Het einde van de Arabische dictaturen?

De wanhoopsdaad van Mohamed Bouazizi, die zichzelf begin januari in brand stak, veroorzaakte in Tunesië en het brede Midden-Oosten een schokgolf. Ook in Jordanië, Jemen, Algerije en Egypte kwamen mensen op straat. Veel waarnemers vergelijken de gebeurtenissen met de val van de Berlijnse muur. Toen veranderde de wereld onverwacht en voorgoed. Het is koffiedik kijken of de betogingen tot een democratischer Midden-Oosten kunnen leiden.

De ogen van de wereld zijn vooral op Egypte gericht. Hoewel veel regeringsleiders de demonstranten steunen, zijn ze beducht voor een regimeverandering. De vrees bestaat dat een democratiseringsgolf de onstabiliteit in Egypte en de hele regio zal vergroten. Toch is er reden tot optimisme. Zo zijn er nog andere factoren voor verandering in het Midden-Oosten dan de politieke islam.

Brede volksbewegingen, gevoed door economische en politieke frustraties
O
pvallend is dat de betogingen niet gedomineerd worden door islamitische bewegingen. Bij gebrek aan een sterke seculiere oppositie, is de politieke islam in de meeste landen van het Midden-Oosten immers de voornaamste bron van oppositie. Nu komen gewone mensen op straat om zich te verzetten tegen dictatoriale en corrupte regimes. Ze pleiten voor werk, een betere levensstandaard en vrijheid. Sociale media zoals Facebook en Twitter kunnen  het gebrek aan mobilisatiekracht van een sterk georganiseerd middenveld enigszins opvangen. De sociale netwerksites vergemakkelijken een massale mobilisatie. In Tunesië gaven ze de initiële protestacties een onvoorziene draagwijdte. Toch is het overtrokken om van Facebookrevoluties te spreken. Zo is de digitale kloof in een land als Egypte, waar de helft van de bevolking met minder dan 2 dollar per dag moet rondkomen, erg groot. De snelle mobilisatie in verschillende landen is voornamelijk mogelijk door de decennia lange opgekropte economische en politieke frustraties.

Sattelietzenders zoals al-Jazeera dragen bij tot het domino-effect van grassroots protestbewegingen. Burgers zijn zich al langer bewust van de impasse waarin de regio zich bevindt. Maar voor het eerst in de recente geschiedenis, zien ze nu resultaat van burgerprotest. Nu voelt geen enkel regime zich nog even zeker van zijn voortbestaan als eind vorig jaar. Begin januari deden de aanhoudende protesten in Tunesië president Ben Ali na 23 jaar wijken. Eind januari kelderden de protesten in Egypte president Moebaraks plannen om een dynastie te installeren en de fakkel aan zijn zoon door te geven. In Jordanië herschikte koning Abdullah zijn regering om socio-economische hervormingen te bespoedingen.

Deze evoluties ontkrachten het beeld van een monolithisch Midden-Oosten. In de Westerse media en publieke opinie worden de kansen op liberalisering in de regio laag ingeschat, onder meer door het gebrek aan slagkrachtige middenveldorganisaties. De geschiedenis toont echter dat oppositie succesvol was. In de jaren ’50 waren er grote studentenbetogingen in Egypte, vocht Algerije een ontvoogdingstrijd uit en was er een revolutie in Irak. De daaropvolgende decennia waaide er echter een wind van verstarring door de regio, onder meer door het conflict met Israël en de ontwikkeling van dictatoriale, en voornamelijk militaire, regimes. Deze regimes gebruikten het conflict met Israël om hun alleenheerschappij te vestigen. De internationale gemeenschap legde hen geen strobreed in de weg. Een recent voorbeeld hiervan is de flater van de Franse minister van Buitenlandse Zaken die president Ben Ali vlak voor zijn val asiel aanbood. Mede door de steun van het Westen waanden deze regimes zich onschendbaar. De bevolking in Tunesië en Egypte beslist er blijkbaar anders over en toont dat collectief verzet ook in deze regio mogelijk is.

Veel experts wijzen erop dat de ‘Jasmijnrevolutie’ in Tunesië eerder gebaseerd was op een brede sociale oppositie dan op een religieuze islamitische beweging. Ook al kreeg de regering pluimen voor haar socio-economisch beleid van onder meer de Wereldbank, de modale Tunesiër plukte hier nauwelijks de vruchten van. De hoge werkloosheid, de inflatie en de stijgende voedselprijzen lagen aan de basis van de volksbeweging. De islamitische oppositie, met de partij an-Nahda (‘renaissance’), heeft uiteraard een stevige aanhang, zoals in andere landen in de regio. Het regime van Ben Ali probeerde de partij te neutraliseren, maar slaagde hier niet in. De tijdelijke overgangsregering, liet leider Rashid al-Ghannouchi terugkeren uit ballingschap. Hij pleitte voor een pluralistische maatschappij, zonder betutteling van derde partijen. Zo gaf An-Nahda te kennen dat ze wil meewerken aan een democratische transformatie.

In Egypte gebeurt iets soortgelijks. De Moslimbroeders lagen niet aan de basis van de betogingen. In tegenstelling tot wat president Moebarak beweert, hielden ze zich aanvankelijk vrij afzijdig van het protest. De Moslimbroeders zegden ook hun steun toe aan oppositiekandidaat Mohamed al-Baradei. Na enige terughoudendheid om de protestbeweging te steunen, keerde de Nobelprijswinnaar en voormalig leider van het Internationaal Atoomenergie Agentschap terug naar Egypte. Met zijn terugkeer heeft het land na jaren opnieuw een oppositiekandidaat van enig kaliber. De vraag is natuurlijk of mensen als al-Baradei de hefbomen hebben voor duurzame verandering. De uitdagingen zijn gigantisch: een economisch wanbeleid, een verdeeld politiek landschap en regionale instabiliteit.

Is duurzame verandering mogelijk?
D
e combinatie van economische uitsluiting, hoge voedselprijzen en een jonge bevolking is een constante in het Midden-Oosten. Die factoren lagen ook aan de bais van de sociale onlusten in Jordanië begin januari. De regering nam maatregelen om de voedselprijzen te drukken, bijgestaan door een Amerikaanse noodlening van 100 miljoen dollar. Ook in Egypte, waar de regering geïmporteerd voedsel subsidieert, zijn de voedselprijzen een zorg. De regimes moeten maatregelen nemen om voedseltekorten te voorkomen, maar toch zijn die niet voldoende. De Arabische landen importeren meer dan de helft van hun voedsel en zijn afhankelijk van andere landen voor hun voedselveiligheid.

Daarnaast zijn er de dramatische demografische tendensen. De bevolkingsaantal in de Arabische wereld vervijfvoudigde in de 20ste eeuw en bedraagt nu 300 miljoen mensen. Meer dan de helft van de bevolking in de regio is jonger dan dertig jaar. Egypte telt bijna 80 miljoen inwoners en volgens de Verenigde Naties zullen dat er in 2050 121 miljoen zijn. Dit betekent dat er nieuwe jobs zullen moeten worden gecreëerd, en nog meer voedsel zal worden geïmporteerd, als er niets verandert. De economie, die in de meeste Arabische landen stoelt op olie, zal anders moeten worden aangepakt. Volgens het Internationaal Energieagentschap zal de olieproductie in de nabije toekomst zijn piek bereiken en zal er langzaam maar zeker olieschaarste aanbreken. De ‘piekolie’ zal de voedselprijzen in Egypte en de Arabische wereld nog meer de lucht injagen.

Naast de zorgwekkende economische situatie, is het twijfelachtig of snelle politieke verandering mogelijk is in een regio die sinds de dekolonisatie geteisterd wordt door autocratische regimes die, mede door de buitenlandse inmenging, resistent bleken tegen verandering. Zelfs in het Tunesië van na de Jasmijnrevolutie bestaat de kans dat het ancien regime overleeft, en de politieke klasse gedomineerd blijft door de voormalige politieke elite. Het is hoopgevend dat een media-activist die aan de basis van de protesten lag, is opgenomen in de overgangsregering. Maar de premier, de veiligheidsdiensten en de meeste de parlementsleden zijn mensen van het ancien regime. Het is niet gegarandeerd dat het resultaat van de revolutie tegemoet komt aan de verzuchtingen van de bevolking.

Hetzelfde geldt voor Egypte, waar Moebarak erin slaagde om quasi een éénpartijstaat te creëren. Bovendien smoorden een aantal gebeurtenissen de hoop op liberalisering in de kiem. Na het uitbreken van de Intifada in de Palestijnse gebieden ontstond in 2000 een oppositiebeweging kifaya (‘genoeg’) die een nieuwe dynamiek genereerde, maar geen aansluiting vond bij de arbeiders en de armere bevolkingslagen. De relatief sterke arbeidersbeweging in Egypte organiseerde sinds 2004 meer dan 1000 stakingen en acties als protest tegen het neoliberale beleid. Ze kon de strijd tegen het regime echter niet aan en kon geen politieke hervormingen afdwingen.

In Egypte is buitenlandse inmenging ook een factor die duurzame verandering kan bemoeilijken. De VS steunden het protest en gaven president Moebarak te verstaan dat hij gevolg moet geven aan de protesten. Toch blaasden Westerse beleidsmakers tegelijkertijd warm en koud. Hillary Clinton pleitte voor een vreedzame overgangsperiode, nadat Moebarak de politie en het leger op de demonstranten had afgestuurd. Gelukkig waren de protesten grotendeels vreedzaam en kon het extreme geweld van de oproerpolitie de betogers niet van hun stuk brengen. Bovendien gaf het leger ook aan geen geweld tegen de demonstranten te zullen gebruiken. Tony Blair beaamde dat verandering nodig is, maar dan wel stabiele verandering.

Het is wel begrijpelijk dat het Westen voorzichtig is. Egypte is immers een cruciale partner: de leider van de Arabische wereld, het eerste land dat een vredesakkoord afsloot met Israël, één van de voornaamste bondgenoten en ontvangers van Amerikaanse hulp. Israël is allerminst tevreden met de evoluties. Het verkiest een dictator die de status quo behoudt boven een democratisch bewind waarbij de Moslimbroeders aan de macht kunnen komen. Het wijst erop dat regimeverandering ook negatief kan uitdraaien, zoals het geval was bij de islamitische revolutie in Iran in 1979. De internationale gemeenschap moet zich hier inderdaad over beraden. Wat als er een meer uitgesproken islamitisch regime komt? Zal de internationale gemeenschap dan net zo verkrampt reageren als in 2006, toen Hamas de Palestijnse parlementsverkiezingen won?

De Verenigde Staten en de Europese Unie kunnen lessen trekken uit deze gebeurtenissen. Terugblikkend op het verleden, moeten ze erkennen dat de jarenlange steun aan dictatoriale regimes geen vruchten afwierp. Deze regimes wierpen geen dam op tegen het islamisme, maar versterkten het. Vooruitkijkend naar de toekomst, moeten ze zich hoeden voor politieke inmenging. De bevolking zou die verketteren. Zij wil de vrijheid om een einde te stellen aan decennia van dictaturen. Indien de verandering niet meer is dan een opsmuk, kunnen de gevolgen dramatisch zijn. Dan kan het fundamentalisme welig tieren op het ongenoegen.

Brigitte Herremans, medewerker Midden-Oosten Broederlijk Delen en Pax Christi
Deze bijdrage werd geschreven voor de Gids op Maatschappelijk Gebied

Deel dit artikel

       

Niet te missen