Hoe gaat het nu eigenlijk met Tsjetsjenië?

64 jaar geleden werd het Tsjetsjeens-Ingoesetische volk op bevel van Jozef Stalin gedeporteerd naar de onherbergzame gebieden van Centraal-Azië en Siberië. 500.000 mensen werden op transport gezet in drie dagen tijd. Tijdens deze operatie en tijdens de treinrit overleden tienduizenden mensen. Zij die het transport overleefden werden na aankomst aan hun lot overgelaten met nog meer doden als gevolg. Eenderde van de bevolking zal dit niet overleven. Deze deportatie is in februari 2004 door het Europees Parlement erkend als daad van genocide in de zin van de Vierde Conventie van Den Haag van 1907 en de door de Algemene Vergadering van de VN op 9 december 1948 goedgekeurde Conventie inzake de preventie en repressie van de misdaad van genocide (Resolutie P5_TA(2004)0121). Wat sinds 1994 in Tsjetsjenië gebeurt, wordt door velen ook een ‘genocide’ genoemd. Opnieuw verloren tienduizenden mensen het leven, verdwenen zonder spoor of werden verminkt. Sinds president Ramzan Kadyrov aan de macht is in Tsjetsjenië verstomt echter de berichtgeving over het geweld. Hoe gaat het nu eigenlijk in Tsjetsjenië?


Rusland werkte sinds 2002 aan een zogenoemde politieke oplossing van het conflict. Dit proces was een antwoord op de vraag van de internationale gemeenschap, die – als het Tsjetsjenië al ter sprake bracht – hamerde op een politieke oplossing en geen militaire. De eerlijkheid en waarde van dit door het Kremlin gestuurde proces worden zwaar gecontesteerd, zowel uit Russische als Tsjetsjeense hoek. Ondertussen is het resultaat een “fait accompli” dat de internationale gemeenschap eerst heeft afgekeurd, maar in de feiten toch accepteert. Voorlopig hoogtepunt van dit politiek proces is de benoeming van Ramzan Kadyrov als president van Tsjetsjenië. Hij is de zoon van Achmed Kadyrov die vermoord werd op 9 mei 2004. Russisch president Poetin benoemde Ramzan op 15 februari 2007 toen hij 30 jaar was geworden (de minimumleeftijd volgens de Tsjetsjeense grondwet). Het Kremlin koos dus voor iemand van de Kadyrov-clan. Ramzan heeft geen diploma, bouwde een eigen militie op toen zijn vader nog leefde en is berucht voor brutaal geweld op tegenstanders.

De Raad van Europa noemde de verschillende fasen van het zogenoemde politiek proces (het referendum en de verkiezingen) tussen 2003 en 2007 ondemocratisch, omdat de bevolking gedomineerd werd door angst en terreur. De OVSE durfde wegens onveiligheid geen waarnemers naar de verkiezingen te sturen. Tijdens de laatste parlementsverkiezingen van 2 december 2007 behaalde Verenigd Rusland, de partij van president Poetin, een monsterscore van 99% in Tsjetsjenië! Zouden werkelijk zoveel Tsjetsjenen vertrouwen hebben in de man die hun land en volk heeft vernietigd? Eenzijdige politieke ingrepen vormen geen bijdrage tot een duurzame oplossing van het conflict.

De Tsjetsjeense verzetspartij is volledig aan de kant geschoven. Vooral de moord op Aslan Maschadov, de rechtmatig verkozen en internationaal erkende president van Tsjetsjenië (17 januari 1997 – 8 maart 2005), heeft de Tsjetsjeense gematigde separatisten een zware slag toegediend. Toch heeft de internationale gemeenschap de nieuwe politieke situatie geaccepteerd. De radicale vleugel van het verzet geleid door Sjamil Basajev zaaide terreur en zorgde voor het etiket “terrorist” op elke Tsjetsjeen, maar werd veel minder hard bestreden dan de gematigde partij rond Maschadov. Uiteindelijk is Basajev gedood bij een ongeluk en niet bij een doelgerichte actie (10 juli 2006). De opvolging van Maschadov had geen hoog aanzien, niet bij de Tsjetsjeense bevolking en al helemaal niet in het buitenland. Abdul-Halim Sajdulajev koos al een radicalere richting dan Maschadov en na zijn dood (17 juni 2006) zette opvolger Dokku Umarov een erg islamitische koers in. De islamitische propaganda nam eind 2007 zo’n proporties aan dat het parlement in ballingschap (verkozen in 1997) Umarov met een meerderheid van stemmen als president heeft afgezet en Achmed Zakajev heeft aangeduid om een nieuwe regering te vormen. Dit gebeurde in oktober en november 2007. De directe aanleiding was het feit dat Umarov de stichting van een Emiraat in de hele Noord-Kaukasus uitriep met zichzelf als emir aan het hoofd. Volgens veel Tsjetsjenen heeft dit niets meer met hun eigen onafhankelijkheidsstrijd te maken.

De internationale gemeenschap weet niet hoe met deze nieuwe situatie om te gaan, omdat de facto niemand nog het Tsjetsjeense volk vertegenwoordigt. President Ramzan Kadyrov en zijn regering – meestal aangeduid als de “pro-Russische regering” – spreken van een naoorlogse context en zelfs van vrede, maar gevechten behoren nog niet tot het verleden. Amnesty International schrijft in 2007: “Door beide zijden van het conflict worden nog altijd (kleinere) militaire operaties uitgevoerd, nog altijd zijn er schendingen van mensenrechten, verdwijningen, ontvoeringen, intimidaties …”

In 2007 kondigde Kadyrov een amnestie af voor Tsjetsjeense strijders die zich kwamen overgeven. Veel van deze ex-verzetsstrijders werken nu bij de politie of bij het leger van Kadyrov. Niemand is zeker van hun loyaliteit, wat de angst doet toenemen. De Russische en Tsjetsjeense overheid wijzen op de wederopbouw van Tsjetsjenië. Deze gebeurt voornamelijk in de hoofdstad Grozny en in Gudermes waar Kadyrov woont. Vele gebouwen worden alleen aan de buitenkant hersteld. Burgers krijgen maar een klein percentage in handen van de oorlogsschade die het Russisch parlement heeft beloofd. Tijdelijke opvanghuizen worden gesloten zonder dat er voldoende vervangende woningen klaar zijn. In plaats van voorrang te geven aan woonhuizen, ziekenhuizen en scholen, wordt massaal geld gestoken in pompeuze gebouwen zoals de grootste moskee van de Kaukasus of het geplande Aquapark. Evenmin als in de rest van de Russische Federatie kan in Tsjetsjenië gesproken worden van een functionerend gerechtelijke apparaat.

Eén van de pijnpunten is het duaal systeem voor gerechtelijk onderzoek: misdaden gepleegd door militairen kunnen enkel onderzocht worden door militaire procureurs; misdaden van burgers of personeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (andere dan de binnenlandse troepen) worden onderzocht door civiele procureurs. Als een civiel procureur een dossier doorstuurt naar een militaire procureur, kan die het dossier weigeren zonder opgave van reden. Zo gaan militairen en milities dus vrijuit. Civiele rechtbanken zijn bovendien weinig onafhankelijk. Alleen het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg geeft een objectief beeld van de Russische verantwoordelijkheid in de mensenrechtenschendingen. Tot nu toe is Rusland al in 15 zaken van Tsjetsjeense burgers veroordeeld. Meer dan 100 andere klachten zijn ontvankelijk verklaard en wachten op een uitspraak. Rusland betaalt de boetes, maar werkt niet aan verbetering van de rechtzekerheid ten gronde. Integendeel, aanklagers en hun familieleden worden bedreigd of effectief vervolgd.

Zonder gerechtigheid kan echter nooit vrede worden opgebouwd

Meer info? annemarie.gielen@paxchristi.be

Pax Christi DOOR:

Deel dit artikel

       

Niet te missen