HRW) in een deze week verschenen rapport. Bij het drama kwamen 1100 mensen om. Er vielen meer dan 2500 gewonden.

Fysieke intimidatie, doodsbedreigingen en een zwangere vrouw die wordt aangevallen met gordijnroeden. Het zijn geen scènes die je verwacht op een werkplek, maar duizenden mensen in kledingfabrieken in Bangladesh kijken er niet meer van op.

Ook als ze niet met fysieke intimidatie te maken hebben, is er onder de werknemers van de pakweg 4500 fabrieken in het land, wel sprake van andere problemen: onbetaald overwerk, seksuele of verbale intimidatie en onveilige en onhygiënische werkomstandigheden.

De overheid, handelsorganen en grote buitenlandse kopers van in Bangladesh gemaakte kleding, beloofden na de ramp in Rana Plaza iets te doen aan de slechte omstandigheden in de sector waar 4 miljoen mensen werken en die goed is voor een export van 24 miljard dollar.

Uit het rapport blijkt dat er enkele stappen in de goede richting zijn gezet, maar dat de sector nog lang niet op orde is. HRW sprak met 160 arbeiders in 44 fabrieken die vooral produceren voor retailers in Australië, Europa en Noord-Amerika. Volgens het rapport zijn de veiligheidsstandaarden nog steeds laag, komt misbruik op de werkplek veel voor en worden vakbonden waar mogelijk kapot gemaakt.

Schending van arbeidsrecht

In december verhoogde de regering van Bangladesh het minimumloon van fabrieksarbeiders van 39 dollar per maand naar 68 dollar. Hoewel dit een aanzienlijke verhoging is, is het nog steeds minder dan de 100 dollar die de werknemers zelf hadden geëist. Daarnaast verloopt de implementatie traag.

Volgens Mushrefa Mishu, voorzitter van het Eenheidsforum voor Kledingarbeiders, dat 80.000 arbeiders vertegenwoordigt, respecteert slechts 40 procent van de werkgevers het minimumloon.

Ze zegt dat vrouwen, die het overgrote deel van de werknemers uitmaken, het 'levensbloed' vormen van de vitale industrie die goed is voor 80 procent van de exportinkomsten van het land. De sector draagt ook voor 10 procent bij aan het bruto binnenlands product (bbp). Dat werknemers worden uitgebuit, is volgens haar mede een gevolg van de lage prijzen die door retailers geëist worden.

Veel fabriekseigenaren beweren eveneens dat ze onder druk staan van bedrijven die de grote orders plaatsen. Zij betrekken zelden de kosten van veilige werkomstandigheden in hun kostprijsberekening. "Deze kosten zijn hoog voor fabriekseigenaren", zegt Meenakshi Ganguly, directeur Zuid-Azië bij HRW. "Zij stellen dat een klein compromis in de winstmarge sterk kan helpen om de omstandigheden te verbeteren."

Waar het probleem ook ligt, de negatieve gevolgen voor de werknemers zijn onmiskenbaar. Uit een onderzoek van Democracy International uit april van dit jaar, blijkt dat 37 procent van de werknemers geen betaald ziekteverlof heeft, en 29 procent geen betaald zwangerschapsverlof.

Arbeiders die hun productiedoel niet halen, worden gekort op hun salaris. Het onderzoek van HRW wijst er ook op dat in bijna alle fabrieken salarissen niet volledig of niet op tijd betaald worden. Gedwongen overwerk is normaal, evenals slechte sanitaire voorzieningen en vies drinkwater.

Vakbonden

Veel werknemers zijn zich ervan bewust dat in een dergelijke situatie waarin hun rechten systematisch geschonden worden, de beste kans op verandering ligt in collectieve onderhandelingskracht. Maar vakbonden en vakbondsactiviteiten worden zoveel mogelijk onderdrukt in de kledingindustrie, vaak op gewelddadige wijze.

Hoewel Bangladesh de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) op dit gebied heeft onderschreven, krijgen mensen die deze rechten willen uitoefenen te maken met vergeldingsmaatregelen.

"Ik ben al zeven keer gearresteerd en vastgezet, en later weer vrijgelaten omdat er niets tegen mij te vinden was", zegt Mishu van het Eenheidsforum van Kledingarbeiders. "De enige beschuldiging is dat ik opkom voor de werknemers. Zodra wij onze stem verheffen tegen de fabriekseigenaren, proberen ze ons met geweld het zwijgen op te leggen in plaats van in gesprek te gaan."

Mishu's verhaal komt overeen met de bevindingen in het HRW-rapport. Daarin wordt onder meer melding gemaakt van een aanval in februari vorig jaar op vier activisten van de Bengalese Federatie voor Arbeiderssolidariteit (BFWS). Eén activist raakte daarbij zo ernstig gewond, dat hij honderd dagen in het ziekenhuis lag. Hun enige misdaad was dat ze werknemers van Chunji Knit Ltd. Factory, een bedrijf dat in Koreaanse handen is, hielpen met het invullen van registratieformulieren voor de vakbond.

Hoewel de zwaar bevochten hervormingen het aantal officieel geregistreerde vakbonden sterk heeft doen toenemen, van twee in 2011/2012 tot 416 in 2015, vertegenwoordigen ze nog maar weinig werknemers. Slechts in 10 procent van de kledingfabrieken is dat het geval.

Veiligheid

Omdat de Bengalese kledingindustrie snel groeit, zegt Ganguly, "worden veel fabrieken opgezet zonder rekening te houden met veiligheidsvoorschriften en compliance-kwesties." Tussen 1983 en 2014, groeide de sector van 120.000 werknemers en 384 fabrieken, tot 4 miljoen werknemers in 4536 fabrieken. Dan gaat het om industriële productie, kleine ateliers en alles daartussenin.

De ongecontroleerde expansie in de jaren tachtig en negentig leidde tot een situatie waarin het wachten was op ongelukken. Terwijl het instorten van Rana Plaza in 2013 en de Tazreen-fabriek in 2012 wereldwijd het nieuws haalde, was er voor en na die tijd ook sprake van een reeks kleinere calamiteiten. Volgens cijfers van de Schone Kleren Campagne, kwamen 500 werknemers tussen 2006 en 2010 om bij branden in fabrieken. In 80 procent van de gevallen werden die veroorzaakt door slechte bedrading. Sinds 2012 zijn er 68 branden geweest in fabrieken. Daarbij vielen 30 doden en 800 gewonden.

Atiqul Islam, voorzitter van het belangrijkste handelsorgaan in de industrie, de Bengalese Associatie voor Kledingfabrikanten en Exporteurs (BGMEA), zegt dat de fabriekseigenaren momenteel vaker voorzorgsmaatregelen treffen om rampen te voorkomen. Voor het Rana Plaza-drama, zegt hij, waren er 56 inspecteurs die duizenden fabrieken moesten controleren. Nu zijn dat er 800, die zijn opgeleid door de ILO.

Het Akkoord inzake Brand- en Bouwveiligheid, een initiatief namens 175 retailers die voornamelijk in Europa opereren, richt zich op verbeteringen in 1600 fabrieken. Daarnaast is er de Alliantie voor Bengalese Arbeidersveiligheid, die zich namens 26 Noord-Amerikaanse retailers richt op 587 fabrieken. Die initiatieven wijzen op vooruitgang, maar zijn slechts een begin, zeggen experts.


Om te beginnen moet fatsoenlijke compensatie betaald worden aan overlevenden of families van mensen die omkwamen bij Rana Plaza en Tazreen. Tot nu toe werd 21 miljoen van de beloofde 31 miljoen dollar voor nabestaanden betaald. HRW ontdekte dat "vijftien bedrijven waarvan journalisten en activisten kledinglabels vonden in de brokstukken van Rana Plaza, nog niets betaald hebben aan het trustfonds dat de betalingen regelt."

Deel dit artikel

       


Gerelateerde artikels