Van de pan naar de motor (*)

Necochea, een badplaats aan de Argentijnse kust, haalt in zijn hotels en restaurants de gebruikte olie op en laat ze in een dorp vlakbij tot biodiesel verwerken. Het levert minder vervuilende brandstof op en het rioolwater raakt niet langer vervuild. Bovendien is het een investering in de plaatselijke economie, zegt de overheid.


Necochea, een stad met 65.000 inwoners in de provincie Buenos Aires, lanceerde in 2004 een opmerkelijk biodieselprogramma. Hotels, restaurants en andere eethuizen werd gevraagd hun gebruikte plantaardige olie in te leveren. Die ging naar een nieuwe raffinaderij in Ramón Santamarina, een dorp 65 kilometer verderop.

Met de geproduceerde biodiesel rijden de 70 auto’s van de stadsdiensten – in brandstofmengelingen waarin 50 tot 100 procent biodiesel zit – en nu ook de eerste bussen van het openbaar vervoer.

“We vermijden dat de gebruikte olie de riool ingaat en het water vervuilt, we sparen brandstof uit, we maken de mensen ecologisch bewust en we hebben een project voor een dorp dat tot uitsterven gedoemd was”, zegt Martín Issin, bij het stadsbestuur verantwoordelijk voor het biodieselprogramma.

Derde grootste producent
Voor Ramón Santamarina is het programma een zegen. Omdat het dorp steeds meer mensen zag wegtrekken, werd de Landbouwschool naar daar overgebracht. In die Landbouwschool werd de biodieselraffinaderij geïnstalleerd.

Argentinië is met jaarlijks 1,4 miljoen ton de derde grootste biodieselproducent ter wereld, na Duitsland en de Verenigde Staten. Maar de productie zit geconcentreerd in een beperkt aantal bedrijven, die vooral op de export gericht zijn.

De binnenlandse vraag naar biodiesel zal vanaf 2010 toenemen. Van dan af moet diesel met minstens 5 procent biodiesel vermengd worden. Experts vrezen dat de huidige Argentijnse producenten de vraag niet zullen kunnen bijhouden. Daarom zette Necochea een eigen biodieselprogramma op.

Drieduizend zevenhonderd leveranciers
De olie wordt opgehaald door een bestelwagen die helemaal op biodiesel rijdt. Van 2004 tot vorig jaar steeg de hoeveelheid opgehaalde olie van 7,4 naar 94,8 ton per jaar. “Het stijgt voortdurend”, zegt Martín Issin.

De olie wordt nu geleverd door zevenhonderd bedrijven die het hele jaar door werken en nog eens drieduizend die enkel ‘s zomers werken.

“Wij zijn het hele jaar open maar in de zomer hebben we het meeste werk. Dan moeten we bellen om ons meer bidons te brengen want dan hebben we 80 tot 100 liter olie per week”, zegt María Isabel García, eigenares van restaurant La Taberna Española.

“Het plan helpt ons “, zegt Gustavo Aguirre van restaurant Hereford. “Nu moeten we niet meer zoeken waar we onze olie moeten laten.”

Eigen verbruik
“We produceren alleen voor eigen verbruik”, zegt Issin. “Het volume laat ons niet toe biodiesel te verkopen.” Hij hoopt op nationale subsidies waardoor de raffinaderij, waar nu vijf mensen werken, zou kunnen uitbreiden.

Het project Necochea zette de provinciale overheid er twee jaar geleden toe aan het Bioplan te lanceren. Een twintigtal ngo’s haalt gratis gebruikte olie op en verkoopt die aan raffinaderijen aan marktprijzen. Met de opbrengst worden de activiteiten van de ngo’s gefinancierd.

(*) Dit artikel maakt deel uit van de reeks 'De wereld wordt groen: 20 succesverhalen'. De bijdragen illustreren dat overal ter wereld werk wordt gemaakt van de broodnodige groene revolutie

BRON:
http://www.ipsnews.be

Deel dit artikel