De Belgische Ontwikkelingssamenwerking in 2007

De Belgische Ontwikkelingssamenwerking in 2007

Zowel de cijfers als de kwaliteit van het ontwikkelingsbeleid liggen op de weegschaal. Op het vlak van de kwantiteit van hulp was 2007 alvast een rampjaar. Naast een drastische verhoging van het budget, heeft de Belgische overheid ook op het vlak van de modernisering van het beleid nog véél werk voor de boeg.

11.11.11 formuleert dan ook aanbevelingen op basis van deze analyse van het ontwikkelingsbeleid in 2007. Onze nieuwe minister weet dus welke uitdagingen hem te wachten staan.   

De Belgische overheid gaf in 2007 amper 0,43% van het BNI uit aan ontwikkelingssamenwerking. Dit is een steile val tegenover de 0,5% in 2006 en verwijdert België nog verder van de beloofde 0,7% in 2010. Er is zelfs een daling in absolute cijfers: van 1,57 miljard euro in 2006 naar 1,43 miljard euro in 2007.

Hiervoor zijn twee oorzaken. Enerzijds konden er in 2007 minder schulden kwijtgescholden worden. Anderzijds werd andermaal niet het volledige bedrag dat op de begroting voorzien was voor DGOS uitgegeven. In een onderling akkoord tussen de MR ministers Reynders en Laruelle werd zelfs beslist om 40 miljoen uit de kas van DGOS te graaien om een put bij Financiën te dichten. In totaal mocht DGOS slechts 866 miljoen van de voorziene 954 miljoen uitgeven.

Méér hulp is hoogst noodzakelijk, maar deze hulp moet natuurlijk ook doeltreffend besteed worden. Het accent in dit jaarrapport ligt dan ook op de vraag of én hoe de Belgische overheid de Verklaring van Parijs – over de doeltreffendheid van de hulp – in de praktijk brengt. Uit de analyse van 11.11.11 blijkt dat er, ondanks vele goede intenties, nog veel stappen gezet moeten worden op dit vlak.

Zo hinkt de Belgische overheid achterop bij de uitvoering van haar eigen concentratiebeleid. Van alle uitgaven – zowel vanuit departement Ontwikkelingssamenwerking als Financiën, Handel, Klimaat, enz. – die als Officiële Ontwikkelingssamenwerking (ODA) aangerekend worden, wordt amper één derde besteed aan de vijf prioritaire sectoren uit de Wet Internationale Samenwerking.

Het is dus hoog tijd dat er nagedacht wordt over een goede synergie binnen de Belgische regering, aangezien de minister voor Ontwikkelingssamenwerking slechts zeggenschap heeft over 58% van alle ODA-middelen. Een ander punt van kritiek is het gebrek aan capaciteit binnen de instellingen van de Belgische coöperatie om nieuwe hulpmodaliteiten, zoals begrotingshulp, op te zetten en op te volgen.

De – vaak welwillende – ambtenaren worden onvoldoende opgeleid en ondersteund. Maar één van de grootste pijnpunten van de Belgische coöperatie is het gebrek aan voorspelbaarheid. Al te vaak zijn partneroverheden onvoldoende en laattijdig geïnformeerd over de engagementen van de Belgische overheid of gebeurt het te vaak dat België de beloofde betalingen te laat doet.

Op basis van haar analyse van het ontwikkelingsbeleid van de vorige minister, doet 11.11.11 aanbevelingen aan de nieuwe minister voor Ontwikkelingssamenwerking, die alvast weet wat te doen de komende maanden.

Deel dit artikel