Zuid-Afrikaanse maïsboeren zien heil in biobrandstof

Zuid-Afrikaanse maïsboeren doen hun uiterste best om de regering over te halen hun gewas als grondstof voor biobrandstof aan te merken. Maïs is nu uitgesloten, omdat productie voor bio-ethanol de voedselzekerheid zou bedreigen.


Kort nadat de regering in december de biobrandstofstrategie ontvouwde, zette de minister van Landbouw, Lulu Xingwana, de deur op een kier voor de maïslobby. Ze beloofde dat het kabinet de beslissing zou terugdraaien, zodra bewezen is dat er voldoende extra maïs geproduceerd kan worden.

Maïs is een basisproduct in Zuid-Afrika. Maar als gevolg van de dalende prijzen, laten commerciële boeren ongeveer een miljoen hectare beschikbaar land onbenut. De productie schommelt jaarlijks rond de 8,6 miljoen ton. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de vraag van consumenten terwijl er nog winst te behalen is voor de boeren.

In een onzekere markt kan die balans snel verstoord worden en leiden tot grote verliezen, zeggen deskundigen. “Maïsboeren zijn goede zakenlieden. Net als andere handelaren, willen ze graag winst maken. Er zijn er maar weinig die extra geld in gewassen steken als ze niet de zekerheid hebben dat er tegenover staat”, zegt Wessel Lemmer, econoom van Grain South Africa.

Lemmer en andere deskundigen zijn er echter van overtuigd dat de oogst kan stijgen met tenminste drie miljoen ton, als al het beschikbare land gebruikt wordt. Dat is genoeg om de biobrandstofmarkt te bedienen zonder dat het een negatieve impact heeft op de voedselvoorziening.

Lourie Bosman, voorzitter van AgriSA, zegt dat de regering alle benodigde informatie heeft, en dat op grond daarvan geconcludeerd kan worden dat extra productie mogelijk is. Die zou ook kunnen bijdragen aan de economische ontwikkeling van de thuislanden, gebieden die tijdens de apartheid gereserveerd werden voor zwarten.

Het uitsluiten van maïs zet het Ethanol Africaproject onder druk, een initiatief uit de private sector dat 5,5 miljoen dollar van investeerders aantrok, terwijl de bouw van de fabriek in Bothaville in Vrijstaat nog niet is begonnen.

“De minister van Landbouw wil dat de boeren bewijzen dat extra productie mogelijk is. Maar er bestaat geen twijfel over dat dat kan”, zegt Johan Hoffman van Ethanol Africa. “Ik ben er zeker van dat de fabriek er komt, zodra de regering duidelijkheid geeft over de toekomstige koers. Tot die tijd kunnen we niet verder met de bouw.”

Terwijl de maïslobby wacht op overheidsactie, onderzoekt het staatsbedrijf Central Energy Fund (CEF) de mogelijkheid om vijf biobrandstoffabrieken op te zetten in het land. Daar zouden suikerbieten en suikerriet verwerkt moeten worden tot bio-ethanol, en sojabonen, zonnebloemen en koolzaad tot biodiesel.

De regering heeft de doelen voor biobrandstofproductie bijgesteld, van 4,3 procent van de totale brandstofproductie in het land naar 2 procent.

“Persoonlijk ben ik tegen het uitsluiten van maïs,” zegt Sibusiso Ngubane, projectmanager van het CEF. “Als je dat doet, kunnen er minderspelers tot de markt toetreden en er zijn minder bronnen waar we uit kunnen putten.”

Als projectmanager van CEF is Ngubane nauw betrokken bij het zoeken naar de juiste locaties voor de fabrieken in Pondoland (in het zuiden van KwaZulu-Natal), Makhatinivlakte (in het noorden van de provincie), Hoedspruit in de provincie Limpopo, Cradock in de Oostkaap en Sasolburg in de Noordelijke Vrijstaat.

Volgens Ngubane kan elke fabriek direct werk bieden aan 120 tot 160 mensen. Als de fabrieken eenmaal volop draaien, kunnen biobrandstoffen de werkloosheid met 0,6 procent terugdringen, met name op het platteland, zegt hij. Ook zouden ze de landbouwproductie kunnen stimuleren in voorheen verwaarloosde regio’s als Pondoland en de Makhatinivlakte.

BRON:
http://www.ipsnews.be

IPS DOOR:

Deel dit artikel