Biobrandstof maakt meer kapot dan je lief is

De EU-richtlijn 'hernieuwbare energie' verplicht de 27 lidstaten om in 2020 10 procent hernieuwbare energie op te nemen in transportbrandstoffen. Deze hernieuwbare energie zal voor 90 procent bestaan uit zogenaamde biobrandstoffen.

In 2010 verbruikte elke Belg bijna 1000 liter brandstof, waarvan 40 liter biobrandstoffen. Met andere woorden: 4 procent van ons verbruik bestond uit biobrandstoffen. Tegen 2020 moet dit percentage volgens de beleidsdoelstellingen verdubbeld zijn tot 8 procent.

Voor de productie van deze 4 procent biobrandstoffen was er 760.000 ton plantaardige olie, granen en bieten nodig, wat gelijk staat aan 18 procent van de landbouwgrond ofwel 32%van de bebouwbare grond in België.

Het Belgisch beleid bepaalt weliswaar dat de biobrandstoffen gedeeltelijk afkomstig moeten zijn van eigen bodem, maar als we naar de EU als geheel kijken, dan zien we dat zo'n 50 procent van de biobrandstoffen geïmporteerd zal worden van buiten de EU.

Ook zonder de productie van biobrandstoffen importeert de EU veel meer voedsel dan zij exporteert. Europa is voor zijn voedselvoorziening dus afhankelijk van grote oppervlakten landbouwgrond in de zuidelijke landen, die gebruikt worden voor de productie van soja, fruit, groenten, olie...
 


Het vooruitzicht dat de fossiele bronnen uitgeput raken, dwingt ons om ons energieconsumptiemodel  te herzien.


Zal een grootschalig gebruik van biobrandstoffen een antwoord bieden op de ecologische, sociale en energetische uitdagingen? Wat zou de plaats moeten zijn van de biobrandstoffen in de 'energietransitie' die zich opdringt?

Biobrandstoffen in 10 vragen en antwoorden.


 

1/ zijn biobrandstoffen wel BIO?


NEEN

De granen, de palmolie of de soja voor de biobrandstoffen worden niet geproduceerd volgens de principes van de biologische landbouw. Voor de productie van biobrandstoffen worden kunstmest, pesticiden en soms zelfs genetisch gemodificeerde organismen gebruikt (maïs in de Verenigde Staten, soja in Brazilië en Argentinië, enz.).

Om verwarring te voorkomen, spreken veel organisaties daarom liever van agrobrandstoffen, oftewel op akkerland geproduceerde brandstoffen. Ook brengt een groot deel van de buiten de EU geproduceerde agrobrandstoffen ernstige problemen met zich mee voor de samenleving en het milieu in de landen van productie. Ontbossing, verlies aan biodiversiteit, uitdroging van veengebieden, uitputting van watervoorraden, enz., zijn schering en inslag.

2/ Helpen agrobrandstoffen de opwarming van de aarde te bestrijden?


JA

Maar enkel wanneer de koolstofbalans van de agrobrandstof in kwestie positief is.Dat betekent dat het verbouwen van de energiegewassen zelf weinig energie verbruikt en niet leidt tot ontbossing. Voor gerecycleerde plantaardige afvaloliën is de energiebalans zeer gunstig. Helaas zijn deze oliën slechts goed voor 0,02% van het totale agrobrandstofverbruik.

NEEN
Bij 80% van de huidige agrobrandstoffen komt niet minder, maar net meer broeikasgassen vrij dan bij diesel of benzine. Niet alleen uit de agrobrandstoffen zelf, maar ook uit de directe en indirecte effecten van de productie ervan. Uit steeds meer onderzoeken blijkt dat de biobrandstofprogramma's van de Europese lidstaten een extra uitstoot aan broeikasgassen veroorzaken ter grootte van de uitstoot van 12 tot 26 miljoen extra auto's op onze wegen.


De voornaamste directe en indirecte effecten
De voornaamste directe en indirecte effecten zijn ontbossing,Scheuren van grasland en drooglegging van veengronden. Dit zijn indirecte effecten omdat er agrobrandstoffen geproduceerd worden op grond die eerder gebruikt werd voor de productie van voedsel.

Omdat de vraag naar voedsel niet daalt, leidt de stijgende vraag naar agrobrandstof tot ontginning van bossen en moerassen voor landbouwdoeleinden. Als gevolg van die ontbossing en ontginningen komen er enorme hoeveelheden broeikasgassen vrij.

 

3/ wordt onze afhankelijkheid van olie dankzij agrobrandstoffen kleiner?


JA

Een deel van de brandstoffendie we verbruiken, wordt vervangen door in de Europese Unie geproduceerde agrobrandstoffen.

NEEN
Het Europese verbruik van transportbrandstoffen netto sneller stijgt dan de productie van agrobrandstoffen.Onze afhankelijkheid van aardolie blijft stijgen. Zelfs als agrobrandstoffen straks in 2020 in totaal 9% van de Europese energiemix vertegenwoordigen, zal de EU meer aardolie invoeren dan in 2010.


En doordat wij voor onze voedselvoorziening zo sterk afhankelijk zijn van de zuidelijke landen, leidt het gebruik van biobrandstoffen tot een sterke stijging van onze algehele afhankelijkheid van de invoer van landbouwproducten.

De biobrandstoffen zijn geen goed instrument ter diversificatie van onze energietoevoer. In 2010 werd 70% van het Europese koolzaad gebruikt voor de productie van biodiesel en tussen 1999 en 2010 is de invoer van plantaardige oliën met meer dan 60% gestegen.

In het leeuwendeel van de zuidelijke landen zijn agrobrandstoffen geen goed middel ter terugdringing van de energieafhankelijkheid. De voedselzekerheid komt er namelijk door in de knel. Daadwerkelijk hernieuwbare energiebronnen als zonneenergie en windenergie zijn dus een must.


Agrobrandstoffen erger dan olie?

Er zijn talloze parallellen: uitputting van de natuurlijke hulpbronnen waarvan de opbrengst volledig aan de plaatselijke bevolking voorbijgaat, corruptie, verjaging van de bevolking, milieuvervuiling, enz.. Door agrobrandstoffen zonder oog voor de gevolgen in te voeren en te ondersteunen, wordt een verspillend en vervuilend achterhaald vervoersmodel in stand gehouden.

 

4/ agrobrandstoffen zijn zonder negatieve gevolgen voor de arme bevolking van het Zuiden


NEEN

Zelfs als slechts 4% tot 6% van de benzine of de diesel uit agrobrandstoffen bestaat, zijn de gevolgen voor de mensenrechten in de zuidelijke landen desastreus. De Europese vraag creëert een markt die naar verwachting van investeerders zeer lucratief zal zijn, met alle tevoorziene gevolgen voor het recht op voedsel, onderdak, gezondheidszorg en een gezonde leefomgeving van dien. In slechts enkele jaren tijd is meer dan 35.000.000 hectare landbouwgrond – oftewel 11 keer het oppervlak van België – herbestemd voor de productie van agrobrandstoffen.


In het leeuwendeel van de gevallen vond dit landjepik van vruchtbare grond plaats in landen waar mensen honger lijden en is de afhankelijkheid van geïmporteerd voedsel van de landen in kwestie nog verder verergerd.

De grootschalige teelt van agrobrandstoffen leidt tot uitputting van de bodem en grootschalige waterverspilling. Bovendien draagt deze bij tot de volatiliteit van de prijzen van landbouwproducten en de speculatie daarmee.

De biobrandstoffen vormden hét kernprobleem van de wereldvoedselcrisis in 2008. Er braken toen in 40 landen voedselrellen uit. Naar schatting lijdt op dit moment zo'n 1 miljard mensen honger.

 

5/ biobrandstoffen leveren veel groene arbeidsplaatsen op


NEEN
Voor de ongeveer 400 arbeidsplaatsen die in België dankzij de biobrandstoffen ontstaan zijn, waren investeringen nodig die 4 tot vijf 5 zoveel werkgelegenheid hadden opgeleverd als die gepleegd waren in het energiezuiniger maken en isoleren van gebouwen. Bovendien doen agrobrandstoffen in de landen van het Zuiden meer banen verdwijnen dan ze opleveren, nog gezwegen van de arbeidsomstandigheden. Die zijn vaak allesbehalve fatsoenlijk, zeker niet op de grote plantages (kinderarbeid, bedreiging van vakbondsmensen, armetierige loontjes, slavernij, enz.).

Met andersoortig beleid kan de werkgelegenheid in de landbouw veel beter ondersteund worden en kunnen tegelijkertijd alle negatieve gevolgen van agrobrandstoffen worden vermeden. Dat vraagt echter in de eerste plaats om een Europees landbouwbeleid dat zorgt voor stabiele en lonende prijsniveaus.

 

6/ ok, maar die brandstoffen zijn toch op z'n minst een goed begin?


NEEN

De manier waarop de agrobrandstoffen op dit moment worden gepropageerd en ook het beleid van de EU en de lidstaten op dit vlak zijn alles behalve een goed begin. Het steunbeleid is extreem duur (bijna 3 miljard euro Europawijd) en mist de doelen van bestrijding van de klimaatopwarming en vermindering van de afhankelijkheid van olie..


Gezien de beperkte financiële middelen van de overhedenis het zaak om te investeren in initiatieven met een veel betere kostenbatenverhouding, in initiatieven die daadwerkelijk milieuvoordeel en veel hoogstaande arbeidsplaatsen opleveren.

Als dat ons uitgangspunt is, wordt duidelijk dat de talloze overheidssteunmaatregelen voor agrobrandstoffen,zoals groene certificaten, subsidies voor de bouw van fabrieken, werk gelegenheidssteun, accijnsverlagingen en dergelijke, puur weggegooid geld zijn. Al dit overheidsgeld moet gebruikt worden voor andere, vanuit milieutechnisch en maatschappelijk oogpunt veel doeltreffendere hernieuwbare energiebronnen.

Maar eerst en vooral dient ons energieverbruikmodel te worden aangepast, voornamelijk op vervoersgebied. De vraag naar vervoer moet worden teruggedrongen en de mensen moeten alternatieven gebruiken die minder vervuilend zijn dan de individuele auto en het vliegtuig (de "benenwagen", de fiets, het openbaar vervoer of deelauto's). Ook moet de energie-efficiëntie worden verhoogd. Dát is pas een goed begin!

 

7/ de EU voert alleen maarduurzaam agrobrandstoffen in


NEEN

De EU hanteert weliswaar duurzame productiecriteria, maar die hebben veel te weinig om het lijf. De criteria houden geen enkele rekening met een aantal directe effecten als waterverspilling of schending van de mensenrechten. Maar bovenal houden deze criteria inherent geen rekening met indirecte effecten als voedselonzekerheid, ontbossing,of vermindering van de toegang van kleine boeren tot landbouwgrond.

Het is onbegonnen werk voor een agrobrandstoffenproducent om erop toe te zien dat hij niet indirect bijdraagt aan ontbossing, landjepik of honger.

 

8/ Europa voert en palmolie in voor agrobrandstof doeleinden


NEEN

De EU voert wel degelijk rechtstreeks palmolie in om er auto's op te laten rijden, bijvoorbeeld in Italië.Maar ook op indirecte wijze importeert de EU palmolie: doordat het Europese koolzaad nu gebruikt wordt voor biodiesel, verbruikt de agrovoedings -industrie nu veel meer geïmporteerde palmolie dan voorheen. Deze palmolie is afkomstig uit Indonesië, Maleisië en ook steeds vaker uit Afrika, met alle onomstotelijk aangetoonde problemen van landjepik en ontbossing van dien.

We rijden dus steeds vaker op koolzaad en eten daardoor steeds meer palmolie, terwijl die nu juist veel minder goed is voor de gezondheid dan koolzaad. Wanneer palmolievetten – een gebruikelijk procédé in de agrovoedingsindustrie – gehard worden, ontstaan transvetzuren. Deze zijn schadelijk voor de gezondheid en in landen als Denemarken en Canada niet voor niets geheel en al verboden.

 

9/ de productie van agrobrandstoffen levert veevoer op


INDERDAAD

De koek, dat wil zeggen de resten van de vermalen zaden die overblijven na onttrekking van de oliedie gebruikt wordt voor de productie van "biodiesel", kan verwerkt worden tot veevoer en zo de soja uit Brazilië en Argentinië vervangen.

NEEN
Er is geen sprake van daadwerkelijk voordeel als het gaat om vermindering van de invoer van diervoeders, omdat we als gevolg van de agrobrandstoffen veel meer voor consumptie bestemde
plantaardige oliën moeten importeren.Omdat het op de allereerste plaats belangrijk is dat we te eten hebben en niet dat we rijden kunnen, is het van het allergrootste belang dat we onze afhankelijkheid van ingevoerde oliën verminderen en niet juist verhogen door een bijproduct tot prioriteit te bestempelen.

Bovendien is het zowel qua gezondheid als qua milieubescherming van groot belang dat we minder vlees gaan eten – en dan nog uitsluitend duurzaam geproduceerd vlees – en dat we bereid zijn daar een redelijke prijs voor te betalen.

 

10/ moeten alle agrobrandstoffen nu verboden worden?


NEEN

Er is absoluut niets tegen in Europa geproduceerde agrobrandstoffen, als die geproduceerd worden met duurzame landbouwmethodes, onze voedselafhankelijkheid niet vergroten en geen indirecte negatieve effecten hebben. Naar dergelijke agrobrandstoffen is het momenteel zoeken als naar een speld in de hooiberg.

Agrobrandstoffen die de uitstoot van broeikasgassen niet met ten minste 60% verminderen en die directe of indirecte gevolgen hebben op het vlak van ontbossing en de voedselzekerheid, zijn onaanvaardbaar en mogen niet van overheidswege worden ondersteund. En omdat de EU voor haar voedselvoorziening sterk afhankelijk is van vruchtbare gronden buiten de EU, dient de Europese landbouw eerst en vooral voedsel te produceren om zo onze voedselafhankelijkheid te verminderen.

Al met al kunnen er dus maar heel weinig aanvaardbare agrobrandstoffen worden geproduceerd in Europa en kan onmogelijk verwacht worden dat agrobrandstoffen op grote schaal de aardolie vervangen zullen. Een duurzaam mobiliteitsbeleid is in de allereerste plaats een kwestie van terugdringing van de vraag naar vervoer.
 

Deel dit artikel