Het gewone leven van een mijnenslachtoffer

Si Kea voor zijn huis

We zijn in Porh in Cambodja, een dorpje zoals er veel zijn in de provincie Siem Reap. Je vindt er paalwoningen en daken bedekt met palmbladeren, te midden van de rijstvelden.
Tijdens het regime van Pol Pot hebben soldaten in die omgeving mijnen gelegd. Si Kea woont er met haar familie. Ze zijn met tien in huis: haar stiefmoeder, halfbroers en –zussen en de familie van een van de zussen. Haar vader verloor ze drie jaar geleden. Si kea is een jonge vrouw van drieëndertig jaar, wiens verhaal goed aantoont welke moeilijkheden slachtoffers van mijnen ondervinden.

Het leven is niet mals voor Si Kea. Als kind werd ze ernstig ziek. Haar ouders dachten zelfs even dat ze ging sterven. Uitendelijk genas ze. Maar toen ze tien jaar was, overleed haar moeder. Haar familie is ook arm. Si Kea's vader bewerkte slechts een veld en moest regelmatig de jungle intrekken om eten te zoeken of om hout bijeen te rapen om te verkopen. "Soms hadden we eten, soms niet", vertelt de jonge vrouw. Verder is Si Kea nooit naar school kunnen gaan. « Door de ziekte die ik als klein kind heb gehad, wou mijn vader niet dat ik ver van huis ging." Ondanks alles leefde ze vrij gelukkig, met haar broers en zussen en de kinderen van haar vaders tweede vrouw.


Niet zomaar een stuk hout

Op zekere dag wandelde Si Kea met haar vader, broers en vrienden langs de rivier. Ze volgden een weg waarvan ze dachten dat die veilig was. Si Kea trapte op een stuk hout waaronder een mijn lag. Een van haar vrienden geraakte verwond aan de arm, de anderen waren ongedeerd. Zijzelf verloor haar rechterbeen. Ze was pas vijftien jaar oud...

Het heeft maanden tijd gekost om te genezen. Haar ouders hebben alles gedaan wat ze konden om haar in het ziekenhuis te houden. Na een maand moest ze echter naar huis omdat er geen geld meer was. Ze heeft dan maar zelf een paar krukken geknutseld om zich te kunnen verplaatsen. "Na het ongeval heb ik geen hulp gekregen. Pas tien jaar erna ben ik naar een centrum kunnen gaan. Mijn dorp is erg afgelegen. Zeven anderen, die hetzelfde hebben meegemaakt, zijn evenmin geholpen. Ik had geluk met mijn familie. Mijn vader wou niet dat ik het huis uitging omdat ik een handicap heb. Maar hij verweet me niets, behalve soms wanneer hij boos was. Dan schreeuwde hij wel eens dat ik niets kon, in het huishouden bijvoorbeeld. Toen maakte ik mij ook boos. En ik was kwaad op mezelf dat ik op die mijn had getrapt. Ik had het moeilijk en niemand kon mij helpen! »


Si Kea wil vooruit

Uiteindelijk is er toch een ngo naar het dorp getrokken. Die ngo heeft Si Kea naar een revalidatiecentrum gestuurd. Jammer genoeg paste de prothese Si Kea niet goed en veroorzaakte ze blessures en blauwe plekken. Ze draagt de prothese dus niet meer en gebruikt nu krukken. Ze heeft ook naailessen kunnen volgen. Daardoor kan de jonge vrouw wat geld verdienen. "Mijn kleren verkoop ik soms aan 1000, soms aan 2000 riels (1000 riels is 0,40 euro). Dat is lang niet genoeg om mijn familie te onderhouden", vertelt Si Kea.

Si Kea is heel moedig. Ze wil vooruit in het leven. Ze heeft op haar eentje leren breien en ontwerpt kleren, kussens... Ze dwingt zichzelf om haar leven in handen te nemen. Toch merk je ook bij Si Kea dat slachtoffers van mijnen geïsoleerd en kwetsbaar zijn en dat ze aangepaste hulp nodig hebben. Handicap International heeft zonet een studie uitgevoerd die tijdens de conferentie eind november in Phnom Penh zal worden voorgesteld. In die studie worden de levensomstandigheden van slachtoffers van mijnen onderzocht. Met dergelijke studies kan de hulp aan overlevenden zoals Si Kea doeltreffender worden georganiseerd. Het belang van blijvende hulp aan de slachtoffers van mijnen zal tijdens de conferentie in Cambodja trouwens meermaals aan bod komen.

Si Kea is een van de slachtoffers die werden geïnterviewd voor het onderzoek voorafgaand aan het rapport 'Victim Assistance in Cambodia'.
 



BRON:
Handicap International
Handicap Int. DOOR:

Deel dit artikel