• Jij bent #1van11 ❤
    Jij bent #1van11 ❤
    Eén van de kenmerken van de 11.11.11-campagne blijft de grote diversiteit van de acties. Ook dit jaar was er opnieuw veel creativiteit bij de organisatie van evenementen.

Niet te missen

  • 06 november
    Expo Lectrr
  • 23 november
    Kajaktrail 11.11.11

Achter de schermen in Haïti

Sedert maanden is het in het armenland Haïti zeer onrustig. Of het (on)vrijwillige vertrek van Aristide hierin verandering zal brengen blijft een open vraag. Haïti is het armste land van het Amerikaanse continent. De helft van de bevolking lijdt aan ondervoeding en heeft geen toegang tot zuiver drinkwater. Ze moet leven met een gemiddeld inkomen van 480$ per capita op jaarbasis. Een land waar 1 procent van de rijken de helft van de rijkdom van het land bezitten.

 


HET STRUCTURELE GEWELD
Bij deze gewelddadige gebeurtenissen in het land, presenteert de burgerlijke pers de gekende stereotypen om dit conflict te duiden. Men verwijst naar de gewelddadige geschiedenis van het land, naar de dictaturen en 33 putschpogingen. Men wil de indruk wekken dat na de democratische opwelling van 1986-90, het geweld in de hoofden van de mensen bleef hangen en nu - gezien de ellendige sociale situatie - tot uitbarsting komt. Men heeft zeer veel over de persoonlijkheid van de Haïtiaanse president Aristide gespeculeerd. Hoe hij van hoop voor progressieven en tiersmondisten wereldwijd, maar vooral voor de armen in Haïti, evolueerde tot een corrupte despoot.

Men kan zich de vraag stellen of de schuld niet ergens anders ligt? Het is een feit, dat het geweld niet alleen te herleiden valt naar 200 jaar onafhankelijkheid Het ligt vooral in de 150 jaar ervoor, tijdens de koloniale periode. Het geweld schuilt in de sociale betrekkingen van de Haïtiaanse maatschappij, in de betrekkingen tussen Haïti en de wereldmarkt. Het is het brutale geweld van de economische verhoudingen. In Haïti bestaan onvoorstelbare rijkdom en armoede direct naast elkaar. Ze beïnvloeden mekaar en zijn zeer eng met de voorwaarden van de wereldmarkt verweven.

Deze wisselwerking heeft een lange geschiedenis. Ze begint met de kolonisering van Haïti en de slaveneconomie, met een onvergelijkbare transfer van rijkdom. Ze vond haar voortzetting in de concurrerende economische infiltratie van de imperialistische machten op het einde van de 19de en begin van de 20ste eeuw. De uitdrukking "kanonneerbootpolitiek" stamt uit deze tijd, toen de Duitse kanonneerboten in de haven van Port-au-Prince opdoken om Duitse kooplui vrij te krijgen. Deze infiltratie mondde uit in een complete omvorming van de Haïtiaanse economie tijdens de Amerikaanse bezetting van 1915 tot 1934, toen het land namelijk verplicht werd zich te oriënteren naar de kapitalistische normen.

De ontwikkelingsprogramma's uit de zestiger tot tachtiger jaren hielden de verplichting in deze economische koers te handhaven. Zelfs de val van de Duvalier-dictatuur en terugkeer in 1994 van Aristide uit ballingschap, gingen gepaard met offensieven van de neoliberale ontwikkelingsstrategie ( handelsliberalisering, stopzetten verwerkende nijverheid, enz)..Het waren vooral de boeren en de kleine ambachtslieden die onder deze opgelegde voorwaarden het meest te lijden hadden. De zeer kleine Haïtiaanse bourgeoisie, die vooral van Libanese en Duitse afkomst is, kon profiteren van dat economisch beleid.

De Haïtiaanse crisis is een economische crisis. De gebeurtenissen van februari 2004 zijn hiervan de duidelijke uitdrukking. In 1994 marcheerde een internationale macht het land binnen en stelde een einde aan het militairregime van generaal Raoul Cédras en bracht de verkozen president Aristide terug naar zijn land. De democratische gevoelsuitbarsting die bij de verkiezingen van 1990 Aristide tot president verkoos, - die in feite een groeiende nood aan sociale en democratische initiatieven wilde uitdrukken - werd onherroepelijk verstikt door de nog resterende scherven van het militair regime, de zogenoemde FRAPH (Forces Révolutionaires Armées pour le Progrès en Haïti), die in de jaren na de putsch 1991-94 honderden tot duizenden aanhangers van Lavalas om het leven heeft gebracht. In 1995 legden het IMF en de Wereldbank, zoals gebruikelijk, het land een structureel aanpassingsprogramma op: halvering van de loonmassa bij de openbare diensten, liberalisering van de telecommunicatie, privatisering van staatsbedrijven (o.a. de cement- en meelindustrie), het beheer van de zeehavens en vliegvelden en de elektriciteitsproductie.

Aristide heeft deze verplichtingen ondertekend, maar vertraagde nadien de toepassing van deze onpopulaire maatregelen. Nadat hij volgens de bepalingen van de grondwet zijn ambt als president moest doorgeven aan René Préval, viel de pluralistische Lavalas beweging uit elkaar. In het parlement hergroepeerde de afscheidingsbeweging zich onder de naam OPL (Organisation du Peuple en Lutte), die een snelle omkering van de structurele aanpassingen eiste. Het land werd geconfronteerd met vele protestbewegingen, waarvan sommige gewelddadig waren. Zo kwam het tot een patstelling in het bestuur van het land. Het was onmogelijk om in het parlement nog een meerderheid tot stand te brengen. Het conflict werd beslecht in het voordeel van de groep rond Aristide en Préval. Ze besloten toen om een hen toegewijde regeringsleider, Edouard Alexis, per decreet aan te stellen en het parlement alle macht te ontnemen. Na dit manoeuvre, waarbij de oppositie quasi uitgeschakeld werd, werden de kaarten opnieuw geschud.

De regering Préval - Alexis werkte zelf zeer ijverig om de opgelegde structurele aanpassingen, waartegen ze zich voordien verzet hadden, door te drukken. Nadat Aristide in november 2000, bij een twijfelachtige verkiezing, terug tot president verkozen werd, werd dit beleid voortgezet. De liberalisering van de telecommunicatiemarkt en de gedeeltelijke privatisering van Teleco werden hierbij zeer consequent doorgevoerd. De sluiting van de staatsfabrieken voor de cement- en meelproductie, en de uitverkoop aan internationale consortiums met participatie van de Haïtiaanse bourgeoisie, verzekerden Aristide weliswaar niet van de steun maar toch van hun politieke passiviteit van de machtigste families van het land.

KLEINBURGERIJ
De zogenaamde kleinburgerij, die politiek in de OPL georganiseerd is, was de verliezers van deze ontwikkeling. Ze was niet alleen uit de macht ontzegd maar stond ook bloot aan allerlei represailles. Zo ontwikkelde deze kleinburgerij zich als intellectueel oriëntatiepunt van de oppositie. Deze kleinburgerij telt vooral welgestelde intellectuelen. Ze hebben goede banden met de Europese sociaal democraten en zijn over diverse partijen bij de "socialistische internationale" vertegenwoordigd. Deze band met het buitenland is hun sterkste troefkaart. Dank zij deze contacten is het hen mogelijk om hun politieke doelstellingen op de internationale agenda te plaatsen. Het bevriezen van het EU-ontwikkelingsgeld vier jaar geleden is op hun actief te schrijven precies door hun invloed bij de sociaal-democratische Europese regeringen. Ze beschouwen zich nu nog altijd als links, hetgeen in werkelijkheid niet juist is. Ze behoren immers tot een geprivilegieerde goed opgeleide elite. Ze leven in de fraaiste en beste woonwijken van de hoofdstad Port-au-Prince. Hun links idealisme dreef hen in de voorbije periode naar de communistische partijen en naar de krachten die Aristide steunden in de strijd tegen de militaire dictatuur van Raoul Cedras. Hun sociale positie verhinderde dat ze toenadering vonden tot het volk, "la Masse". Ze zijn universiteitsdocenten, wetenschappers of kunstenaars. Ze hebben minder contact met het volk dan de groot bourgeoisie, "la Classe", daar deze door de brutale uitbuiting onmiddellijk met het volk te maken heeft. Om hun politieke ambities te kunnen doorzetten ontbreekt het hen aan een maatschappelijke verankering. Dat is de reden waarom ze steeds op zoek gingen naar nieuwe partijen en bondgenootschappen die geen grote basis hebben weten te verwerven. Intussen moesten ze zelf toezien hoe het grootkapitaal verbroederde met de regering van Aristide.

POST-ELECTORALE CRISIS
Sedert de laatste presidentiële periode van Aristide, begin 2001, onmiddellijk na de omstreden verkiezingen, startte de zogenaamde "post-electorale" crisis. Het was het begin van de huidige controverse. In mei 2000 had de oppositie, na een gemanipuleerde verkiezing, praktisch alle zetels in het parlement verloren. Voor alle duidelijkheid moet men toch zeggen dat Aristide ook zonder de gemanipuleerde telling van de stemmen, toch de verkiezing zou gewonnen hebben. Maar dank zij de manipulatie konden de mensen rond Aristide bijna alle zetels bezetten in het nieuwe parlement. De oppositie maakte schandaal rond dit bedrog om haar aanspraak op de macht te doen gelden - die ze bij eerlijke verkiezingen toch niet zou behaald hebben, - en wist op die manier een internationalisering van de crisis te bekomen. Vanaf dit ogenblik voerde ze een escalatiestrategie en gingen oppositieleden ook allianties aan met vertegenwoordigers van het verdreven militaire regime, zoals bijvoorbeeld met de ex-dictator Prosper Avril. De regering bood nieuwe verkiezingen aan in de kantons waar de stembusgang gemanipuleerd was. Tenslotte was ze ook bereid om de ganse stembusgang in het land over te doen. De oppositie reageerde hierop met een radicalisering van haar eisen, tot het ontslag van de president ("option zero").Door haar strategie van "option zero" draagt ze voor een deel de verantwoordelijkheid van de huidige situatie. De kleinburgerij die zich door de Lavalas onderdrukt voelde, zal ook met haar nieuwe bondgenoten in de huidige constellatie, de grote verliezer zijn. Misschien zal het sommigen mogelijk zijn enkele persoonlijke maar zeker geen politieke ambities te verwezenlijken.

OPTREDEN VAN DE GEWEZEN MILITAIREN
Vanzelfsprekend draagt Aristide de schuld voor de escalatie en het geweld. Hij heeft lang goedkeurend ingestemd, misschien zelfs aangemoedigd, dat jongerengroepen zich bewapenden en jacht maakten op oppositionele groepen. Dit leidde tot een verharding van de confrontatie tussen regering en oppositie. Anderzijds zijn het juist deze jongerenbenden die tegen de rebellen de officiële regering verdedigen. Diegenen die van deze ontwikkeling kunnen profiteren is een derde macht, namelijk de FRAPH, ttz. De " anciens militaires".

PERSPECTIEVEN
De mensen in Haïti hebben recht en aanspraak op hulp. Ten eerste moet men de financiële hulp van 500 miljoen euro vrijgeven die in 2000 door Europa en de Verenigde Staten geblokkeerd werd. Haïti heeft nood aan oprechte vrienden die tot de oplossing van het conflict kunnen bemiddelen. Het kan best die 'vrienden' missen die alleen maar uit eigen belang en economische interesse het land en zijn burgers oplossingen willen opdringen. Want op termijn zal iedere politieke oplossing steeds op dezelfde structurele problemen botsen, waardoor elk project tot mislukken gedoemd zal zijn. De neoliberale ontwikkelingsstrategie heeft er in het verleden voor gezorgd dat de nationale productie van handelsgoederen is bezweken onder de concurrentie van de importgoederen. Op dit ogenblik bouwt men aan de grens met de Dominicaanse Republiek een vrijhandelszone en werd een industriepark ingericht. Hiervoor werden reeds de nodige onteigeningen gedaan en boeren van hun land verdreven, mits een kleine vergoeding wanneer ze een eigendomstitel kunnen voorleggen.. Dominicaanse textielondernemingen zullen in Mariboux textielproducten voor de Amerikaanse markt produceren. Zo kunnen ze de geldende Amerikaanse importquota's per land omzeilen en gebruiken maken van de lage loonkosten van Haïti. In een multilateraal akkoord tussen de Verenigde Staten, de Dominicaanse Republiek en Haïti zijn de modaliteiten vastgelegd en geregeld voor de onteigening van de aldaar gevestigde boeren, de bescherming van het industriecomplex, de belastingsgunsten en de bescherming van het investeringskapitaal. Over de arbeidsregels of de verwerking van chemische afvalstoffen spreekt men in de bovenvermelde overeenkomst niet. Het is in het belang van de burgers van Haïti en andere Latijns-Amerikaanse staten dat de neoliberale vrijhandel aan banden wordt gelegd. De initiatieven FTAA en ALCA moeten aan een grondige herziening onderworden worden. Haïti heeft internationale hulp nodig, maar geen hulp die tot doel heeft om de verhouding van internationale afhankelijkheid nog dieper te verankeren.

bron: Alexander King

Deel dit artikel