Er hangt een kwalijk geurtje aan onze palmoliezeep

Hoewel palmolie vaak gebruikt wordt voor schoonmaakproducten is de teelt zelf sterk vervuilend.  Maar ook de sociale  gevolgen van de palmolieteelt zijn niet min. Een overzicht.


Palmolie is een plantaardige olie die wordt gewonnen uit de vruchten van de oliepalm. Het vruchtvlees levert palmolie op, terwijl uit de pitten palmpitolie en palmpitmeel wordt gewonnen. Dit type palmboom gedijt het best rond de evenaar, dus in landen als Maleisië, Indonesië, Congo en Nigeria.

Palmolie en palmpitolie worden gebruikt in tal van voedingsproducten waaronder koekjes, bakolie, sausen, mayonaise, chips, snacks, margarine, chocolade en nog veel meer. Steeds vaker is het een ingrediënt bij het maken van zeep, shampoo, lipstift en andere verzorgingsproducten en schoonmaakmiddelen. Palmpitmeel wordt ook gebruikt als diervoeder.

 

PalmolieplantagePalmolieproducten worden als grondstof verhandeld op de wereldmarkt. Kenmerkend voor deze handel is het gebrek aan transparantie in de aanvoerketen. We kunnen nauwelijks nog een band leggen tussen een product en de producent. Daarom beseffen we vaak niet welke de sociale en ecologische gevolgen de teelt van dit product met zich meebrengt.

Regenwoud

De monocultuur van oliepalmplantages is een belangrijke oorzaak van het verdwijnen van tropisch regenwoud in Indonesië en Maleisië.

In Indonesië verdwijnt elke minuut zeven hectare bos. De aanleg van oliepalmplantages speelt daar een belangrijke rol in. Indonesië en Maleisië, de twee grootste producenten van palmolie ter wereld, hebben ongeveer 6,7 miljoen hectare (2002) oliepalmplantages. Naar schatting tussen de 66 procent (Indonesië) en 47 procent (Maleisië) hiervan is geplant in voormalig tropisch bos.

Europese, waaronder ook Belgische en Nederlandse bedrijven blijken hierin een grote rol te spelen. Nederland is de grootste importeur van palmolie en enkele Belgische bedrijven hebben oliepalmplantages in o.a. Indonesië. Vele Europese bedrijven verwerken oliepalmproducten in hun voedingsmiddelen, wasmiddelen, verzorgingsproducten en diervoeder. Dit maakt Europa medeverantwoordelijk voor het verdwijnen van het regenwoud.

Lokale gemeenschappen

Uit diverse onderzoeken blijkt dat er naast het verdwijnen van het regenwoud en het verloren gaan van de bio-diversiteit, die net zo rijk is in dit gebied, er ook andere problemen zijn. Veel van het bosland dat gerooid werd voor plantages was het woon- en leefgebied van inheemse volkeren of van mensen die op één of andere manier van de bosteelt leefden. De Indonesische wetgeving erkent deze realiteit niet en kan deze grond zonder vergoeding toewijzen aan bedrijven.

Vooral tijdens het bewind van voormalig dictator Suharto (1966 – 1998) werden grote stukken grond van lokale gemeenschappen opgeofferd voor de zgn. 'ontwikkeling' die deze plantages zouden brengen.

Helaas stond hen vaak enkel ontreddering te wachten. Honderden inheemse groepen die aan duurzame bosteelt deden werden vaak hardhandig van hun grond gezet, wat leidde tot talloze conflicten. Om het verzet de kop in te drukken werd het leger ingezet. Na het vertrek van Suharto is het aantal conflicten en landclaims enkel maar toegenomen.

Vervuiling

Hoewel palmolie vaak gebruikt wordt voor schoonmaakproducten is de teelt zelf sterk vervuilend. Eén van de belangrijkste bronnen van de vervuiling is het overmatig gebruik van allerlei bestrijdingsmiddelen en meststoffen.

Zo raken rivieren vervuild, waardoor het visbestand erop achteruit gaat en zijn er  meldingen van geboorteafwijkingen en problemen met de vruchtbaarheid. Sproeistoffen worden vaak zonder bescherming gespoten door plantage-arbeiders die hiervoor geen opleiding kregen noch op de mogelijke gevaren worden gewezen.

Sociale impact

Een ander belangrijk aspect van de plantageteelt zijn de sociale omstandigheden. Werken op een plantage is iets wat wij in het Noorden nauwelijks kunnen inbeelden. In feite zijn de arbeidsomstandigheden best te vergelijken met feodale toestanden: de arbeiders behoren als het ware toe tot de plantage, zij leven, wonen en werken er, wonen in te krappe huisjes en krijgen een minimumloon dat net volstaat om te eten, drinken en wat kledij te kopen.

Het type werk hangt sterk af van de willekeur van de opzichters: ben je graag gezien, dan mag je dicht bij huis wieden of de bomen wat bijkappen, sta je op een slecht blaadje dan mag je kilometers ver gaan werken. De meeste plantages zijn immers honderden ha groot en meestal wonen de arbeiders centraal.

Er is geen openbaar vervoer tot op de plantage, dus moet men vaak kilometers lopen om een bus of taxi te kunnen nemen. Middelbare scholen zijn hierdoor moeilijk bereikbaar.

Het aanbod inzake gezondheidszorg is van bedenkelijke kwaliteit, of er moet zwaar voor betaald worden. Rond de huizen moeten waterputten ter beschikking zijn, maar dit gebeurt vaak niet, of de putten zijn in onbruik geraakt en worden niet hersteld. 

Onder Soeharto was er slechts een vakbond die actief, de zgn 'yellow union', die gecontroleerd werd door het leidinggevend personeel. Hoewel er nu vrijheid is om onafhankelijke vakbonden op te richten blijft het moeilijk werken. Zeker nu er, net zoals in andere sectoren, steeds vaker gewerkt wordt met dagloners. 

Kwalijk geurtje

Er hangt dus wel een kwalijk geurtje aan onze palmoliezeep. Om hieraan iets te doen zijn een aantal NGO's, milieuorganisaties en solidariteitsgroepen alvast met een informatiecampagne begonnen. Het is belangrijk dat we weten dat iets fout zit.

Deel dit artikel

       


Gerelateerde artikels