Spuitjes kunnen anderhalf miljoen kinderen per jaar redden

Elk jaar overlijden 1,4 miljoen kinderen aan kinderziekten die makkelijk te voorkomen zijn. Veel van die kinderen wonen in West- en Centraal-Afrika, waar slechts de helft van de kinderen wordt ingeënt. Dat blijkt uit een rapport van het VN-Kinderfonds Unicef.


Het rapport, het derde dat Unicef uitgeeft in de serie 'Progress for Children', rangschikt landen op grond hun vaccinatiepercentage sinds 1990. In 103 landen wordt minstens 90 procent van de kinderen ingeënt; in 16 landen neemt een lager percentage gestaag toe. Maar in 74 landen lopen de vaccinatieprogramma's erg moeizaam.

'In de meeste ontwikkelde landen sterven vrijwel geen kinderen meer aan ziekten die door inenting voorkomen kunnen worden', zegt Ann Veneman, directeur van Unicef. 'Bijna alle kinderen worden in die landen gevaccineerd. In West- en Centraal-Afrika wordt gemiddeld slechts 52 procent van de kinderen ingeënt.'

De meest voorkomende dodelijke kinderziekten waartegen kinderen kunnen worden ingeënt, zijn mazelen, hib (een aandoening van de luchtwegen), kinkhoest en tetanus. Sinds 1990 wordt wereldwijd meer dan 70 procent van de kinderen ingeënt tegen deze ziekten. De Verenigde Naties streven ernaar om dit in 2010 op te voeren tot tenminste 90 procent.

De vaccinatieprogramma's voorkwamen in 2003 naar schatting twee miljoen sterfgevallen. Het huidige aantal slachtoffers onder kinderen jonger dan vijf, kan met bijna een kwart worden teruggedrongen als meer dan 90 procent van de kinderen wordt ingeënt.

De wereldwijde poliocampagne is in dat opzicht een echt succesverhaal, zegt Peter Salama, hoofd van het vaccinatieprogramma van Unicef. In 1998 werden er jaarlijks nog 50.000 gevallen van polio gemeld, nu zijn dat er nog maar 1.300. Maar Salama benadrukt dat de wereld nog altijd kwetsbaar is voor infectieziekten die vrijwel verdwenen zijn uit de westerse wereld, omdat het vaccinatiepercentage in de jaren negentig stagneerde. 'Daardoor kunnen we ook minder adequaat reageren op nieuwe bedreigingen', aldus Salama.

In de Westerse wereld, Latijns-Amerika, het Caribische gebied, het Midden-Oosten, Noord-Afrika en tot op zekere hoogte in Azië, is het vaccinatiepercentage hoog. Probleemgebieden zijn West- en Centraal-Afrika, waar veel gewapende conflicten zijn, en Zuid-Azië, waar de meeste kinderen ter wereld wonen.

In Nigeria wordt maar 35 procent van de kinderen ingeënt, ondanks de hoge olie-inkomsten die het land heeft. Uit het rapport blijkt dat zo'n situatie snel kan veranderen. In Eritrea, waar tien jaar geleden nog maar 18 procent van de kinderen werd ingeënt, wordt nu meer dan 80 procent gevaccineerd. In dezelfde periode steeg het vaccinatiepercentage in Niger van 25 procent naar 64 procent en in Uganda van 52 naar 82 procent.

Vaccinatiecampagnes kunnen de mist in gaan door een combinatie van factoren, zegt het rapport: slecht georganiseerde gezondheidszorg, misverstanden over inentingen, culturele factoren en slecht geschoold medisch personeel. 'In veel landen waar vaccinatieprogramma's relatief goed lopen, ontstaat een soort gelatenheid. Ze vergeten dat het van fundamenteel belang is om ook de laatste 20 of 30 procent van de kinderen te bereiken', aldus Salama. De kinderen die buiten de programma's vallen, leven vaak in oorlogsgebieden of afgelegen dorpen. (JS/PD)

Deel dit artikel